DE TRILOGIE

Terwijl Liesel werkte, rende Rudy.

Hij rende rondjes Hubertbaan, hij rende het huizenblok rond en hij liep om het hardst met bijna iedereen van het begin van de Himmelstraat naar de winkel van Frau Diller, waarbij hij wisselende voorsprongen gaf.

Een paar keer, toen Liesel Mama in de keuken stond te helpen, keek Rosa uit het raam en zei: ‘Wat voert die kleine Saukerl nu weer uit? Al dat heen en weer geren.’

Dan liep Liesel naar het raam. ‘Hij heeft zich in elk geval niet meer zwart geverfd.’

‘Nou, dat is dan al een hele verbetering.’

RUDYS REDENEN

Half augustus werd er een Hitlerjeugdfestival
gehouden, en Rudy was vast van plan
vier onderdelen te winnen: de 1500, 400, 200
en natuurlijk de 100 meter. Hij kon goed met

zijn nieuwe Hitlerjeugdleiders overweg en wilde
indruk op hen maken en bovendien wilde
hij zijn oude vriend, Franz Deutscher,
een poepje laten ruiken.

‘Vier gouden medailles,’ zei hij op een middag tegen Liesel, toen zij samen met hem baantjes rende. ‘Net als Jesse Owens in zesendertig.’

‘Je bent toch niet nog steeds helemaal gek van hem, of wel soms?’

Rudy’s voeten rijmden met zijn ademhaling. ‘Niet echt, maar het zou wel mooi zijn, vind je ook niet? Dan kan ik al die rotzakken die riepen dat ik gek was eens wat laten zien. Dan zouden ze zien dat ik niet zo achterlijk was als ze dachten.’

‘Maar kan je echt alle vier die afstanden winnen?’

Aan het eind van de baan kwamen ze tot stilstand en Rudy zette zijn handen op zijn heupen. ‘Het moet gewoon.’

Zes weken lang trainde hij elke dag en toen de dag van het festival half augustus aanbrak, was de hemel zonnig en onbewolkt. Het gras krioelde van de Hitlerjongeren, ouders en een overvloed aan leiders met hun bruine hemden. Rudy Steiner was in topconditie.

‘Kijk,’ wees hij. ‘Daar heb je Deutscher.’

Tussen de groepjes mensen in stond de blonde belichaming van het Hilterjeugdideaal instructies te geven aan twee leden van zijn afdeling. Ze stonden te knikken en deden af en toe een rekoefening. Een van hen beschermde als een soort saluut zijn ogen tegen de zon.

‘Wil je gedag gaan zeggen?’ vroeg Liesel.

‘Nee, bedankt. Dat doe ik straks wel.’

Wanneer ik heb gewonnen.

De woorden werden niet uitgesproken, maar ze waren er wel degelijk, ergens tussen Rudy’s blauwe ogen en Deutschers wijzende handen.

Eerst was er de verplichte mars rond het terrein.

Het volkslied.

Heil Hitler.

Toen konden ze pas beginnen.

Toen Rudy’s leeftijdsgroep werd opgeroepen voor de 1500 meter, wenste Liesel hem op typisch Duitse wijze succes.

‘Hals und Beinbruch, Saukerl.’

Ze had hem zojuist verteld zijn nek en een been te breken.

De jongens verzamelden zich aan de andere kant van het ronde veld. Sommigen deden rekoefeningen, sommigen concentreerden zich en de rest was er alleen maar bij omdat het moest.

Naast Liesel zat Rudy’s moeder, Barbra, met haar jongste kinderen. Een dunne deken zat vol met kinderen en grassprieten. ‘Zien jullie Rudy?’ vroeg zij aan hen. ‘Hij staat daar helemaal links.’ Barbra Steiner was een lieve vrouw wier haar er altijd uitzag alsof ze het net had gekamd.

‘Waar dan?’ vroeg een van de meisjes. Waarschijnlijk Bettina, de jongste. ‘Ik zie hem nergens.’

‘Die laatste daar. Nee, niet daar. Daar.’

Ze hadden nog steeds niet vastgesteld wie Rudy was, toen het startpistool een rookpluim en geluid uitspuwde. De kleine Steiners renden naar het hek.

In de eerste ronde voerde een groepje van zeven jongens het veld aan. In de tweede ronde waren ze nog maar met z’n vijven en in de volgende waren er nog vier over. Rudy was in elke ronde de vierde loper, tot de laatste. Een man rechts van hen zei dat de jongen die op de tweede plaats lag de beste kansen had. Hij was de langste van allemaal. ‘Let maar op,’ zei hij tegen zijn vrouw, die er niets van begreep. ‘Tweehonderd meter voor de finish gaat hij er opeens vandoor.’ De man had het bij het verkeerde eind.

Een reusachtige official in een bruin hemd informeerde de groep dat ze nog één ronde te gaan hadden. Hij zag er bepaald niet uit alsof hij onder het distributiesysteem te lijden had. Hij riep zijn mededeling om toen de voorhoede passeerde en het was niet de tweede jongen die versnelde, maar de vierde. En hij was tweehonderd meter te vroeg.

Rudy rende.

Hij keek niet één keer achterom.

Als een eind touw vergrootte hij zijn voorsprong tot elke gedachte dat iemand anders dit nog ging winnen was verdwenen. Hij rende over de baan terwijl de drie lopers achter hem onderling knokten om de restjes. Op het laatste rechte stuk was er niets anders meer dan blond haar en ruimte en toen hij de finish passeerde minderde hij geen vaart. Hij stak zijn arm niet op. Hij boog zich niet eens voorover van uitputting. Hij liep gewoon nog twintig meter verder en keek toen pas over zijn schouder om de anderen te zien finishen.

Op weg naar zijn familie kwam hij eerst zijn groepsleiders tegen en toen Franz Deutscher. Zij knikten elkaar toe.

‘Steiner.’

‘Deutscher.’

‘Het lijkt erop dat je toch nog wat hebt gehad aan al die extra rondjes die ik je heb laten lopen.’

‘Daar lijkt het wel op, ja.’

Hij nam zich voor pas te lachen wanneer hij ze alle vier had gewonnen.

EEN PUNT OM LATER
OP TERUG TE KOMEN

Niet alleen stond Rudy nu bekend als een goede
leerling. Hij was ook een begenadigd atleet.

Voor Liesel volgde nu de 400 meter. Ze eindigde als zevende en daarna nog een keer als vierde op de tweehonderd. Het enige wat ze zag waren de achillespezen en de op en neer dansende paardenstaarten van de meisjes voor haar. Uiteindelijk genoot ze meer van het zand onder haar voeten dan van het lopen, en het kogelstoten was ook al geen grote triomf voor haar. Dit was, realiseerde ze zich, Rudy’s dag.

In de finale van de 400 meter liep hij de hele race op kop en de 200 meter won hij met slechts een krappe voorsprong.

‘Begin je moe te worden?’ vroeg Liesel aan hem. Het was inmiddels vroeg in de middag.

‘Natuurlijk niet.’ Hij hijgde zwaar en rekte zijn kuitspieren op. ‘Waar heb je het over, Saumensch? Wat weet jij er nou van?’

Toen de 100 meter werd aangekondigd, stond hij langzaam op en volgde het spoor van jongelui naar de baan. Ditmaal ging Lie sel hem achterna. ‘Hé, Rudy.’ Ze trok aan zijn mouw. ‘Succes.’

‘Ik ben niet moe,’ zei hij.

‘Weet ik.’

Hij knipoogde naar haar.

Hij was moe.

In zijn voorronde finishte Rudy als tweede en na tien minuten van andere wedstrijden, werd de finale aangekondigd. Twee andere jongens hadden het geweldig gedaan en Liesel kreeg het akelige gevoel dat Rudy deze afstand niet kon winnen. Tommy Müller, die in zijn voorronde als twee na laatste was geëindigd, kwam naast haar staan bij het hek. ‘Hij wint heus wel,’ zei hij tegen haar.

‘Dat weet ik.’

Dit wint hij echt niet.

Toen de finalisten aan de start stonden, liet Rudy zich op zijn knieën vallen en begon met zijn handen kuiltjes te graven. Een kalend bruinhemd kwam meteen naar hem toe om te zeggen dat hij daarmee op moest houden. Liesel keek naar de wijzende vinger van de volwassen man en zag het zand op de grond vallen toen Rudy zijn handen schoonwreef.

Toen ze naar voren werden geroepen, greep Liesel de rand van het hek nog steviger vast. Een van de jongens maakte een valse start; het pistool werd tweemaal afgevuurd. Het was Rudy. Opnieuw had de wedstrijdofficial een onderonsje met hem en de jongen knikte. Nog één keer en hij lag eruit.

Toen ze voor de tweede keer klaar gingen staan, keek Liesel geconcentreerd toe en de eerste paar ogenblikken kon ze gewoon niet geloven wat ze zag. Er werd opnieuw een valse start vastgesteld, veroorzaakt door dezelfde atleet. Wat zij voor zich zag was een perfecte race, waarin Rudy aanvankelijk wat achterbleef, maar uiteindelijk op de laatste tien meter terugkwam en won. Wat ze echter in werkelijkheid zag was Rudy’s diskwalificatie. Hij werd onder begeleiding naar de zijkant van de baan gebracht, waar hij helemaal alleen moest blijven staan terwijl de andere jongens naar voren kwamen.

Ze stelden zich op en gingen ervandoor.

Een jongen met roestbruin haar en lange benen won met minstens vijf meter voorsprong.

Rudy bleef achter.

Later, toen de dag was afgelopen en de zon de Himmelstraat al had verlaten, zat Liesel met haar vriendje op de stoep.

Ze bespraken alles, van Franz Deutschers gezicht na de vijftienhonderd meter tot een van de elfjarige meisjes dat een woedeaanval had gekregen toen ze verloor met discuswerpen.

Voordat ze naar hun eigen huis gingen, reikte Rudy’s stem naar voren en overhandigde Liesel de waarheid. Heel even bleef hij op haar schouder zitten, maar een paar gedachtes later, ging hij toch naar haar oor.

RUDYS STEM

‘Ik heb het expres gedaan.’

Toen de bekentenis tot haar doordrong, stelde Liesel de enige vraag die hier van toepassing was. ‘Maar waarom, Rudy? Waarom heb je dat gedaan?’

Hij stond met een hand op zijn heup en gaf geen antwoord. Een alwetende glimlach en een trage tred brachten hem naar huis. Ze spraken er nooit meer over.

Liesel vroeg zich heel vaak af wat Rudy’s antwoord zou zijn geweest als zij had aangedrongen. Misschien had hij drie medailles genoeg gevonden om zich te bewijzen, of misschien was hij bang geweest die laatste wedstrijd te verliezen. Uiteindelijk was de enige verklaring die zij van zichzelf mocht horen een innerlijk tienerstemmetje: ‘Omdat hij Jesse Owens niet is.’

Pas toen zij opstond om naar huis te gaan zag zij de drie nepgouden medailles naast zich liggen. Ze klopte bij de Steiners aan en stak ze hem toe. ‘Deze was je vergeten.’

‘Nee hoor.’ Hij deed de deur dicht en Liesel nam de medailles mee naar huis. Ze liep er meteen mee naar de kelder en vertelde Max over haar vriend, Rudy Steiner.

‘Hij is zo ontzettend stom,’ besloot zij.

‘Dat is wel duidelijk,’ beaamde Max, maar ik denk dat hij wel beter wist.

Vervolgens gingen ze allebei aan de slag, Max met zijn schetsboek en Liesel in De Dromendrager. Ze was al over de helft van het boek en was nu bij het gedeelte waarin de jonge priester aan zijn geloof gaat twijfelen na zijn kennismaking met een vreemde, charmante vrouw.

Toen zij het omgekeerd in haar schoot legde, vroeg Max wanneer ze het uit dacht te hebben.

‘Nog een paar dagen, hooguit.’

‘En dan weer een nieuw boek?’

De boekendief keek naar het kelderplafond. ‘Misschien, Max.’ Ze klapte het boek dicht en leunde achterover. ‘Met een beetje geluk.’

HET VOLGENDE BOEK

Het is niet het Duden Woordenboek en Thesaurus, zoals je misschien verwacht.

Nee, het woordenboek komt pas aan het eind van deze kleine trilogie, en dit is pas de tweede aflevering. Dit is het gedeelte waarin Liesel De Dromendrager uitleest en een verhaal steelt met de titel Een Lied in de Duisternis. Ze ontvreemdde het uit het huis van de burgemeester, zoals altijd. Het enige verschil was dat ze ditmaal in haar eentje ging. Rudy was er die dag niet bij.

Het was een ochtend die rijk was aan zowel zon als schuimige wolken.

Met hebzucht in haar vingers en boektitels op haar lippen stond Liesel in de bibliotheek van de burgemeester. Ze voelde zich ditmaal voldoende op haar gemak om haar vingers langs de planken te laten glijden – een korte herhaling van haar allereerste bezoek aan deze kamer – en fluisterde een groot aantal titels terwijl ze langs de kasten liep.

Onder de Kersenboom.

De Tiende Luitenant.

Natuurlijk klonken veel van de titels erg aanlokkelijk, maar na een paar minuten te hebben rondgekeken koos ze voor Een Lied in de Duisternis, waarschijnlijk omdat het een groen boek was en ze nog geen boek van die kleur had. De letters op de omslag waren wit en tussen de titel en de naam van de auteur bevond zich een kleine afbeelding van een fluit. Ze klom ermee uit het raam en zei onderweg nog even dankjewel.

Ze voelde Rudy’s afwezigheid wel, maar die ochtend was de boekendief, om welke reden dan ook, het liefst alleen. Ze ging aan de slag en las het boek aan de oever van de rivier de Amper, ver weg van de plek waar Viktor Chemmel en de voormalige bende van Arthur Berg zo nu en dan hun hoofdkwartier hadden. Er kwam niemand, niemand stoorde haar, en Liesel las vier van de korte hoofdstukken van Een Lied in de Duisternis, en was gelukkig.

Het was het plezier en de voldoening.

Van goed stelen.

Een week later was de trilogie van geluk compleet.

Op een van de laatste dagen van augustus arriveerde er een geschenk, dat wil zeggen, het werd opgemerkt.

Het was laat in de middag en Liesel stond te kijken hoe Kristina Müller aan het touwtjespringen was in de Himmelstraat. Vlak voor haar kwam Rudy Steiner op de fiets van zijn broer slippend tot stilstand. ‘Heb je even tijd?’ vroeg hij.

Zij haalde haar schouders op. ‘Waarvoor?’

‘Ik denk dat je beter even kunt komen.’ Hij gooide de fiets op de grond en ging thuis de andere halen. Liesel keek toe hoe het pedaal ronddraaide.

Ze reed achter hem aan naar de Grande Strasse, waar Rudy bleef staan en op haar wachtte.

‘Nou,’ zei Liesel, ‘wat is er dan?’

Rudy wees. ‘Moet je kijken.’

Langzaam reden ze naar een betere plek, achter een grote blauwspar. Tussen de prikkelende takken zag Liesel het gesloten raam en toen ook het voorwerp dat tegen het glas leunde.

‘Is dat…?’

Rudy knikte.

Ze voerden er een hele discussie over alvorens te besluiten dat ze het echt moesten doen. Het was daar kennelijk met opzet neergezet en als het een valstrik was, dan was het de moeite van het proberen waard.

Tussen de poederachtig blauwe takken zei Liesel: ‘Een boekendief zou het ook doen.’

Ze liet de fiets vallen, keek links en rechts de straat in en rende de tuin door. De wolken wierpen hun schaduwen over het donkere gras. Waren het kuilen om in te vallen of extra donkere plekken waar ze zich verscholen konden houden? In haar fantasie gleed ze via een van de donkere kuilen in de akelige klauwen van de burgemeester zelf. De gedachten leidden haar af en ze was sneller dan bedoeld bij het raam.

Het was allemaal weer precies hetzelfde als bij De Fluiter.

Haar zenuwen bevochtigden haar handpalmen.

Straaltjes zweet druppelden onder haar armen.

Toen ze omhoogkeek, kon ze de titel lezen. Het Complete Duden Woordenboek en Thesaurus. Ze draaide zich snel om naar Rudy en zei geluidloos: Het is een woordenboek. Hij haalde zijn schouders op en stak zijn armen uit.

Ze ging heel methodisch te werk, schoof het raam omhoog en vroeg zich intussen af hoe dit alles er van binnen in het huis uit moest zien. Ze stelde zich de aanblik voor van haar stelende hand, die het raam omhoogduwde totdat het boek was geveld. Het leek zich langzaam gewonnen te geven, als een vallende boom.

Hebbes.

Er was nauwelijks een beweging of een geluid aan te pas gekomen.

Het boek helde naar haar over en zij hoefde het alleen maar met haar vrije hand vast te pakken. Ze deed zelfs weer netjes het raam dicht, waarna ze zich omdraaide en tussen de wolkenkuilen door terugliep.

‘Goed werk,’ zei Rudy terwijl hij haar de fiets aangaf.

‘Dank je.’

Ze reden naar de hoek, waar het belang van deze dag tot hen doordrong. Liesel wist het. Ze had weer dat gevoel dat er naar haar werd gekeken. Een stem rende door haar hoofd. Twee rondjes.

Kijk naar het raam. Kijk naar het raam.

Ze kon bijna niet anders.

Als een kriebeling waaraan je moet krabben, voelde zij een overweldigend verlangen om te blijven staan.

Ze zette haar voeten op de grond en draaide zich om naar het huis van de burgemeester en het raam van de bibliotheek. En toen zag ze het. Natuurlijk had ze kunnen weten dat dit zou gebeuren, maar niettemin kon ze de schok niet bedwingen toen ze de vrouw van de burgemeester achter het glas zag staan. Ze was doorschijnend, maar ze was er wel. Haar pluizige haar zat net als anders en haar gewonde ogen en mond en uitdrukking keken op om in de verte te kunnen turen.

Heel langzaam hief ze haar hand op naar de boekendief op straat. Een roerloos gebaar.

Liesel was zo geschokt, dat ze niets zei, niet tegen Rudy en niet tegen zichzelf. Ze hield zichzelf met één hand met haar fiets in evenwicht en stak ook haar hand op, naar de burgemeestersvrouw achter het raam.

DUDEN WOORDENBOEK BETEKENIS 2

Verzeihung – vergiffenis:
geen boosheid, vijandigheid
of wrok meer voelen.

Gerelateerde woorden: verzoening,
aflossing, genade.

Op weg naar huis stopten ze bij de brug om het zware, zwarte boek te bekijken. Toen Rudy er doorheen bladerde, vond hij een brief. Hij nam hem eruit en keek langzaam naar de boekendief. ‘Jouw naam staat erop.’

De rivier stroomde.

Liesel pakte het vel papier aan.

DE BRIEF

Lieve Liesel,

Ik weet dat je mij verfoeilijk en pathetisch vindt (zoek dat woord maar op als je het niet kent), maar ik moet je wel vertellen dat ik niet zo dom ben dat ik jouw voetstappen niet heb gezien in de bibliotheek. Toen ik het ontbreken van het eerste boek opmerkte, dacht ik eerst dat ik het misschien op een verkeerde plek had teruggezet, maar toen zag ik in een bepaalde lichtval de omtrekken van een paar voeten op de vloer.

Ik moest erom lachen.

Ik was blij dat je was komen ophalen wat jou rechtens toekwam. Vervolgens maakte ik de vergissing te denken dat het daarmee was afgelopen.

Toen je terugkwam, had ik boos moeten zijn, maar dat was ik niet. De vorige keer kon ik je horen, maar ik besloot je met rust te laten. Je neemt nooit meer dan één boek mee, en je zou wel duizend keer langs moeten komen voordat ze allemaal weg zouden zijn. Mijn enige hoop is dat je op een dag aan de voordeur zult aankloppen en de bibliotheek op de gebruikelijke manier zult betreden.

Ik wil nogmaals zeggen hoe het me spijt dat we je pleegmoeder niet langer in dienst kunnen houden.

Ten slotte hoop ik dat dit woordenboek met thesaurus je van pas zal komen bij het lezen van je gestolen boeken.

Met vriendelijke groet,

Ilsa Hermann

‘Laten we maar gauw naar huis gaan,’ stelde Rudy voor, maar Liesel ging niet.

‘Kun je hier tien minuutjes op me wachten?’

‘Natuurlijk.’

Liesel fietste hijgend terug naar Grande Strasse 8 en liep naar het vertrouwde terrein van de voordeur. Het boek was bij Rudy, maar ze hield de brief in haar hand en liet haar vingers over het gevouwen papier glijden terwijl ze met steeds zwaardere benen de treden beklom. Ze deed vier pogingen om aan te kloppen op het intimiderende hout van de deur, maar kon zichzelf er niet toe brengen. Ze kwam niet verder dan haar knokkels zachtjes op het warme hout te leggen.

Opnieuw wist haar broertje haar te vinden.

Hij stond onder aan de trap, met een knie die al aardig aan het genezen was, en zei: ‘Kom op, Liesel, kloppen.’

Bij haar tweede ontsnapping kon ze al snel in de verte Rudy bij de brug zien staan. De wind woei door haar haren. Haar voeten volgden automatisch de pedalen.

Liesel Meminger was een crimineel.

Maar niet omdat ze een handjevol boeken had gestolen door een open raam.

Je had moeten aankloppen, dacht ze, en hoewel ze zich behoorlijk schuldig voelde, was er ook een spoor van jeugdig plezier.

Tijdens het fietsen probeerde ze zichzelf iets voor te houden.

Je verdient het niet om zo gelukkig te zijn, Liesel. Echt niet.

Kan iemand geluk stelen? Of is het weer gewoon zo’n inwendig, duivels menselijk trucje?

Liesel schudde al haar gedachten van zich af. Ze fietste de brug over en zei tegen Rudy dat hij op moest schieten en het boek niet moest vergeten.

Ze reden naar huis op roestige fietsen.

Ze reden een paar kilometer, van zomer naar herfst en van een rustige nacht naar de luidruchtige adem van de bommen op München.