DE WORSTELAAR, HET VERVOLG
Hier eindigt het goochelen, maar niet het worstelen. Ik heb Liesel Meminger in mijn ene hand en Max Vandenburg in de andere. Straks breng ik ze bij elkaar. Geef me nog een paar pagina’s.
De worstelaar:
Als ze hem vanavond vermoordden, zou hij in elk geval sterven terwijl hij leefde.
De trein was al een heel eind op weg, de snurker waarschijnlijk lekker opgekruld in de coupé waar zij lag te slapen. Nu bevonden zich alleen nog voetstappen tussen Max en overleving. Voetstappen en gedachten, en twijfels.
In gedachten volgde hij de kaart van Pasing naar Molching. Het was al laat toen hij het stadje zag. Hij had verschrikkelijke pijn in zijn benen, maar hij was er bijna – de allergevaarlijkste plek om te zijn. Zo dichtbij dat hij hem bijna kon aanraken.
Precies zoals het was beschreven, vond hij de Münchenstraat en vervolgde zijn weg over het trottoir.
Alles verstijfde.
Opgloeiende straatverlichting.
Het stadhuis stond erbij als een reusachtige jongeling met grote vuisten, veel te groot voor zijn leeftijd. De kerk verdween in de duisternis toen hij zijn blik erlangs omhoog liet glijden.
Alles keek naar hem.
Hij rilde.
Hij waarschuwde zichzelf. ‘Houd je ogen open.’
(Duitse kinderen keken uit naar verloren muntstukken. Duitse joden waren op hun hoede voor mogelijke gevangenneming.)
In overeenstemming met het gebruik van het cijfer dertien dat hem geluk moest brengen, telde hij zijn voetstappen in groepjes van dat aantal. Nog maar dertien passen, hield hij zichzelf steeds voor. Kom op, dertien nog maar. Ik schat dat hij dat ongeveer negentig keer moest doen voordat hij eindelijk op de hoek van de Himmelstraat stond.
In zijn ene hand hield hij zijn koffer.
In de andere nog steeds Mein Kampf.
Beide waren zwaar en beide werden vastgehouden door zweterige handen.
Nu sloeg hij de zijstraat in, op weg naar nummer drieëndertig. Hij onderdrukte een glimlach, hij onderdrukte een snik en hij onderdrukte zelfs maar de geringste voorstelling van de veilige omgeving die hem wellicht wachtte. Hij herinnerde zich eraan dat er in deze tijd geen plaats was voor hoop. Zeker, hij kon het bijna aanraken. Hij kon het voelen, ergens vlak buiten zijn bereik. In plaats van het te erkennen, ging hij echter weer verder met bedenken wat hij moest doen als hij op het allerlaatste moment toch nog werd gepakt, of als daarbinnen toevallig de verkeerde persoon op hem zat te wachten.
Natuurlijk was er ook de kriebel van de zonde.
Hoe kon hij dit doen?
Hoe kon hij hier zomaar aankomen en mensen vragen hun leven voor hem op het spel te zetten? Hoe kon hij zo zelfzuchtig zijn?
Drieëndertig.
Het huis had een bleke, bijna ziekelijke kleur, een ijzeren hek en een bruine, met speekselvlekken besmeurde deur.
Hij haalde de sleutel tevoorschijn. Die glinsterde niet, maar lag dof en zwaar in zijn hand. Even kneep hij erin, half verwachtend dat hij langzaam naar zijn pols zou druipen. Maar dat gebeurde niet. Het metaal was hard en plat, met een gezond stel tanden en hij kneep erin tot de punten in zijn huid drongen.
Toen leunde de worstelaar langzaam naar voren, legde zijn wang tegen het hout en haalde de sleutel uit zijn vuist.