DE WORSTELAAR
DOET ZIJN INTREDE

Even een verandering van omgeving.

Tot nu toe hebben we het allebei te gemakkelijk gehad, vriend,vind je ook niet? Zullen we Molching dan maar heel even vergeten?

Dat zal ons goeddoen.

En het is belangrijk voor het verhaal.

We gaan een uitstapje maken naar een geheime voorraadkamer, en we zullen zien wat we zien.

EEN RONDLEIDING DOOR ELLENDE

Links van je, of misschien rechts,
misschien zelfs vlak voor je,
zie je een kleine donkere kamer.
Daarin zit een jood.
Hij is uitschot. Hij sterft van de honger.
Hij is bang.
Alsjeblieft – probeer je blik niet af te wenden.

Een paar honderd kilometer naar het noordwesten, in Stuttgart, ver van boekendieven, burgemeestersvrouwen en de Himmelstraat, zat een man in het donker. Dit was de beste plek, hadden ze besloten. Het is moeilijker om een jood in het donker te vinden.

Hij zat op zijn koffer en wachtte. Hoeveel dagen zat hij hier nu al?

Voor zijn gevoel had hij al weken niets anders gegeten dan de gore smaak van zijn eigen hongerige adem, en nog steeds, niets. Zo nu en dan kwamen er stemmen langs en soms verlangde hij ernaar dat ze zouden aankloppen, de deur zouden openen en hem naar buiten zouden sleuren, het ondraaglijke licht in. Vooralsnog kon hij niets anders dan op zijn kofferbank zitten, zijn handen onder zijn kin en zijn ellebogen op zijn branderige dijen.

Er was slaap, hongerige slaap, en de ergernis van half wakker zijn, en de straf van de vloer.

Geen aandacht schenken aan de kriebelvoeten.

Niet aan de voetzolen krabben.

En niet te veel bewegen.

Gewoon alles laten zoals het is, koste wat kost.

Misschien is het straks al tijd om te gaan. Licht als een kanon. Explosief voor de ogen. Misschien is het tijd om weg te gaan. Misschien is het tijd, dus word wakker. Word nu wakker, godverdomme! Word wakker.

De deur ging open en dicht en een gestalte boog zich over hem heen. De hand wuifde naar de kille golven van zijn kleren en de vuile stroom daaronder. Achter de hand daalde een stem neer.

‘Max,’ fluisterde de stem. ‘Max, wakker worden.’

Zijn ogen deden niets wat ogen normaal gesproken doen bij een schok. Ze knipperden niet en schoten niet open. Die dingen gebeuren wanneer je wakker wordt uit een boze droom, niet wanneer je wakker wordt in een boze droom. Nee, zijn ogen gingen moeizaam open, van duisternis naar schemering. Het was zijn lichaam dat reageerde, dat overeind kwam en een arm uitstak, om naar de lucht te grijpen.

Nu stelde de stem hem gerust. ‘Sorry dat het zo lang heeft geduurd. Ik denk dat ik in de gaten word gehouden. En de man met het persoonsbewijs deed er langer over dan ik dacht, maar…’ Het bleef even stil. ‘Nu is het van jou. De kwaliteit is niet geweldig, maar hopelijk goed genoeg om je er doorheen te slepen als het erop aankomt.’ Hij hurkte neer en wuifde met een hand naar de koffer. In zijn andere hand hield hij iets zwaars en plats. ‘Kom er eens – af.’ Max gehoorzaamde, stond op en krabde zich. ‘Hier zit het persoonsbewijs in.’ Het was een boek. ‘Je moet de plattegrond hier ook maar in doen, en de instructies. En er zit ook een sleutel in – aan de binnenkant van de kaft geplakt.’ Hij klikte de koffer zo zachtjes mogelijk open en plaatste het boek erin als een bom. ‘Ik kom over een paar dagen terug.’

Hij liet een klein zakje achter met brood, spekvet en drie kleine worteltjes. Ook zat er een fles water in. Hij verontschuldigde zich niet. ‘Ik heb mijn best gedaan.’

Deur open, deur dicht.

Weer alleen.

Wat hem onmiddellijk opviel was het geluid.

Alles klonk zo verschrikkelijk hard in het donker wanneer hij alleen was. Elke keer dat hij zich bewoog, hoorde je iets kreuken. Hij voelde zich een man in kleren van papier.

Het eten.

Max verdeelde het brood in drie stukken en legde er twee apart. Vervolgens verloor hij zich geheel in het stuk in zijn hand. Hij kauwde en slikte en werkte het omlaag via de droge gang van zijn keel. Het vet was koud en hard, zakte moeizaam weg en bleef af en toe ergens steken. Grote slokken rukten het weer los en duwden het verder naar beneden.

Dan de worteltjes. Opnieuw legde hij er twee apart en verslond hij de derde. Het lawaai was oorverdovend. Hij wist bijna zeker dat de Führer zelf het geluid van oranje maalsel in zijn mond kon horen. Met elke hap brak het zijn tanden. Toen hij een slok nam had hij stellig het idee dat hij zijn tanden inslikte. De volgende keer, zo nam hij zich voor, eerst drinken.

Later, toen de echo’s hem verlaten hadden en hij de moed wist op te brengen om te voelen met zijn vingers, stelde hij tot zijn grote opluchting vast dat al zijn tanden er nog zaten, geheel intact. Hij probeerde een glimlach, maar die wilde niet komen. Hij kon zich slechts een zwakke poging voorstellen en een mondvol gebroken tanden. Hij bleef er nog urenlang aan voelen.

Hij deed de koffer open en pakte het boek.

In het donker kon hij de titel niet lezen en hij durfde niet het risico te nemen om een lucifer aan te steken.

Toen hij sprak, proefde zijn stem als een fluistering.

‘Alsjeblieft,’ zei hij. ‘Alsjeblieft.’

Hij sprak tegen een man die hij nooit had ontmoet. Hij kende slechts enkele belangrijke details en één daarvan was de naam van de man. Hans Hubermann. Hij sprak opnieuw tegen hem, tegen een absolute onbekende. Hij smeekte.

‘Alsjeblieft.’