DERTIEN CADEAUTJES

Het was Max’ aankomst, weer helemaal opnieuw.

Veren werden weer takjes. Een glad gezicht werd weer ruw. Het bewijs dat zij nodig had was er. Hij leefde.

De eerste paar dagen zat ze bij hem en praatte tegen hem. Op haar verjaardag vertelde ze hem dat er in de keuken een enorme taart stond te wachten, maar dan moest hij wel wakker worden.

Er was geen wakker worden.

Er was geen taart.

EEN NACHTELIJKE PASSAGE

Ik realiseerde me pas veel later dat ik in die periode
een bezoek had gebracht aan Himmelstraat 33.
Het moet een van de schaarse ogenblikken zijn geweest
dat het meisje even niet bij hem was, want het enige
wat ik zag was een man in bed. Ik knielde. Ik maakte
aanstalten om mijn handen door de dekens heen
te steken. Opeens was er echter een opleving – een

immense worsteling tegen mijn gewicht. Ik trok me
terug en gezien al het werk wat mij nog wachtte,

was het wel prettig om weggestuurd te worden in

die kleine, donkere kamer. Ik genoot zelfs nog even
met mijn ogen dicht van een kort moment van rust,
voordat ik weer wegging.

Op de vijfde dag ontstond er veel opwinding toen Max zijn ogen opendeed, ook al was het maar een paar tellen. Wat hij voornamelijk zag (en wat moet dat een angstaanjagende close-up-versie zijn geweest) was Rosa Hubermann, die onmiddellijk een armvol soep in zijn mond manoeuvreerde. ‘Slikken,’ raadde zij hem aan. ‘Niet nadenken. Gewoon slikken.’ Zodra Mama de soepkom had teruggegeven, probeerde Liesel zijn gezicht weer te zien, maar de rug van een soepvoerder zat haar in de weg.

‘Is hij nog wakker?’

Toen zij zich omdraaide, hoefde Rosa geen antwoord meer te geven.

Na bijna een week werd Max opnieuw wakker, en nu waren Papa en Liesel in de kamer. Ze zaten allebei naar het lichaam in het bed te kijken toen ze plotseling een zacht gekreun hoorden. Als het mogelijk was geweest, was Papa omhooggevallen, uit de stoel.

‘Kijk nou,’ bracht Liesel uit. ‘Wakker blijven, Max, wakker blijven.’

Hij keek haar even aan, maar er was geen herkenning. De ogen bestudeerden haar alsof ze een raadsel was. Toen was hij weer weg.

‘Papa, wat gebeurde er?’

Hans viel weer terug in zijn stoel.

Later stelde hij voor dat ze hem misschien maar voor moest lezen. ‘Kom, Liesel, je kunt tegenwoordig zo goed lezen – ook al snappen wij geen van allen waar dat boek vandaan komt.’

‘Dat heb ik toch verteld, Papa. Ik heb het van een van de nonnen op school gekregen.’

Papa stak quasi-protesterend zijn handen op. ‘Ik weet het, ik weet het.’ Hij zuchtte, vanaf zijn grote hoogte. ‘Zorg er alleen voor…’ Hij koos zijn woorden zorgvuldig. ‘Dat ze je niet pakken.’ Dit van een man die een jood had gestolen.

Vanaf die dag las Liesel De Fluiter voor aan Max, die nog steeds haar bed in beslag nam. De enige ergernis was dat ze steeds hele hoofdstukken moest overslaan omdat de bladzijden aan elkaar zaten geplakt. Het was niet goed opgedroogd. Toch worstelde ze zich er doorheen, totdat ze op ongeveer driekwart van het boek was. Het boek telde driehonderdzesennegentig pagina’s.

In de buitenwereld haastte Liesel zich elke dag na school naar huis in de hoop dat Max zich beter voelde. ‘Is hij nog wakker geweest? Heeft hij wat gegeten?’

‘Ga toch naar buiten,’ smeekte Mama haar. ‘Ik krijg wat van al die vragen. Schiet op. Ga lekker voetballen, in godsnaam.’

‘Goed, Mama.’ Ze wilde de deur al opendoen. ‘Maar u komt me toch wel halen als hij wakker wordt, hè? Verzin maar iets. Schreeuw maar tegen me alsof ik iets verkeerds heb gedaan. Scheld me uit. Dat gelooft iedereen, maakt u zich geen zorgen.’

Zelfs Rosa moest hierom lachen. Ze zette haar handen op haar heupen en vertelde Liesel dat ze nog niet te oud was voor een Watschen als ze zo tegen haar Mama praatte. ‘En maak een doelpunt,’ dreigde ze, ‘anders hoef je helemaal niet meer thuis te komen.’

‘Zal ik doen, Mama.’

‘Maak twee doelpunten, Saumensch!’

‘Goed, Mama.’

‘En houd nu eens een keer je mond!’

Liesel dacht even na, maar rende toen de modderige straat op, waar ze Rudy tegenkwam.

‘Het werd eens tijd, kontkrabber.’ Hij verwelkomde haar op de gebruikelijke manier terwijl ze om de bal vochten. ‘Waar heb je gezeten?’

Een halfuur later, toen de bal plat was gereden door een zeldzame passerende auto, had Liesel haar eerste cadeau voor Max Vandenburg gevonden. Nadat zij hem als niet meer te repareren hadden afgeschreven, gingen alle kinderen teleurgesteld naar huis en lieten de bal stuiptrekkend achter op de koude, bemodderde straat. Liesel en Rudy bleven nog even op hun hurken bij het karkas zitten. Er zat een gapend gat in, dat een beetje op een mond leek.

‘Wil jij hem?’ vroeg Liesel.

Rudy haalde zijn schouders op. ‘Wat moet ik met zo’n geplette strontzak van een bal? Je denkt toch zeker niet dat we daar nog lucht in krijgen, wel?’

‘Wil je hem hebben of niet?’

‘Nee, dank je.’ Rudy gaf de bal een voorzichtig tikje met zijn voet, alsof het een dood dier was. Of een dier dat wel eens dood zou kunnen zijn.

Toen hij naar huis liep, raapte Liesel de bal op en stak hem onder haar arm. Ze hoorde hem al roepen. ‘Hé, Saumensch.’ Ze wachtte. ‘Saumensch!’

Ze gaf zich gewonnen. ‘Wat?’

‘Ik heb hier ook nog een fiets zonder wielen als je die wilt hebben.’

‘Stik maar in je fiets.’

Vanaf de plek waar ze stond, was het laatste wat ze hoorde het gelach van die Saukerl, Rudy Steiner.

Binnen liep ze meteen naar de slaapkamer. Ze nam de bal mee naar Max en legde hem aan het voeteneind van het bed.

‘Het spijt me,’ zei ze, ‘het is niet veel. Maar wanneer je wakker wordt, zal ik je er alles over vertellen. Ik zal je vertellen dat het de grauwste middag was die je je kunt voorstellen en dat een auto zonder licht er finaal overheen reed. En toen stapte die man uit en begon tegen ons te schreeuwen. En toen vroeg hij ons de weg. Het gore lef…’

Wakker worden! wilde ze gillen.

Of ze wilde hem door elkaar schudden.

Ze deed het niet.

Het enige wat Liesel kon doen was naar de bal en zijn vertrapte, afbladderende buitenkant kijken. Het was het eerste cadeau van vele.

CADEAUS NR.2 – NR.5

Een lint, een dennenappel.
Een knoop, een steen.

De voetbal had haar op een idee gebracht.

Telkens wanneer ze nu naar school liep en ’s middags weer naar huis, was Liesel op zoek naar afgedankte voorwerpen die nog van waarde konden zijn voor een stervende man. Eerst vroeg ze zich af waarom het zo belangrijk was. Hoe kon iets zo onbeduidends iemand troost bieden? Een lint in de goot. Een dennenappel op straat. Een knoop die nonchalant tegen de muur van een klaslokaal leunde. Een platte ronde steen uit de rivier. Het toonde in elk geval dat zij zich om hem bekommerde, en het zou hun iets geven om over te praten wanneer Max wakker werd.

Wanneer ze alleen was voerde ze hele gesprekken.

‘Wat is dat allemaal?’ zou Max vragen. ‘Wat is dat voor rommel?’

‘Rommel?’ In gedachten zat zij op de rand van het bed. ‘Dit is geen rommel, Max. Dit zijn de dingen die ervoor hebben gezorgd dat je wakker werd.’

CADEAUS NR.6 – NR.9

Een veer, twee kranten.
Een lollypapiertje. Een wolk.

De veer was heel mooi en zat klem tussen de deurscharnieren van de kerk in de Münchenstraat. Hij stak er een beetje scheef tussenuit en Liesel rende ernaartoe om hem te redden. Aan de linkerkant was hij helemaal plat, maar de rechterkant bestond uit tere randjes en delen van puntige driehoekjes. Er was geen andere manier om het te beschrijven.

De kranten kwamen uit de ijskoude dieptes van een vuilnisbak (genoeg gezegd) en het lollypapiertje was plat en verbleekt. Ze vond het vlak bij school en hield het tegen het licht. Het bevatte een collage van schoenafdrukken.

En dan de wolk.

Hoe geef je iemand een stukje van de lucht?

Eind februari stond ze in de Münchenstraat en keek hoe een enkele reusachtige wolk als een wit monster over de heuvels aan kwam drijven. Hij beklom de bergen. De zon werd aan het zicht onttrokken en in zijn plaats hield een wit beest met een grijs hart de wacht over de stad.

‘Ziet u die wolk daar?’ zei ze tegen Papa.

Hans hield zijn hoofd een beetje schuin en zei precies wat hij dacht. ‘Die moet je aan Max geven, Liesel. Je moet maar eens kijken of je hem op het nachtkastje kunt leggen, bij al die andere dingen.’

Liesel keek hem aan alsof hij gek was geworden. ‘Maar hoe dan?’

Hij tikte lichtjes met zijn knokkels tegen zijn schedel. ‘Prent hem in je hoofd en schrijf hem dan voor hem op.’

‘… Hij leek op een groot wit beest,’ zei ze bij haar eerstvolgende wake aan het bed van Max, ‘en hij kwam van over de bergen.’

Toen de zin na een aantal veranderingen en toevoegingen helemaal af was, had Liesel het gevoel dat het haar was gelukt. Ze stelde zich voor hoe het beeld van haar hand naar de zijne ging, door de dekens heen, schreef de zin op een stukje papier en legde de steen er bovenop.

CADEAUS NR. 10 – NR.13

Een speelgoedsoldaatje.
Een wonderblad.
Een uitgelezen Fluiter.
Een plak verdriet.

Het soldaatje lag begraven in het zand, niet ver van Tommy Müllers huis. Het was bekrast en vertrapt, maar daar ging het nu juist om, volgens Liesel. Ondanks zijn verwondingen kon hij nog steeds staan.

Het blad was een esdoornblad dat ze op school in de bezemkast vond, tussen de emmers en de plumeaus. De deur stond op een kier. Het blad was droog en hard als geroosterd brood en was bedekt met een landschap van heuvels en valleien. op de een of andere manier was het blad in de schoolgang terechtgekomen en vervolgens in die kast. Als een halve ster aan een steeltje. Liesel raapte het op en draaide het rond tussen haar vingers.

In tegenstelling tot de andere voorwerpen, legde ze het blad niet op het nachtkastje. Ze prikte het aan het gesloten gordijn, vlak voordat ze de laatste vierendertig bladzijden van De Fluiter ging voorlezen.

Die middag ging ze niet eten en ze ging ook niet naar het toilet. Ze dronk niets. De hele dag op school had ze zichzelf voorgenomen dat ze het boek vandaag zou uitlezen en dat Max Vandenburg zou luisteren. Hij zou wakker worden.

Papa zat in een hoekje op de grond, werkloos, zoals gewoonlijk. Gelukkig zou hij straks naar de Knoller gaan met zijn accordeon. Met zijn kin op zijn knieën luisterde hij naar het meisje dat hij met zoveel moeite het alfabet had geleerd. Trots lezend, stortte zij de laatste angstaanjagende woorden van het boek uit over Max Vandenburg.

HET LAATSTE RESTJE VAN DE FLUITER

… De Weense lucht besloeg die ochtend de ramen
van de trein, en terwijl de mensen nietsvermoedend

naar hun werk reisden, floot een moordenaar

zijn vrolijke deuntje.

Hij kocht zijn kaartje. Hij groette beleefd
zijn medepassagiers en de conducteur. Hij stond

zelfs zijn zitplaats af aan een bejaarde dame

en voerde een gesprekje met een gokker die het

over Amerikaanse paarden had. De fluiter hield

immers van praten. Hij praatte met mensen en wist

hen zover te krijgen dat ze hem aardig vonden,

hem vertrouwden. Hij praatte tegen hen terwijl

hij hen doodde, terwijl hij hen martelde en het mes

in hun lichaam zette. Hij floot alleen wanneer er
niemand was om tegen te praten en daarom deed
hij het altijd na een moord…

‘Dus u denkt dat nummer zeven het goed gaat doen
op de baan?’

‘Natuurlijk,’ grinnikte de gokker. Er was al sprake
van vertrouwen. ‘Hij duikt opeens achter ze op en

dan gaan ze er een voor een aan!’ Hij riep het boven

het lawaai van de trein uit.

‘Als u erop staat,’ lachte de fluiter zelfgenoegzaam, en
hij vroeg zich af wanneer ze het lichaam van de

inspecteur zouden vinden in die gloednieuwe BMW.

‘Jezus, Maria en Jozef.’ Hans kon een ongelovige toon niet onderdrukken. ‘Heb je dat van een non gekregen?’ Hij stond op en liep naar haar toe om haar een kus op haar voorhoofd te geven. ‘Dag, Liesel, de Knoller wacht.’

‘Dag, Papa.’

‘Liesel!’

Ze deed net of ze niets hoorde.

‘Kom eens even iets eten!’

Nu antwoordde ze wel. ‘Ik kom, Mama.’ Eigenlijk zei ze die woorden tegen Max, toen ze het uitgelezen boek op het nachtkastje legde, bij de rest. Terwijl ze zich over hem heen boog, kon ze zich niet bedwingen. ‘Toe nou, Max,’ fluisterde ze, en zelfs het geluid van Mama’s voetstappen achter haar weerhielden haar er niet van om zachtjes te huilen. Ze weerhielden haar er niet van een druppel zout water uit haar oog te laten vallen, op Max Vandenburgs gezicht.

Mama pakte haar vast.

Haar armen slokten haar op.

‘Ik weet het,’ zei ze.

Ze wist het.