100% PUUR DUITS ZWEET

Mensen verzamelden zich langs de straten terwijl de jeugd van Duitsland in de richting van het stadhuis en het grote plein marcheerde. Het gebeurde meerdere malen dat Liesel helemaal niet meer aan haar moeder dacht of aan de andere problemen die zij tegenwoordig tot haar bezit kon rekenen. Haar borst zwol van trots toen de mensen voor hen applaudisseerden. Sommige kinderen zwaaiden naar hun ouders, heel eventjes maar – ze hadden duidelijke instructies gekregen dat ze recht voor zich uit moesten kijken en niet naar de menigte mochten kijken of zwaaien.

Toen Rudy’s groep het plein opkwam en opdracht kreeg om te blijven staan, ging er iets fout. Tommy Müller. De rest van het regiment hield op met marcheren en Tommy botste regelrecht tegen de jongen voor hem op.

‘Dummkopf!’ beet de jongen hem toe, alvorens zich om te draaien.

‘Het spijt me,’ zei Tommy, zijn armen verontschuldigend voor zich uit houdend. Zijn gezicht sprak boekdelen. ‘Ik had het niet gehoord.’ Het was slechts een kort moment, maar het was ook een vooruitblik op de problemen die nog komen gingen. Voor Tommy. Voor Rudy.

Aan het eind van de mars kregen de afdelingen van de Hitlerjeugd toestemming zich te verspreiden. Het zou zo goed als onmogelijk zijn geweest hen allemaal bij elkaar te houden terwijl het vreugdevuur in hun ogen brandde en hen opgewonden maakte. Gezamenlijk riepen ze een eenstemmig ‘heil Hitler’ en vervolgens mochten zij hun eigen gang gaan. Liesel keek uit naar Rudy, maar zodra de menigte kinderen zich begon te verspreiden, ging zij op in een zee van uniformen en schelle kreten. Kinderen die andere kinderen riepen.

Om een uur of half vijf was het aanzienlijk afgekoeld.

Mensen maakten grapjes onder elkaar dat ze wel een opwarmertje konden gebruiken. ‘Dat is toch het enige waar die rotzooi goed voor is.’

Er werden karren gebruikt om alles het grote plein op te rijden. Daar werd alles midden op het plein op een grote hoop gegooid en overgoten met iets zoetigs. Boeken, papieren en andere materialen die omlaag gleden of rolden werden weer op de berg gegooid. Van een afstandje leek het wel iets vulkanisch. Of iets grotesks en buitenaards dat op de een of andere miraculeuze wijze zomaar midden in de stad terecht was gekomen en zo snel mogelijk diende te worden vernietigd.

De geur strekte zich uit naar de menigte, die op flinke afstand werd gehouden. Er bevonden zich meer dan duizend mensen op het plein, op de trappen van het stadhuis en op de daken die het plein omringden.

Toen Liesel zich tussen de mensen door probeerde te worstelen, deed een knetterend geluid haar denken dat het vuur al was ontstoken. Dat was niet het geval. Het geluid was dat van kinetische mensen, die zich oplaadden.

Ze zijn zonder mij begonnen!

Hoewel diep vanbinnen iets haar zei dat dit een misdaad was – haar drie boeken waren per slot van rekening haar kostbaarste bezit – voelde zij zich gedwongen om toe te kijken hoe de stapel werd aangestoken. Ze kon er niets aan doen. Volgens mij kijken mensen wel graag naar een beetje verwoesting. Zandkastelen, kaartenhuizen, daar begint het al mee. De mens bezit een groot talent tot escaleren.

De angst iets te missen ebde weg toen zij een opening tussen de mensen vond en kon zien dat de berg van schuld nog geheel intact was. Er werd naar geschopt en er werd van alles overheen gegoten, er werd zelfs op gespuwd. Het deed haar denken aan een impopulair kind, eenzaam en wanhopig, niet in staat iets aan zijn lot te veranderen. Niemand die van hem hield. Hoofd gebogen. Handen in de zakken. Voor altijd en eeuwig. Amen.

Er bleven stukjes en beetjes van de berg vallen terwijl Liesel intussen naar Rudy zocht. Waar zit die Saukerl?

Toen ze omhoogkeek, zag ze hoe de hemel zich over haar heen boog.

Om haar heen rees een horizon van nazivlaggen en -uniformen hoog op en benam haar telkens wanneer ze over het hoofd van een kleiner kind heen probeerde te kijken het zicht. Het had geen zin. De menigte was zichzelf. Er viel niet doorheen te laveren of te dringen en hij liet zich ook niet ompraten. Je liet je erop meevoeren en zong dezelfde woorden mee. Je wachtte op het vuur.

Een man op het podium verzocht om stilte. Zijn uniform was glanzend bruin. Het strijkijzer stond er praktisch nog op. Het werd stil.

Zijn eerste woorden: ‘Heil Hitler!’

Zijn eerste daad: het groeten van de Führer.

‘Vandaag is een prachtige dag,’ vervolgde hij. ‘Niet alleen is het de verjaardag van onze grote leider, maar tevens weerhouden wij onze vijanden ervan om binnen te dringen in onze geest…’

Liesel probeerde zich nog steeds een weg naar voren te vechten.

‘Wij maken een einde aan de ziekte die zich de afgelopen twintig jaar, zo niet langer, door heel Duitsland heeft verspreid!’ Hij gaf een zogenaamde Schreierei ten beste – een vakkundige vertoning van hartstochtelijk geschreeuw – en waarschuwde de toeschouwers op hun hoede te zijn, en alle boosaardige machinaties op te sporen en te vernietigen die erop uit waren het vaderland te infecteren met hun betreurenswaardige overtuigingen. ‘De verdorvenen! De communisten!’ Daar had je dat woord weer. Dat oude woord. Donkere kamers. Mannen in pakken. ‘Die Juden – de joden!’

Halverwege de redevoering gaf Liesel zich gewonnen. Toen het woord ‘communist’ haar greep, gleed de rest van het naziverhaal verder volkomen langs haar heen, aan beide kanten, en ging verloren tussen de Duitse voeten om haar heen. Watervallen van woorden. Een watertrappend meisje. Ze dacht het nog een keer. Communisten.

Tot nu toe hadden ze bij de BDM te horen gekregen dat Duitsers het superieure ras waren, maar verder was daarbij niemand in het bijzonder ter sprake gekomen. Natuurlijk wist iedereen dat de joden de hoofdschuldigen waren wat betreft het schenden van het Duitse ideaal. Tot vandaag waren de communisten echter nog niet één keer genoemd, ondanks het feit dat mensen van die politieke overtuiging eveneens gestraft moesten worden.

Ze moest hier weg.

Vlak voor haar stond een hoofd met blonde vlechten en een scheiding in het midden volkomen roerloos op de bijbehorende schouders. Terwijl ze ernaar keek, bezocht Liesel opnieuw de duistere kamers van haar verleden, en haar moeder die antwoord gaf op vragen die uit slechts één woord bestonden.

Ze zag het allemaal zo duidelijk:

Haar uitgehongerde moeder, haar vermiste vader. Communisten.

Haar dode broertje.

‘En nu nemen wij afscheid van deze rotzooi, dit vergif.’

Vlak voordat Liesel Meminger zich kotsmisselijk omdraaide om de menigte te verlaten, liep het wezen in het glimmende bruine overhemd het podium af. Hij kreeg van een handlanger een fakkel en ontstak de berg, die hem in al zijn verwijtbaarheid leek te reduceren tot een dwerg. ‘Heil Hitler!’

Het publiek: ‘Heil Hitler!’

Een aantal mannen kwam van een platform, omringde de stapel en stak hem onder algemeen gejuich verder in brand. Stemmen klauterden over schouders en de geur van puur Duits zweet begon zich, na wat aanvankelijk geworstel, vrijelijk te verspreiden. Het ging de ene hoek na de andere om, totdat ze er allemaal in zwommen. De woorden, het zweet. En het lachen. Laten we het lachen niet vergeten.

Er volgden heel wat grappig bedoelde opmerkingen, evenals een ware kanonnade van ‘heil Hitlers’. Weet je, ik vraag me serieus af of iemand ooit een oog heeft verloren of een hand of een pols heeft bezeerd met dat ge-heil Hitler. Je hoefde maar net even op het verkeerde moment de verkeerde kant op te kijken, of net iets te dicht bij iemand anders in de buurt te staan. Misschien raakten er wel mensen gewond. Persoonlijk kan ik je alleen vertellen dat er nooit iemand aan is doodgegaan, of in elk geval niet fysiek. Je had natuurlijk wel de kwestie van de veertig miljoen mensen die ik had opgehaald tegen de tijd dat het allemaal achter de rug was, maar dat wordt te metaforisch. Sta mij toe ons terug te voeren naar het vuur.

De oranje vlammen, waarin papier en drukwerk langzaam oplosten, wuifden naar de menigte. Brandende woorden werden losgerukt uit hun zinnen.

Aan de andere kant, achter de zinderende hitte, kon je zien hoe de bruinhemden en swastika’s elkaar de hand reikten. Je zag geen mensen. Alleen uniformen en symbolen.

In de lucht cirkelden vogels in het rond.

Ze werden op de een of andere manier aangetrokken door de gloed – tot ze te dicht bij de hitte kwamen. Of waren het de mensen? Daarbij vergeleken stelde de hitte niet zoveel voor.

In haar poging te ontsnappen, werd zij gevonden door een stem.

‘Liesel!’

De stem baande zich een weg door de mensenmassa en zij herkende hem. Het was niet Rudy, maar ze kende de stem wel.

Ze rukte zich los en volgde het geluid om het gezicht te vinden dat erbij hoorde. O, nee, Ludwig Schmeikl. Hij maakte geen grapjes of vervelende opmerkingen, zoals zij eigenlijk verwachtte. Eigenlijk zei hij helemaal niets. Het enige waartoe hij in staat was, was haar naar zich toe trekken en naar zijn enkel wijzen. Die was in het gedrang bekneld geraakt en bloedde nu donker en onheilspellend door zijn sok heen. Er lag een hulpeloze uitdrukking op zijn gezicht onder het verwarde blonde haar. Een dier. Geen hert in het felle licht van koplampen. Zo duidelijk of specifiek was het niet. Hij was gewoon een dier, gewond in het gedrang van zijn eigen soort en op het punt om door hen onder te voet te worden gelopen.

Op de een of andere manier hielp ze hem overeind en sleepte hem mee naar achteren. Frisse lucht.

Ze wankelden naar de trappen aan de zijkant van de kerk. Daar was nog wat ruimte en daar konden ze, allebei heel erg opgelucht, uitrusten.

Een diepe zucht ontsnapte aan Schmeikls mond. Hij gleed omlaag, langs zijn keel. Hij slaagde erin iets te zeggen.

Terwijl hij op de grond zat, met zijn handen stevig om zijn enkel geklemd, zocht hij Liesel Memingers gezicht. ‘Bedankt,’ zei hij, meer tegen haar mond dan tegen haar ogen. Nog meer gezucht. ‘En…’ Ze zagen allebei beelden voor zich van capriolen op het schoolplein en een vechtpartij op het schoolplein. ‘Het spijt me – van, je weet wel.’

Liesel hoorde het weer.

Communisten.

Zij koos er echter voor haar aandacht bij Ludwig Schmeikl te houden. ‘Mij ook.’

Vervolgens concentreerden zij zich allebei op hun ademhaling, want er viel verder niets meer te doen of te zeggen. Zij waren helemaal klaar met elkaar.

De bloedvlek op Ludwig Schmeikls enkel werd steeds groter.

Een enkel woord leunde tegen het meisje.

Links van hen werden vlammen en brandende boeken toegejuicht als helden.