DE ACHTERKANT VAN SCHUURPAPIER

Ik denk dat mensen vooral bepalende momenten meemaken wanneer ze kind zijn. Voor sommigen is het een Jesse Owens-incident. Voor anderen is het een moment van in-bed-plassende hysterie.

Het was eind mei 1939, en de avond was niet anders geweest dan de meeste andere. Mama schudde haar ijzeren vuist. Papa was weg. Liesel maakte de voordeur schoon en keek naar de lucht boven de Himmelstraat.

Eerder die avond was er een parade geweest.

De in bruine hemden gestoken extremistische leden van de NSDAP (ook wel bekend als de nazipartij) waren door de Münchenstraat gemarcheerd, hun vlaggen trots voor zich uit, hun gezichten hoog geheven, alsof ze op stokjes waren geprikt. Hun zingende stemmen bereikten een hoogtepunt in een bulderende uitvoering van Deutschland über Alles.

Zoals altijd, werden zij enthousiast toegejuicht.

Terwijl ze wie weet waar naartoe marcheerden werden ze door de toeschouwers aangemoedigd.

De mensen op straat bleven staan kijken, sommigen groetend met recht uitgestoken armen, anderen met handen die gloeiden van het applaudisseren. Sommige gezichten, zoals dat van Frau Diller, waren verwrongen van trots en strijdlust, en dan had je hier en daar nog wat vreemde eenden in de bijt, zoals Alex Steiner, die erbij stond als een blok hout met menselijke vormen en langzaam en plichtmatig meeklapte. En mooi. Onderworpenheid.

Liesel stond met haar papa en Rudy op de stoep. Op het gezicht van Hans Hubermann waren de jaloezieën neergelaten.

ENKELE KNAGENDE CIJFERS

Sinds 1933 toonde negentig procent van de Duitsers
onvoorwaardelijke steun voor Adolf Hitler.
Dan blijft er tien procent over die dat niet deed.
Hans Hubermann behoorde tot die tien procent.
Dat had een reden.

’s Nachts droomde Liesel, zoals ze altijd deed. Eerst zag ze de bruinhemden marcheren, maar even later brachten ze haar naar een trein en daar wachtte de gebruikelijke ontdekking. Haar broertje lag weer te staren.

Toen zij gillend wakker werd, wist Liesel meteen dat er deze keer iets was veranderd. Er kwam een warme, weeïge geur onder de lakens vandaan. Eerst probeerde zij zichzelf er nog van te overtuigen dat er niets aan de hand was, maar toen Papa naar haar toe kwam en zijn armen om haar heen sloeg, begon ze te huilen en bekende fluisterend wat er was gebeurd.

‘Papa,’ fluisterde ze, ‘Papa,’ en dat was alles. Hij rook het waarschijnlijk zelf ook wel.

Hij tilde haar voorzichtig uit het bed en droeg haar naar de badkamer. Het moment kwam een paar minuten later.

‘We halen het bed af,’ zei Papa, maar toen hij onder de dekens reikte en aan het laken trok, schoot er iets los en viel met een plof op de grond. Een zwart boek met zilveren letters erop belandde op de vloer, precies tussen de voeten van de grote man.

Hij keek omlaag.

Hij keek naar het meisje, dat verlegen haar schouders ophaalde.

Toen las hij geconcentreerd en hardop de titel: ‘Het Doodgravershandboek.’

Zo heet het dus, dacht Liesel.

Opeens stond er een stilte tussen hen in. De man, het meisje, het boek. Toen raapte hij het op en sprak, zo zacht als watten.

EEN GESPREK OM TWEE
UUR S NACHTS

‘Is dit van jou?’
‘Ja, Papa.’
‘Wil je het lezen?’
Nogmaals: ‘Ja, Papa.’
Een vermoeid glimlachje.
Staalgrijze ogen smolten.
‘Nou, dan moesten we het maar gaan lezen.’

Vier jaar later, toen ze in de kelder zat te schrijven, waren er twee dingen die Liesel het meeste waren bijgebleven over het trauma van het bedplassen. Ten eerste bofte ze ontzettend dat het Papa was geweest die het boek had gevonden. (Bij eerdere verschoningen van het bed, had Rosa Liesel het bed zelf laten afhalen en weer opmaken. ‘En vlug een beetje, Saumensch! We hebben niet de hele dag de tijd.’) Ten tweede was ze erg trots op Hans Hubermanns aandeel in haar scholing. Je zou het niet denken, schreef ze, maar het was niet in de eerste plaats de school die me heeft leren lezen. Het was Papa. Mensen denken dat hij niet zo slim is en het is inderdaad waar dat hij niet al te snel leest, maar ik zou er al snel achter komen dat woorden en letters hem eens het leven hadden gered. Of in elk geval, woorden en een man die hem accordeon leerde spelen…

‘Laten we dit eerst maar eens doen,’ zei Hans Hubermann die nacht. Hij waste de lakens en hing ze op. ‘Zo,’ zei hij toen hij terugkwam. ‘Dan gaan we nu met de nachtklas beginnen.’

Het gelige licht leek te leven van de stofdeeltjes.

Liesel zat op koele, schone lakens, beschaamd, uitgelaten. Het idee dat ze in haar bed had geplast zat haar dwars, maar ze ging lezen. Ze zou het boek gaan lezen.

Een grote opwinding maakte zich van haar meester.

Visioenen van een tienjarig leeswonder werden geboren.

Was het maar zo gemakkelijk.

‘Om je de waarheid te zeggen,’ stak Papa meteen maar van wal, ‘ben ik zelf niet zo’n goede lezer.’

Maar het gaf niet dat hij langzaam las. Misschien hielp het juist wel dat zijn eigen leessnelheid lager lag dan gemiddeld. Misschien kon dat er voor zorgen dat het meisje minder gefrustreerd raakte om haar eigen onvermogen.

Toch zat Hans aanvankelijk een beetje ongemakkelijk door het boek te bladeren.

Toen hij naast haar op het bed kwam zitten, leunde hij achterover en liet zijn benen over de rand bungelen. Hij keek nog eens naar het boek en liet het op de deken vallen. ‘Waarom wil een leuk meisje zoals jij zoiets eigenlijk lezen?’

Liesel haalde nogmaals haar schouders op. Als de leerling-doodgraver bezig was geweest in de complete werken van Goethe of een andere grootheid, dan was dat het boek geweest dat hier voor hen zou hebben gelegen. Ze deed een poging het uit te leggen. ‘Ik – toen… Het lag in de sneeuw, en – ’ De zacht gesproken woorden vielen van het bed en belandden als poeder op de grond.

Maar Papa wist wat hij moest zeggen. Hij wist altijd wat hij moest zeggen.

Hij streek met een hand door zijn slaaphaar en zei: ‘Eén ding moet je me beloven, Liesel. Als ik snel doodga, moet jij ervoor zorgen dat ze me netjes begraven.’

Ze knikte ernstig.

‘Dat ze dus niet hoofdstuk zes overslaan, of stap vier in hoofdstuk negen.’ Hij lachte, net als de bedplasser. ‘Nou, ik ben blij dat we dat geregeld hebben. Dan kunnen we nu aan de slag.’

Hij ging er eens goed voor zitten en zijn botten kraakten als kriebelige vloerplanken. ‘Nu wordt het leuk.’

Versterkt door de stilte van de nacht, ging het boek open – een windvlaag.

Achteraf gezien wist Liesel precies wat er door haar papa heen ging toen hij zijn blik over de eerste pagina van Het Doodgravershandboek liet glijden. Toen hij de moeilijkheid van de tekst zag, was hij er zich onmiddellijk van bewust dat een boek als dit bepaald niet ideaal was. Er stonden woorden in waar hij zelf moeite mee zou gaan krijgen. Om nog maar niet te spreken over het morbide karakter van het onderwerp. Wat het meisje betreft, bij haar ontstond een plotseling verlangen het te lezen dat zij zelf niet eens probeerde te begrijpen. Misschien wilde zij zichzelf er op een bepaalde manier van overtuigen dat haar broertje op fatsoenlijke wijze was begraven. Wat de reden ook mocht zijn, haar honger om het boek te lezen was zo intens als je van een tienjarig mensenkind kon verwachten.

Hoofdstuk een heette ‘De eerste stap: het kiezen van de juiste materialen’. In een korte, inleidende passage, stonden hierin de materialen beschreven zoals die in de volgende twintig pagina’s zouden worden behandeld. Soorten spades, pikhouwelen, handschoenen enzovoort stonden hierin gespecificeerd, alsmede de absolute noodzaak ze netjes te onderhouden. Dat doodgraven was een serieuze zaak.

Terwijl Papa de tekst vluchtig doorlas, voelde hij Liesels ogen op zich gevestigd. Ze zochten hem en wachtten tot er iets, wat dan ook, van zijn lippen zou glijden.

‘Hier.’ Hij ging weer verzitten en gaf haar het boek. ‘Kijk maar eens naar deze bladzijde en vertel me hoeveel woorden je kunt lezen.’

Ze keek – en jokte.

‘Ongeveer de helft.’

‘Lees me er maar een paar voor,’ maar dat kon ze natuurlijk niet. Toen hij haar de woorden die ze kon lezen liet aanwijzen en hardop liet uitspreken, waren het er maar drie – de drie belangrijkste Duitse woorden voor ‘de’. Op de hele pagina stonden wel tweehonderd woorden.

Dit kon wel eens veel moeilijker worden dan ik had gedacht.

Ze betrapte hem op die gedachte, heel eventjes maar.

Hij schoof naar voren, stond op en liep weer weg.

Toen hij dit keer terugkwam, zei hij: ‘Eigenlijk heb ik een veel beter idee.’ In zijn hand hield hij een dik schilderspotlood en een stapeltje schuurpapier. ‘Laten we bij het begin beginnen.’ Liesel zag geen reden om te protesteren.

In de linkerhoek van een omgekeerd stukje schuurpapier tekende hij een hokje van misschien tweeënhalve centimeter in het vierkant en zette daar een hoofdletter A in. In de andere hoek zette hij een kleine letter. Ziezo, dat was een beginnetje.

‘A,’ zei Liesel.

‘A van wat?’

Zij glimlachte. ‘Apfel.’

Hij schreef het woord in grote letters en tekende er een misvormde appel onder. Hij was huisschilder, geen kunstenaar. Toen het af was, keek hij haar aan en zei: ‘En nu de B.’

Terwijl zij het hele alfabet doorliepen, werden Liesels ogen steeds groter. Dit had ze op school ook gedaan, in de kleuterklas, maar zo ging het veel beter. Zij was hier de enige leerling en ze was hier geen reus. Het was prettig om te kijken hoe Papa’s hand de woorden schreef en de primitieve tekeningetjes schetste.

‘Ah, kom nou, Liesel,’ zei hij, toen ze er een poosje later niet uitkwam. ‘Iets dat begint met een S. Het is heel makkelijk. Je stelt me heel erg teleur.’

Ze kon niet meer nadenken.

‘Kom op!’ Zijn fluisterstem plaagde haar. ‘Denk maar aan Mama.’

Op dat moment trof het woord haar als een klap in haar gezicht. Een automatische grijns. ‘SAUMENSCH!’ riep ze uit en Papa schaterde het uit van het lachen, maar werd meteen weer stil.

‘Sst, we moeten stil zijn.’ Maar hij schaterde toch en schreef het woord op, het afmakend met een van zijn tekeningetjes.

EEN TYPISCH HANS HUBERMANN KUNSTWERK

‘Papa!’ fluisterde ze. ‘Ik heb geen ogen!’

Hij streelde het meisje over haar haar. Ze was in zijn val gelopen. ‘Met een glimlach zoals de jouwe,’ zei Hans Hubermann, ‘heb je geen ogen nodig.’ Hij trok haar even tegen zich aan en keek toen, met een gezicht van warm zilver, weer naar de tekening. ‘En nu de T.’

Toen het alfabet af was en wel tien keer was bestudeerd, boog Papa zich over haar heen en vroeg: ‘Genoeg voor vannacht?’

‘Een paar woordjes nog?’

Hij hield voet bij stuk. ‘Genoeg. Wanneer je wakker wordt, zal ik accordeon voor je spelen.’

‘Dank u wel, Papa.’

‘Welterusten.’ Een stil, éénlettergrepig lachje. ‘Welterusten, Saumensch.’

‘Welterusten, Papa.’

Hij knipte het licht uit, kwam weer terug en ging in de stoel zitten. In het donker, hield Liesel haar ogen open. Ze keek naar de woorden.