DAGBOEK VAN DE DOOD: 1942

Het was een jaar voor de geschiedenisboeken, zoals 79, zoals 1346, om er maar eens een paar te noemen. Vergeet die zeis, godverdomme, ik had een bezem nodig of een zwabber. En wat ik ook hard nodig had was vakantie.

EEN KLEIN STUKJE WAARHEID

Ik draag geen sikkel of zeis.
Ik draag alleen een zwarte mantel met
capuchon wanneer het koud is.
En ik heb niet die doodshoofdachtige
gelaatstrekken die jullie mij van een
afstand zo graag toedichten. Wil je
weten hoe ik er werkelijk uitzie?
Ik zal je helpen. Ga even een spiegel
zoeken terwijl ik intussen verderga.

Eerlijk gezegd heb ik op dit moment wel een beetje het gevoel dat dit heel erg over mij, mij, mij gaat. Mijn reizen, wat ik zag in ’42. Aan de andere kant, jij bent een mens – jij zou moeten begrijpen wat het betekent om geobsedeerd te zijn door jezelf. Het punt is, er is een reden voor het feit dat ik je wil vertellen wat ik toen zag. Veel ervan zou gevolgen hebben voor Liesel Meminger. Het bracht de oorlog dichter bij de Himmelstraat en het sleepte mij mee.

Ik had dat jaar heel wat rondes te maken, van Polen naar Rusland naar Afrika en weer terug. Je zou kunnen zeggen dat ik mijn rondes altijd moet maken, ongeacht welk jaar het is, maar soms zet het menselijk ras er wat extra vaart achter. Dan verhogen ze de productie van lijken en hun ontsnappende zielen. Een paar bommen zijn meestal al voldoende. Of een paar gaskamers, of het gedreun van kanonnen in de verte. En als dat allemaal niet afdoende is, berooft het mensen in elk geval van hun woonruimte en ik zie dan ook overal daklozen. Ze komen vaak achter me aan wanneer ik door de straten van getroffen steden dwaal. Ze smeken me hen mee te nemen, zonder te beseffen dat ik het al veel te druk heb. ‘Jullie tijd komt nog,’ stel ik hen gerust en probeer vervolgens niet achterom te kijken. Soms zou ik willen dat ik iets kon zeggen als: ‘Zien jullie dan niet dat ik al genoeg voor mijn kiezen krijg?’, maar dat doe ik nooit. Inwendig klagend doe ik mijn werk en er zijn jaren dat het aantal zielen en lichamen vermenigvuldigt.

EEN BEKNOPTE OPSOMMING
VOOR 1942

1. De wanhopige joden – hun geesten
op mijn schoot terwijl we op het dak zaten,
naast de rokende schoorstenen.
2. De Russische soldaten die slechts kleine
hoeveelheden munitie meenamen en voor
de rest op de gesneuvelden vertrouwden.
3. De doorweekte lichamen voor een Franse kust,
gestrand op de kiezels en het zand.

Zo zou ik nog wel even kunnen doorgaan, maar voorlopig vind ik drie voorbeelden wel genoeg. Drie voorbeelden die je de assmaak in je mond zullen geven die mijn bestaan gedurende dat jaar kenmerkte.

Zoveel mensen.

Zoveel kleuren.

Ze blijven zich in mij roeren. Ze teisteren mijn herinnering. Ik zie ze hoog opgestapeld, allemaal boven op elkaar. Ik zie lucht als plastic, een horizon als drogende lijm. Ik zie luchten die gemaakt zijn door mensen, doorboord en lekkend en ik zie zachte, koolkleurige wolken, kloppend, als zwarte harten.

En dan.

Is er de dood.

Die zich tussen dit alles door een weg baant.

Aan de oppervlakte: onverstoorbaar, onverzettelijk.

Daaronder: verlamd, verward en verloren.

Eerlijk gezegd (en ik weet dat ik nu wel heel erg klaag), was ik nog steeds niet over Stalin heen, in Rusland. De zogenaamde tweede revolutie – de moord op zijn eigen mensen.

En toen kwam Hitler.

Ze noemen oorlog wel de beste vriend van de dood, maar wat dat betreft moet ik je toch op andere gedachten brengen. Voor mij is oorlog als de nieuwe baas die het onmogelijke verlangt. Hij buigt zich over je heen en herhaalt onophoudelijk één ding: ‘Zorg dat het afkomt, zorg dat het afkomt.’ Dus werk je harder. Je klaart de klus. Maar de baas bedankt je niet. Hij vraagt om meer.

Vaak probeer ik me de kleine stukjes schoonheid te herinneren die ik in die tijd zo nu en dan ook tegenkwam. Ik worstel me door mijn bibliotheek van verhalen.

Ik heb er eentje te pakken.

Volgens mij ken je de helft ervan al, en als je met me meegaat zal ik je de rest laten zien. Ik zal je de tweede helft van een boekendief laten zien.

Zonder dat ze het zelf weet, staan haar veel van de dingen te wachten waarover ik het een minuutje geleden nog had, maar zij wacht ook op jou.

Ze neemt wat sneeuw mee naar de kelder, hoe verzint ze het.

Handenvol bevroren water krijgen bijna iedereen aan het lachen, maar helpen hen niet te vergeten.

Daar komt ze al.