DE STADSLOPER

De ellende begon met de was en werd snel erger.

Toen Liesel samen met Rosa Hubermann de was ging rondbrengen in Molching, vertelde een van haar klanten, Ernst Vogel, dan hij het zich niet langer kon veroorloven zijn was en strijk voor zich te laten doen. ‘Het zijn moeilijke tijden,’ verontschuldigde hij zich, ‘wat kan ik er meer van zeggen? Het wordt allemaal steeds moeilijker. Door de oorlog wordt alles steeds krapper.’ Hij keek naar het meisje. ‘U ontvangt zeker een vergoeding om die kleine te onderhouden?’

Tot Liesels ontsteltenis stond Mama met een mond vol tanden.

Naast haar stond een lege tas.

Kom mee, Liesel.

Het werd niet uitgesproken. Het werd met ruwe hand meegetrokken.

Vogel riep nog iets vanuit zijn deuropening. Hij was misschien een meter zeventig lang en zijn futloze haar hing in vettige pieken over zijn voorhoofd. ‘Het spijt me, Frau Hubermann!’

Liesel zwaaide naar hem.

Hij zwaaide terug.

Mama schold.

‘Niet zwaaien naar die Arschloch,’ zei ze. ‘Doorlopen.’

Toen Liesel die avond in bad ging, boende Mama haar heel erg hard, terwijl ze aan één stuk door over die Saukerl van een Vogel zat te mompelen en om de twee minuten een imitatie van hem weggaf. ‘U ontvangt zeker een vergoeding voor het meisje…’ Tijdens het schrobben keek ze naar Liesels naakte borst. ‘Zóveel ben je nu ook weer niet waard, Saumensch. Je maakt me heus niet rijk, als je dat soms denkt.’

Liesel zat daar maar en liet het over zich heen komen.

Nog geen week na dit voorval sleepte Rosa haar mee naar de keuken. ‘Zo, Liesel.’ Ze zette haar aan de tafel. ‘Aangezien je toch de helft van de tijd op straat loopt te voetballen, kan je jezelf hier ook wel eens nuttig maken. Voor de verandering.’

Liesel keek naar haar eigen handen. ‘Wat is er, Mama?’

‘Van nu af aan ga jij voor mij de was ophalen en bezorgen. Die rijke mensen zullen ons minder snel ontslaan als ze jou tegenover zich hebben. Als ze je vragen waar ik ben, zeg je maar dat ik ziek ben. En kijk er een beetje zielig bij. Je bent mager en bleek genoeg om hun medelijden te wekken.’

‘Herr Vogel had ook geen medelijden met me.’

‘Nou ja…’ zei ze, duidelijk geërgerd. ‘De anderen misschien wel. Dus houd je mond.’

‘Ja, Mama.’

Even leek het alsof haar pleegmoeder haar wilde troosten, of een schouderklopje wilde geven.

Maar ze deed het niet.

In plaats daarvan stond Rosa Hubermann op, pakte een houten lepel en hield die onder Liesels neus. Wat haar betreft was dat bittere noodzaak. ‘Wanneer je de straat op gaat, ga je met de tas een voor een de adressen langs en kom je er rechtstreeks weer mee naar huis, met het geld, ook al is het bijna niks. Je gaat niet naar Papa als die toevallig eens een keer werk heeft. Je blijft niet op straat rondhangen met die kleine Saukerl, Rudy Steiner. Meteen. Naar huis.’

‘Ja, Mama.’

‘En je houdt die tas fatsoenlijk vast. Je zwaait er niet mee, je laat hem niet vallen, je kreukt hem niet en je gooit hem niet over je schouder.’

‘Ja, Mama.’

Ja, Mama.’ Rosa Hubermann kon heel goed stemmen imiteren en deed dat dan ook vaak. ‘Als je het maar uit je hoofd laat, Saumensch. Als je het toch doet, kom ik erachter, dat weet je, hè?’

‘Ja, Mama.’

Het herhalen van die twee woorden was vaak de beste manier om te overleven, net als doen wat haar gezegd werd, en vanaf dat moment liep Liesel Memminger door de straten van Molching, van het arme gedeelte naar het rijke, om overal de was op te halen en af te leveren. Aanvankelijk was het een eenzaam baantje, maar ze klaagde nooit. De eerste de beste keer dat ze haar ronde ging doen, ging ze bij de Münchenstraat de hoek om, keek naar links en naar rechts, en zwaaide de zak helemaal in de rondte – waarna ze de inhoud controleerde. Gelukkig, geen kreukels. Geen plooien. Alleen een brede lach en een belofte om het nooit meer te doen.

Al met al vond Liesel het wel een prettig baantje. Ze kreeg er niets voor, maar ze was het huis uit en zonder Mama over straat lopen was op zich al heerlijk. Geen wijzende vinger en geen gescheld. Geen mensen die naar hen keken wanneer ze werd uitgefoeterd omdat ze de waszak verkeerd vasthield. Niets dan rust.

De mensen begon ze ook aardig te vinden:

• De Pfaffelhürvers, die de kleren nakeken en zeiden: ‘Ja, ja, sehr gut, sehr gut.’ Liesel stelde zich voor dat zij alles twee keer deden.

• De vriendelijke Helena Schmidt, die het geld met een reumatisch gekromde hand aan haar overhandigde.

• De Weingartners, met hun kat met geknakte snorharen die altijd samen met hen naar de deur kwam. Kleine Goebbels noemden ze hem, naar Hitlers rechterhand.

• En Frau Hermann, de burgemeestersvrouw, die met verwarde haren en rillend in haar enorme, koude deuropening stond. Altijd zonder iets te zeggen. Altijd alleen. Geen woorden, nooit.

Soms ging Rudy mee.

‘Hoeveel geld heb je daar?’ vroeg hij op een middag. Het was bijna donker en ze liepen de Himmelstraat in, langs de winkel. ‘Heb je het gehoord van Frau Diller? Ze zeggen dat ze nog ergens lollies heeft liggen en voor de juiste prijs…’

‘Vergeet het maar.’ Liesel hield het geld zoals altijd stevig vast. ‘Voor jou is het niet zo erg – jij hoeft mijn mama niet onder ogen te komen.’

Rudy haalde zijn schouders op. ‘Het was het proberen waard.’

Half januari werd op school aandacht besteed aan het schrijven van brieven. Nadat zij de grondbeginselen hadden geleerd, moesten alle leerlingen twee brieven schrijven, één aan een vriend en één aan iemand in een andere klas.

De brief van Rudy aan Liesel ging als volgt:

Beste Saumensch,

Voetbal je nog steeds zo hopeloos slecht als de laatste keer dat we speelden? Ik hoop van wel. Dat betekent dat ik weer keihard langs je heen kan rennen, net als Jesse Owens op de Olympische Spelen…

Toen Zuster Maria de brief onder ogen kreeg, stelde ze hem heel vriendelijk een vraag.

ZUSTER MARIAS AANBOD

‘Heb je zin in een bezoekje
aan de gang, meneer Steiner?’

Het spreekt vanzelf dat Rudy’s antwoord ontkennend luidde. Het vel papier werd verscheurd en hij begon opnieuw. Ditmaal richtte hij zich tot iemand die Liesel heette en informeerde wat haar hobby’s waren.

Toen Liesel thuis een brief wilde afmaken die ze als huiswerk mee hadden gekregen, vond ze het eigenlijk belachelijk om hem aan Rudy of een andere Saukerl te schrijven. Dat betekende helemaal niets. Terwijl ze in de kelder zat te schrijven, vroeg ze raad aan Papa, die de muur weer eens aan het overschilderen was.

Zowel hij als de verfdampen draaiden zich om. ‘Was wuistz?’ Nu was dit de meest grove vorm van Duits die iemand maar spreken kon, maar hij zei het op een heel vriendelijke manier. ‘Wat is er?’

‘Zou ik een brief aan Mama kunnen schrijven?’

Het bleef even stil.

‘Waarom zou je haar een brief willen schrijven? Je ziet haar toch elke dag?’ Papa schmunzelde – een plagerig lachje. ‘Vind je dat niet erg genoeg?’

‘Niet die Mama.’ Ze slikte.

‘O.’ Papa draaide zich weer om naar de muur en ging verder met schilderen. ‘Nou, ik denk het wel. Je zou hem kunnen sturen naar hoe heet ze ook al weer – die vrouw die jou hier heeft gebracht en nog een paar keer langs is geweest – van de pleegzorg.’

‘Frau Heinrich.’

‘Precies. Als je de brief naar haar stuurt, kan zij hem misschien doorsturen naar je moeder.’ Liesel merkte meteen dat hij niet erg overtuigend klonk, alsof hij iets voor haar verzweeg. Tijdens Frau Heinrichs korte bezoekjes was er ook al zo weinig over haar moeder gezegd.

In plaats van hem te vragen wat er aan de hand was, begon Liesel meteen te schrijven, bewust geen aandacht schenkend aan het onheilspellende gevoel dat zich van haar meester begon te maken. Het kostte haar drie uur en zes kladjes om de brief te vervolmaken waarin ze haar moeder alles vertelde over Molching, haar papa en zijn accordeon, de vreemde maar oprechte hebbelijkheden van Rudy Steiner en de wederwaardigheden van Rosa Hubermann. Ook vertelde ze hoe trots ze was dat ze nu een beetje kon lezen en schrijven. De volgende dag deed ze hem met een postzegel uit de keukenla op de post bij Frau Diller. En begon het wachten.

Op de avond dat ze de brief had geschreven, hoorde ze vanuit haar bed een gesprek tussen Hans en Rosa.

‘Hoe komt ze erbij om naar haar moeder te schrijven?’ vroeg Mama. Haar stem klonk verrassend rustig en bezorgd. Je kunt je voorstellen dat dit het meisje ernstig zorgen baarde. Ze had hen liever ruzie horen maken. Fluisterende volwassenen boezemden haar niet bepaald vertrouwen in.

‘Ze vroeg het aan me,’ antwoordde Papa, ‘en ik kon moeilijk nee zeggen. Dat kon ik toch niet doen?’

‘Jezus, Maria en Jozef.’ Opnieuw dat gefluister. ‘Ze kan haar beter vergeten. Wie weet waar ze is? Wie weet wat zij met haar hebben gedaan?’

In bed rolde Liesel zichzelf op tot een balletje.

Ze dacht aan haar moeder en herhaalde Rosa’s vragen.

Waar was ze?

Wat hadden ze met haar gedaan?

En boven alles, wie waren zij?