SCHETSEN

Terwijl de zomer van 1941 zich aan alle kanten opdrong aan kinderen als Liesel en Rudy, schreef en schilderde hij zich in het leven van Max Vandenburg. In zijn eenzaamste ogenblikken in de kelder begonnen de woorden zich om hem heen op te stapelen. De visioenen begonnen uit zijn handen te stromen en te vallen en af en toe te strompelen.

Hij bezat slechts wat hij zelf een klein rantsoen werktuigen noemde:

Een geschilderd boek.

Een handvol potloden.

Een hoofd vol gedachten.

En dat alles begon hij als een eenvoudige puzzel in elkaar te passen.

Eigenlijk was Max van plan geweest zijn eigen verhaal op te schrijven.

Het idee was om over alles te schrijven wat hem was overkomen – alles wat hem naar de kelder in de Himmelstraat had gebracht – maar dat was niet wat eruit kwam. Max’ ballingschap zorgde ervoor dat het iets heel anders werd. Het was een verzameling willekeurige gedachten en hij besloot ze te gebruiken. Ze voelden waarachtig. Ze waren echter dan de brieven die hij aan zijn familie en zijn vriend Walter Kugler schreef in de wetenschap dat hij ze nooit zou kunnen versturen. De ontheiligde pagina’s van Mein Kampf veranderden in een serie schetsen, pagina na pagina, die voor hem een opsomming vormden van de gebeurtenissen die zijn vroegere leven voor een ander hadden verruild. Sommige kostten hem maar een paar minuten. Aan andere zat hij uren te werken. Hij had zich voorgenomen het boek wanneer het af was aan Liesel te geven, wanneer ze er oud genoeg voor was en al deze onzin hopelijk was afgelopen.

Vanaf het moment dat hij de potloden uitprobeerde op de eerste geverfde pagina, hield hij het boek voortdurend bij zich. Vaak lag het naast hem of had hij het nog in zijn hand terwijl hij sliep.

Op een middag viel hij na zijn push-ups en sit-ups tegen de keldermuur in slaap. Toen Liesel beneden kwam zag ze het boek naast hem liggen, half rechtop tegen zijn bovenbeen, en kon ze haar nieuwsgierigheid niet bedwingen. Ze bukte zich en raapte het op, wachtend tot hij zich zou verroeren. Maar dat deed hij niet. Max zat met zijn hoofd en schouderbladen tegen de muur. Ze kon zijn ademhaling nauwelijks horen toen ze het boek opende en willekeurig enkele pagina’s opsloeg…

Niet de Führer – de dirigent!

Bang voor wat zij zag, zette Liesel het boek gauw weer neer, precies zoals ze het had gevonden, tegen Max’ been.

Opeens schrok ze van een stem.

‘Danke schön,’ zei de stem en toen ze het spoor van het geluid naar zijn eigenaar volgde, zag ze een kleine blik van tevredenheid op zijn joodse lippen.

‘Jezus,’ bracht Liesel uit. ‘Je liet me schrikken, Max.’

Hij viel weer in slaap en het meisje sleepte diezelfde gedachte achter zich aan de trap op.

Je liet me schrikken, Max.