DAGBOEK VAN DE DOOD: KEULEN

De laatste uren van 30 mei.

Ik weet zeker dat Liesel Meminger in diepe slaap verzonken was toen meer dan duizend bommenwerpers op weg gingen naar een stad die bekendstond als Köln. Voor mij was het resultaat vijfhonderd mensen, zo om en nabij. Vijftigduizend anderen zwierven dakloos rond tussen de spookachtige ruïnes en puinhopen en probeerden te bepalen welke kant ze opgingen en welke verwoeste huizen aan wie toebehoorden.

Vijfhonderd zielen.

Ik droeg ze in mijn vingers, als koffers. Of ik gooide ze over mijn schouder. Alleen de kinderen droeg ik in mijn armen.

Tegen de tijd dat ik klaar was, was de hemel geel, als brandend krantenpapier. Als ik goed keek, kon ik de woorden zien, de koppen en de commentaren over de voortgang van de oorlog enzovoort. Wat had ik alles graag omlaag getrokken, om de krantenhemel te verfrommelen en weg te gooien. Mijn armen deden pijn en ik kon het me niet veroorloven mijn vingers te branden. Ik had nog zoveel te doen.

Zoals je mocht verwachten, vonden veel mensen onmiddellijk de dood. Anderen deden er wat langer over. Er waren nog verschillende andere plekken om te bezoeken, hemelen om te zien en zielen om op te halen en toen ik later terugkwam in Keulen, niet lang na de laatste vliegtuigen, was ik getuige van iets heel unieks.

Ik droeg de verkoolde ziel van een tiener toen ik somber omhoogkeek naar wat inmiddels een zwavelachtige hemel was. Ik bevond me vlak bij een groepje meisjes van een jaar of tien. Een van hen riep iets.

‘Wat is dat?’

Ze stak haar arm uit en wees met haar vinger naar het zwarte, trage voorwerp dat uit de lucht kwam vallen. Het begon als een zwarte veer, dwarrelend, zwevend. Of een flinter as. Toen werd het groter. Hetzelfde meisje – een roodharig kind met stippelsproetjes – vroeg nog een keer, maar nu nadrukkelijker: ‘Wat is dat?’

‘Een lijk,’ suggereerde een ander meisje. Donker haar, vlechtjes en een scheve middenscheiding.

‘Het is nog een bom!’

Het was te traag voor een bom.

Met de geest van de tiener nog zachtjes brandend in mijn armen, liep ik een paar honderd meter met hen mee. Net als de meisjes bleef ik naar de lucht kijken. Het laatste wat ik wilde was omlaag kijken naar het bewegingloze gezicht van mijn tiener. Een mooi meisje. Ze had haar hele dood nog voor zich.

Net als de rest schrok ik toen er opeens een harde stem klonk. Het was een boze vader die de kinderen binnenriep. Het roodharige meisje reageerde. Haar stippelsproetjes veranderen in komma’s. ‘Maar Papa, kijk dan.’

De man kwam een klein eindje naar buiten en begreep al snel wat het was. ‘Dat is de brandstof,’ zei hij.

‘Wat bedoelt u?’

‘De brandstof,’ herhaalde hij. ‘De tank.’ Hij was een kale man in een gescheurd pak. ‘Ze hebben alle brandstof in die tank opgebruikt en nu lozen ze hem. Kijk, daar heb je er nog een.’

‘En daar!’

Omdat het nu eenmaal kinderen waren begonnen ze meteen allemaal de lucht af te zoeken naar nog meer lege brandstoftanks die naar beneden kwamen.

De eerste landde met een doffe plof.

‘Mogen we hem houden, Papa?’

‘Nee.’ Hij was gebombardeerd en geschokt, deze papa, en duidelijk niet in een goede bui. ‘We mogen hem niet houden.’

‘Waarom niet?’

‘Ik ga aan mijn papa vragen of ik hem mag hebben,’ zei een van de andere meisjes.

‘Ik ook.’

Vlak buiten de puinhopen van Keulen verzamelde een groepje kinderen lege brandstoftanks, afgeworpen door hun vijanden. Zelf verzamelde ik, zoals gewoonlijk, mensen. Ik was moe. En het jaar was nog niet eens halverwege.