DRIE STOMME STREKEN
VAN RUDY STEINER
RUDY
STEINER, EEN ECHT
GENIE
1. Hij stal de grootste aardappel
van Mamer, de plaatselijke groenteman.
2. Hij nam het op tegen Franz Deutscher
in de Münchenstraat.
3. Ging helemaal niet meer naar de bijeenkomsten
van de Hitlerjeugd.
Het probleem met Rudy’s eerste streek was gulzigheid. Het was zo’n typische druilerige middag, half november 1941.
Eerder die dag had hij zich een weg gebaand tussen de vrouwen met hun voedselbonnen en wel op briljante wijze – ik zou bijna willen zeggen met een vleugje crimineel genie. Hij bleef vrijwel volledig onopgemerkt.
Onopvallend als hij was, slaagde hij er echter toch in de allergrootste aardappel van de hele lading te pakken te krijgen – dezelfde aardappel waar verschillende mensen in de rij ook al een oogje op hadden. Allemaal stonden ze te kijken hoe een dertienjarige zijn hand uitstak en hem greep. Een koor van zwaargebouwde Helga’s wees onmiddellijk een beschuldigende vinger in zijn richting, en Thomas Mamer kwam meteen aangestormd.
‘Meine Erdäpfel,’ zei hij. ‘Mijn aardappels.’
De aardappel lag nog steeds in Rudy’s handen (hij paste niet eens in één hand), en de vrouwen verzamelden zich als een groep worstelaars om hem heen. Wat hij nu nodig had was een vlotte babbel.
‘Mijn familie,’ begon Rudy. Uit zijn neus begon een straaltje helder vocht te lopen, wat hem op dit moment niet slecht uitkwam. Hij veegde het expres niet weg. ‘We komen allemaal om van de honger. Mijn zusje had een nieuwe jas nodig. De vorige was gestolen.’
Mamer was niet achterlijk. Terwijl hij met één hand Rudy’s kraag vasthield zei hij: ‘En nu wilde je haar aankleden met een aardappel?’
‘Nee, meneer.’ Hij keek schuin in het ene oog van zijn overweldiger dat hij kon zien. Mamer was een boom van een man, met twee kleine kogelgaatjes in zijn gezicht om door te kijken. Zijn tanden leken wel een menigte voetbalsupporters die in een stadion waren gepropt. ‘Drie weken geleden hebben we al onze punten moeten gebruiken voor de jas en nu hebben we niets meer te eten.’
De groenteman hield Rudy in de ene hand en de aardappel in de andere. Hij riep het gevreesde woord naar zijn vrouw. ‘Polizei.’
‘Nee,’ smeekte Rudy, ‘alstublieft.’ Later zou hij tegen Liesel zeggen dat hij helemaal niet bang was geweest, maar op dat moment barstte zijn hart bijna uit zijn lijf, dat weet ik zeker. ‘Niet de politie. Alstublieft, niet de politie.’
‘Polizei.’ Terwijl de jongen worstelde om aan zijn greep te ontkomen en wild om zich heen sloeg, bleef Mamer onvermurwbaar.
Iemand anders die die middag in de rij stond was een onderwijzer, Herr Link. Hij behoorde tot de kleine groep leraren op school die geen priester of non was. Rudy zag hem staan en smeekte hem met zijn ogen.
‘Herr Link.’ Dit was zijn laatste kans. ‘Herr Link, vertelt u het hem dan. Vertel hem hoe arm ik ben.’
De groenteman keek Herr Link vragend aan.
Herr Link kwam naar voren en zei: ‘Inderdaad, Herr Mamer. Deze jongen is heel erg arm. Hij komt uit de Himmelstraat.’ Voor de voornamelijk uit vrouwen bestaande menigte was dit een moment om onderling te beraadslagen. Ze wisten heel goed dat de Himmelstraat nu niet bepaald het toppunt van idyllisch wonen in Molching was. Iedereen wist dat het een betrekkelijk armoedige buurt was. ‘Hij heeft acht broertjes en zusjes.’
Acht!
Rudy moest een glimlach onderdrukken, hoewel hij er nog niet was. Maar in elk geval had hij de onderwijzer al zo ver dat hij voor hem loog. op de een of andere manier was hij erin geslaagd het gezin Steiner met drie extra kinderen uit te breiden.
‘Hij komt vaak zonder ontbeten te hebben op school,’ waarop de vrouwen weer begonnen te overleggen. Het was alsof de situatie een verflaagje kreeg, die iets meer kracht en sfeer toevoegde.
‘En wil dat zeggen dat hij zomaar mijn aardappelen mag stelen?’
‘En nog wel de grootste!’ riep een van de vrouwen verontwaardigd.
‘Wind u niet zo op, Frau Metzing,’ waarschuwde Mamer haar, en zij hield snel haar mond.
Eerst was alle aandacht gevestigd op Rudy en zijn nekvel. Vervolgens ging het heen en weer, van de jongen naar de aardappel naar Mamer – van mooi naar lelijk – en de vraag wat de groenteman uiteindelijk in Rudy’s voordeel deed besluiten zal voor altijd onbeantwoord blijven.
Was het de zielige blik van de jongen?
De waardigheid van Herr Link?
De ergernis van Frau Metzing?
Wat het ook was, Mamer gooide de aardappel terug bij de rest en sleurde Rudy mee de winkel uit. Hij gaf hem een flinke trap met zijn rechterlaars en zei: ‘Laat me je hier niet meer zien.’
Van buiten keek Rudy toe hoe Mamer weer achter de toonbank ging staan om zijn volgende klant te voorzien van eten en sarcasme. ‘Ik vraag me af om welke aardappel u gaat vragen,’ zei hij, de jongen met één oog in de gaten houdend.
Voor Rudy was het de zoveelste mislukking.
De tweede stomme streek was even gevaarlijk, maar om andere redenen. Aan deze ruzie zou Rudy een blauw oog, gekneusde ribben en een kapbeurt overhouden.
Bij de bijeenkomsten van de Hitlerjeugd had Tommy Müller weer eens problemen, en Franz Deutscher kon niet wachten tot Rudy zich ermee zou gaan bemoeien. Dat duurde niet lang.
Rudy en Tommy kregen weer een driloefening terwijl de anderen tactische lessen kregen. Terwijl zij samen door de kou renden konden zij de warme hoofden en schouders achter de ramen zien. Zelfs toen zij zich weer bij de rest van de groep voegden, waren de driloefeningen nog niet afgelopen. Toen Rudy in een hoekje ging staan en de modder van zijn mouw veegde, vuurde Franz de favoriete vraag van de Hitlerjeugd op hem af.
‘Wanneer is onze Führer Adolf Hitler geboren?’
Rudy keek op. ’Sorry?’
De vraag werd herhaald en de ongelooflijk stomme Rudy Steiner, die heel goed wist dat het 20 april 1889 was, antwoordde met de geboorte van Christus. Als extra informatie voegde hij er zelfs nog Bethlehem aan toe.
Franz wreef zich in zijn handen.
Een heel veeg teken.
Hij liep naar Rudy toe en stuurde hem naar buiten voor nog wat meer rondjes over het veld.
Rudy liep in zijn eentje en na elk rondje werd hem opnieuw naar de geboortedag van de Führer gevraagd. Hij liep zeven rondjes voordat hij het goede antwoord gaf.
Het grote probleem deed zich enkele dagen na de bijeenkomst voor.
Rudy zag Deutscher met een paar vrienden in de Himmelstraat over het trottoir lopen en voelde een enorme behoefte hem een steen naar zijn kop te gooien. Je zou je kunnen afvragen wat hem bezielde. Het antwoord is waarschijnlijk helemaal niets. Zelf zou hij waarschijnlijk hebben gezegd dat hij gebruikmaakte van zijn door God gegeven recht op stommiteit. Dat, of het feit dat de aanblik van Franz Deutscher hem een drang tot zelfvernietiging bezorgde.
De steen raakte zijn doelwit in de rug, maar niet zo hard als Rudy had gehoopt. Toen Franz Deutscher zich omdraaide zag hij daar tot zijn grote genoegen Rudy staan, met Liesel, Tommy en Tommy’s kleine zusje Kristina.
‘Rennen,’ drong Liesel aan, maar Rudy verroerde zich niet.
‘We zijn nu niet bij de Hitlerjeugd,’ zei hij tegen haar. De oudere jongens waren al bij hen. Liesel bleef naast haar vriend staan, net als de zenuwtrekkende Tommy en de tengere Kristina.
‘Meneer Steiner,’ sprak Franz, alvorens hem op te pakken en tegen de stoep te smijten.
Toen Rudy weer opstond, werd Deutscher alleen maar bozer. Hij gooide hem nog een keer op de grond en liet zich boven op hem vallen, met zijn knie in zijn ribben.
Weer stond Rudy op en het groepje oudere jongens begon hun vriend uit te lachen. Voor Rudy was dit geen best nieuws. ‘Lukt het je niet het hem te laten voelen?’ vroeg de grootste van het stel. Zijn ogen waren zo blauw en kil als de hemel en de woorden waren de enige aanmoediging die Franz nog nodig had. Hij was vastbesloten dat Rudy op de grond zou blijven liggen.
Er verzamelde zich een steeds groter wordende menigte om hen heen en Rudy haalde uit naar Franz Deutschers maag, maar miste hem finaal. Tegelijk voelde hij de brandende prikkeling van een vuist op zijn linker oogkas. Hij zag sterretjes en voor hij het wist lag hij op de grond. Hij kreeg nog meer klappen, op dezelfde plek, en voelde het oog tegelijkertijd geel, blauw en zwart worden. Drie lagen van uitzinnige pijn.
De groeiende menigte keek verlekkerd toe of Rudy misschien weer op zou krabbelen.
Dat deed hij niet. Ditmaal bleef hij op de grond liggen en voelde de kou en de nattigheid door zijn kleren optrekken en zich door zijn lichaam verspreiden.
Hij zag nog steeds sterretjes voor zijn ogen en zag pas toen het te laat was dat Franz nu boven hem stond met een gloednieuw zakmes in zijn hand en op het punt stond zich te bukken en hem te steken.
‘Nee!’ protesteerde Liesel, maar de grote jongen hield haar tegen. In haar oren klonken zijn woorden diep en oud.
‘Maak je geen zorgen,’ stelde hij haar gerust. ‘Hij doet het heus niet. Daar heeft hij het lef niet voor.’
Hij had het mis.
Franz bukte zich over Rudy heen en fluisterde:
‘Wanneer is onze Führer geboren?’ Elk afzonderlijk woord werd zorgvuldig gearticuleerd en aan zijn oor gevoed. ‘Kom op, Rudy, wanneer is hij geboren? Je kunt het me wel vertellen, niks aan de hand, wees maar niet bang.’
En Rudy?
Hoe antwoordde hij?
Reageerde hij verstandig, of liet hij zich door zijn stommiteit nog verder in het moeras wegzinken?
Hij keek vrolijk in de felblauwe ogen van Franz Deutscher en antwoordde: ‘Paasmaandag.’
Binnen enkele seconden werd het mes in zijn haar gezet. Het was de tweede knipbeurt in dit gedeelte van Liesels leven. Het haar van een jood werd geknipt met een roestige schaar. Dat van haar beste vriend werd aangepakt met een glimmend mes. Zij kende niemand die betaalde om geknipt te worden.
Wat Rudy betreft, die had dit jaar al modder moeten slikken, hij had in de mest gelegen, was in elkaar geslagen door een beginnend crimineel en onderging nu zo’n beetje de kroon op zijn werk – een publieke vernedering in de Münchenstraat.
Het was voornamelijk het haar op zijn voorhoofd dat werd weggesneden, maar bij elke snijbeweging waren er wel een paar haren die zich uit alle macht vasthielden en met wortel en al werden uitgetrokken. Bij elke haar die werd uitgetrokken vertrok Rudy’s gezicht, zodat zijn blauwe oog bonsde van de pijn en ging er een pijnscheut door zijn ribben.
‘Twintig april, achttien negenentachtig!’ las Franz hem de les en toen hij even later met zijn vrienden wegliep, gingen de toeschouwers uiteen zodat alleen Liesel, Tommy en Kristina bij hun vriend achterbleven.
Rudy lag stilletjes op de grond, in de optrekkende vochtigheid.
Dan resteert nu alleen nog stomme streek nummer drie – niet meer naar de bijeenkomsten van de Hitlerjeugd gaan.
Hij bleef niet meteen helemaal weg, maar dat was alleen om Deutscher te laten zien dat hij heus niet bang voor hem was, maar na een paar weken hield Rudy ermee op.
Trots gekleed in zijn uniform, liep hij de Himmelstraat uit en bleef lopen, met zijn trouwe volgeling, Tommy, aan zijn zijde.
In plaats van naar de Hitlerjeugd te gaan, liepen zij de stad uit, langs de Amper, waar zij over stenen sprongen, enorme keien in het water smeten en meer van dat soort kattenkwaad. Hij zorgde er wel voor zijn uniform vuil genoeg te maken om zijn moeder om de tuin te leiden, in elk geval totdat de eerste brief arriveerde. Dat was het moment waarop hij de gevreesde kreet uit de keuken hoorde.
Eerst dreigden zijn ouders hem met straf. Hij ging niet.
Toen smeekten ze hem om te gaan. Hij weigerde.
Uiteindelijk was het de mogelijkheid om zich bij een andere afdeling aan te sluiten, die Rudy van gedachten deed veranderen. Dat was maar goed ook, want als hij niet heel snel zijn gezicht weer liet zien, zouden de Steiners een boete krijgen voor zijn afwezigheid. Zijn oudere broer, Kurt, informeerde of Rudy misschien bij de Fliegerabteilung kon komen, waar je alles kon leren over luchtvaart en vliegen. Ze hielden zich voornamelijk bezig met het bouwen van modelvliegtuigjes en er was geen Franz Deutscher. Rudy ging akkoord en Tommy volgde zijn voorbeeld. Het was de enige keer in zijn leven dat zijn idiote gedrag hem voordeel opleverde.
Wanneer hem bij zijn nieuwe groep de beruchte Führervraag werd gesteld, antwoordde Rudy met een brede glimlach: ‘20 april, 1889’, om vervolgens Tommy een heel andere datum in te fluisteren, zoals de verjaardag van Beethoven, of Mozart, of Strauss. Ze hadden op school, waar Rudy ondanks zijn ogenschijnlijke stommiteit uitblonk, net een paar lessen over componisten gehad.