HET GEBRUIK VAN WOORDEN

Het gebeurde in een klein plaatsje midden in het land van Hitler.

De toevoer van meer lijden werd aardig verdeeld en een klein stukje ervan was nu gearriveerd.

Joden werden door de buitenwijken van München gevoerd en één tienermeisje deed op de een of andere manier het ondenkbare en baande zich een weg tussen de omstanders door om met hen mee te lopen. Toen de soldaten haar wegsleurden en op de grond gooiden, stond zij gewoon weer op. En liep verder.

Het was een warme ochtend.

Alweer een mooie dag voor een parade.

De soldaten en joden liepen door verschillende plaatsen en kwamen nu in Molching aan. Het was mogelijk dat er meer werk was in het kamp zelf, en anders waren er weer joden gestorven. Wat de reden ook mocht zijn, een nieuwe voorraad verse, vermoeide joden werd te voet naar Dachau gebracht.

Zoals altijd rende Liesel snel naar de Münchenstraat om samen met de andere toeschouwers langs de kant van de weg te gaan staan kijken.

‘Heil Hitler!’

Ze hoorde de eerste soldaat al van verre aankomen en rende door de menigte in zijn richting, de optocht tegemoet. De stem verbaasde haar. Het maakte de eindeloze hemel tot een plafond vlak boven haar hoofd en de woorden kaatsten terug en belandden ergens op de weg vol strompelende joodse voeten.

Hun ogen.

Ze keken stuk voor stuk naar de bewegende straat en toen Liesel een geschikt uitkijkpunt had gevonden, bleef ze staan om hen goed te bekijken. Ze zocht zo snel mogelijk alle gezichten af en probeerde ze te vergelijken met de jood die De Staande Man en De Woordschudder had geschreven.

Haren als veren, dacht ze.

Nee, haren als takjes. Zo ziet het eruit als het niet gewassen is. Je moet uitkijken naar haren als takjes en omfloerste ogen en een gloedvolle baard.

God, ze waren met zovelen.

Zoveel paren stervende ogen en schuifelende voeten.

Liesel zocht en zocht en uiteindelijk was het niet eens een herkenning van gelaatstrekken die Max Vandenburg verraadde. Het was wat zijn gezicht deed – naar de menigte kijken. Heel geconcentreerd. Liesel hield haar adem in toen ze opeens het enige gezicht zag dat de Duitse toeschouwers recht aankeek. Het nam hen zo oplettend op dat mensen om de boekendief heen het zagen en naar hem wezen.

‘Waar loopt hij naar te kijken?’ zei een mannenstem naast haar.

De boekendief liep de weg op.

Nooit eerder was beweging zo’n zware last geweest. Nooit tevoren was haar hart zo nadrukkelijk en groot aanwezig geweest in haar meisjesborst.

Ze stapte naar voren en zei, heel snel: ‘Hij zoekt mij.’

Haar stem stierf weg en viel weer naar binnen. Ze moest heel diep reiken om hem weer te vinden, opnieuw te leren spreken en zijn naam te roepen.

Max.

‘Hier ben ik, Max!’

Harder.

‘Max, hier ben ik!

Hij hoorde haar.

MAX VANDENBURG, AUGUSTUS 1943
Zijn haar leek op takjes, zoals Liesel
al had gedacht, en de omfloerste ogen
stapten van schouder op schouder
over de andere joden heen. Toen ze bij haar
waren, keken ze haar dringend aan. Zijn baard
golfde omlaag van zijn gezicht en zijn mond
trilde toen hij het woord, de naam
van het meisje, zei.
Liesel.

Liesel maakte zich nu helemaal los uit de menigte toeschouwers en liep zigzaggend tussen de joden door tot zij met haar linkerhand zijn arm kon pakken.

Hij keek haar aan.

Zijn blik reikte omlaag toen zij struikelde en de jood, die rotjood, haar weer overeind hielp. Hij had er al zijn krachten voor nodig.

‘Max, hier ben ik,’ zei ze nogmaals. ‘Hier ben ik.’

‘Ik kan bijna niet geloven…’ De woorden druppelden uit Max Vandenburgs mond. ‘Wat ben je groot geworden.’ Er lag een intense droefheid in zijn ogen. Ze werden vochtig. ‘Liesel… ze hebben me een paar maanden terug te pakken gekregen.’ De stem klonk gebroken, maar wist zich toch naar haar toe te slepen. ‘Halverwege Stuttgart.’

Van binnenuit gezien was de stroom joden een sombere chaos van armen en benen. Gerafelde uniformen. De soldaten hadden haar nog niet gezien en Max waarschuwde haar. ‘Je moet me loslaten, Liesel.’ Hij probeerde haar zelfs weg te duwen, maar het meisje was te sterk. Max’ sterk vermagerde armen kregen geen beweging in haar en zij liep verder, tussen de vuiligheid, de honger en de verwarring.

Na een groot aantal stappen kreeg de eerste soldaat haar in de gaten.

‘Hé!’ riep hij. Hij wees met zijn zweep. ‘Hé, meisje, wat doe jij daar? Maak dat je wegkomt.’

Toen ze hem volledig negeerde, gebruikte de soldaat zijn arm om de aan elkaar geplakte mensen te scheiden. Hij duwde ze opzij en baande zich een weg in haar richting. Hij torende onheilspellend boven haar uit terwijl Liesel voortworstelde en opeens zag zij de verkrampte uitdrukking op Max Vandenburgs gezicht. Ze had hem wel eens bang gezien, maar nog nooit zoals nu.

De soldaat greep haar vast.

Ze voelde de botten in zijn vingers en de ronding van elke knokkel. Ze trokken aan haar huid. ‘Ik zei, maak dat je wegkomt!’ schreeuwde hij haar toe en nu sleurde hij het meisje naar de kant en smeet haar in de muur van toekijkende Duitsers. Het begon warmer te worden. De zon brandde op haar gezicht. Het meisje was pijnlijk languit terechtgekomen, maar was meteen weer opgestaan. Ze herstelde zich en wachtte. Daar ging ze weer.

Ditmaal begaf Liesel zich via de achterhoede in de rij.

Een eindje voor zich uit zag ze de opvallende takjes haar en ze liep er doelbewust naartoe.

Deze keer stak ze niet haar hand uit, maar bleef staan. Ergens binnen in haar bevonden zich de zielen van woorden. Ze klommen naar buiten en kwamen naast haar staan.

‘Max,’ zei ze. Hij keek om en sloot heel even zijn ogen terwijl het meisje vervolgde: ‘Er was eens een vreemd, klein mannetje,’ zei ze. Haar armen hingen los langs haar zijden, maar haar handen balden zich tot vuisten. ‘Maar er was ook een woordschudder.

Een van de joden op weg naar Dachau was blijven staan.

Hij stond volkomen roerloos terwijl de anderen met sombere gezichten om hem heen liepen, zonder hem zelfs maar aan te kijken. Zijn ogen werden groot van verwondering en het was zo eenvoudig. De woorden werden door het meisje aan de jood gegeven. Ze beklommen hem.

Even later rolden de vragen uit haar mond. Hete tranen vochten om een plekje in haar ogen, maar ze weigerde ze toe te laten. Ze kon maar beter vastberaden en trots blijven staan. De woorden al het werk laten doen. ‘Ben jij het werkelijk? vroeg de jongeman,’ zei ze. ‘Is het van jouw wang dat ik het zaadje heb gepakt?’

Max Vandenburg bleef staan.

Hij viel niet op zijn knieën.

Mensen en joden en wolken kwamen tot stilstand. Ze keken.

Max keek eerst naar het meisje en staarde toen naar de hemel die open en blauw en schitterend was. Brede zonnestralen vielen willekeurig, prachtig op de weg. Wolken rekten zich uit om achterom te kijken toen ze weer in beweging kwamen. ‘Het is zo’n mooie dag,’ zei hij en zijn stem klonk gebroken. Een goede dag om te sterven. Een goede dag om zo te sterven.

Liesel liep naar hem toe. Ze was moedig genoeg om haar handen uit te steken en zijn baardige gezicht vast te pakken. ‘Ben jij het werkelijk, Max?’

Zo’n schitterende Duitse dag en zo’n aandachtige menigte.

Hij liet zijn mond de palm van haar hand kussen. ‘Ja, Liesel, ik ben het’, en hij hield de hand van het meisje tegen zijn gezicht en huilde op haar vingers. Hij huilde nog toen de soldaten kwamen. Een klein groepje brutale joden bleef staan om te kijken.

Hij kreeg een afranseling met de zweep.

‘Max,’ huilde het meisje.

Toen zwijgend, terwijl zij werd weggesleept:

Max.

Joodse vuistvechter.

Inwendig, zei ze het allemaal.

Maxi-taxi. Zo noemde je vriend je in Stuttgart toen je op straat had gevochten, weet je nog? Dat was jij – de jongen met de harde vuisten, en je zei dat je de dood een rotklap zou geven wanneer hij je kwam halen. Weet je nog, Max? Dat heb je me zelf verteld. Ik weet alles nog…

Weet je nog van de sneeuwpop, Max?

Weet je nog?

In de kelder?

Weet je nog van de witte wolk met het grijze hart?

De Führer komt nog wel eens kijken of je er bent. Hij mist je. Wij missen je allemaal.

De zweep. De zweep.

Keer op keer kwam de zweep uit de hand van de soldaat. Hij raakte Max in zijn gezicht. Hij schampte zijn kin en sneed in zijn keel.

Toen Max op de grond viel richtte de soldaat zich tot het meisje. Zijn mond ging open. Hij had prachtige tanden.

Opeens zag ze in een flits iets voor zich. Ze dacht aan de dag waarop ze zo graag had gewild dat Ilsa Hermann, of anders op z’n minst de betrouwbare Rosa, haar een klap zou geven, maar ze het geen van beiden wilden doen. Bij deze gelegenheid werd ze op haar wenken bediend.

De zweep raakte haar sleutelbeen en reikte tot over haar schouder.

‘Liesel!’

Ze wist wie dat was.

Terwijl de soldaat zijn arm weer naar achteren haalde, kreeg zij opeens een angstige Rudy Steiner in het oog. Hij riep haar. Ze zag zijn van angst vertrokken gezicht en zijn gele haar. ‘Liesel, ga daar weg!’

De boekendief ging niet weg.

Ze deed haar ogen dicht en incasseerde de volgende brandende zweepslag, en nog een, tot haar lichaam op het warme wegdek viel. Haar wang gloeide.

Er kwamen nog meer woorden, ditmaal van de soldaat.

‘Steh’auf.’

Het korte zinnetje was niet voor het meisje bestemd, maar voor de jood. Het werd nog iets verder uitgebreid tot: ‘Sta op vuile klootzak, smerig joods hoerenjong, sta op, sta op…’

Max hees zichzelf overeind.

Nog één push-up, Max.

Nog één push-up op de koude keldervloer.

Zijn voeten kwamen in beweging.

Ze sleepten zich voort en hij liep verder.

Zijn benen wankelden en zijn handen wreven over de striemen van de zweep, om de stekende pijn te verzachten. Toen hij probeerde om te kijken naar Liesel, werden de soldatenhanden tegen zijn bebloede schouders gezet en kreeg hij een duw.

De jongen was al bij haar. Zijn dunne benen knielden en hij riep iets naar links.

‘Tommy, kom hier en help me. We moeten haar overeind zien te krijgen. Tommy, schiet op!’ Hij greep de boekendief onder haar oksels en probeerde haar op te tillen. ‘Toe nou, Liesel, je moet van de weg af.’

Toen ze weer kon staan, keek ze naar de van schrik verstijfde gezichten van de Duitsers. Vlak voor hun voeten liet zij zich weer op de grond vallen, maar niet voor lang. Een schaafwond hield een brandende lucifer bij haar wang, die onzacht in aanraking was gekomen met de straat.

Aan het einde van de weg zag ze nog vaag de benen en hielen van de laatste lopende jood.

Haar gezicht brandde en ze had een hardnekkige pijn in haar armen en benen – een dof gevoel dat tegelijkertijd pijnlijk en vermoeiend was.

Ze stond op.

Koppig begon ze de Münchenstraat uit te lopen en even later zelfs te rennen, om de laatste stappen van Max Vandenburg te volgen.

‘Wat doe je nou, Liesel?’

Ze ontsnapte aan de greep van Rudy’s woorden en negeerde de mensen die vanaf de kant stonden toe te kijken. De meesten stonden er roerloos bij. Standbeelden met kloppende harten. Toeschouwers misschien van het laatste gedeelte van een marathon. Liesel schreeuwde het uit, maar niemand hoorde haar. Haar haar hing in haar ogen. ‘Max, alsjeblieft!’

Na misschien dertig meter, net toen een van de soldaten zich omdraaide, werd het meisje geveld. Handen grepen haar van achteren vast en de buurjongen werkte haar tegen de grond en op haar knieën. Hij ontving haar vuistslagen alsof het cadeautjes waren. Haar magere handen en ellebogen werden met slechts wat licht gekreun in ontvangst genomen. Hij verzamelde de dikke, machteloze druppels speeksel en tranen alsof ze een weldaad waren voor zijn gezicht. Maar belangrijker was, dat hij erin slaagde haar in bedwang te houden.

In de Münchenstraat zaten een jongen en een meisje met elkaar verstrengeld.

Ze zaten in een ongemakkelijke houding op de weg.

Samen zagen ze de mensen uit het zicht verdwijnen. Ze zagen hoe zij oplosten, als bewegende tabletten in de klamme lucht.