HET GELUID VAN SIRENES
Op een dag bracht Hans een tweedehands radio mee naar huis, gekocht van het kleine beetje geld dat was overgebleven van wat hij die zomer had verdiend. ‘Op deze manier,’ zei hij, ‘weten we al voordat de sirenes gaan dat er een luchtaanval komt. Dan klinkt er een soort koekoeksgeluid en dan kondigen ze aan welke regio’s gevaar lopen.’
Hij zette de radio op de keukentafel en zette hem aan. Ze probeerden hem ook in de kelder aan te zetten, voor Max, maar daar kwam niets anders dan ruis en flarden van stemmen uit de luidspreker.
In september hoorden ze niets omdat ze sliepen.
Of de radio was al half kapot, of hij werd onmiddellijk overstemd door het geloei van de sirenes.
Een hand werd zachtjes op Liesels schouders gelegd terwijl ze sliep.
De hand werd gevolgd door Papa’s stem, angstig.
‘Liesel, wakker worden. We moeten weg.’
Door de desoriëntatie van een verstoorde slaap kon Liesel amper de omtrekken van Papa’s gezicht onderscheiden. Het enige wat werkelijk zichtbaar was, was zijn stem.
In de gang bleven ze staan.
In het donker haastten ze zich naar de kelder.
De lamp brandde.
Max schoof achter de verfblikken en afdeklakens vandaan. Hij keek vermoeid en haakte zijn duimen nerveus achter zijn broekband. ‘Tijd om te gaan, hè?’
Hans liep naar hem toe. ‘Ja, het is tijd om te gaan.’ Hij schudde hem de hand en gaf een klap op zijn arm. ‘We zien je zodra we weer terug zijn, oké?’
‘Natuurlijk.’
Rosa omhelsde hem, net als Liesel.
‘Dag, Max.’
Weken eerder hadden ze het er al over gehad of ze allemaal bij elkaar zouden blijven in hun eigen kelder, of dat zij met z’n drieën naar de familie Fiedler, een eindje verderop in de straat, zouden gaan. Het was Max die hen overtuigde. ‘Ze zeiden dat het hier niet diep genoeg was. Ik heb jullie al voldoende in gevaar gebracht.’
Hans had geknikt. ‘Jammer dat je niet met ons mee kunt. Het is gewoon een schande.’
‘Het is niet anders.’
Buiten loeiden de sirenes naar de huizen en de mensen kwamen angstig hun huizen uit gerend. De nacht keek toe. Sommige mensen keken terug en probeerden de blikken vliegtuigjes te vinden die door de lucht vlogen.
De Himmelstraat was één lange stoet van verwarde mensen die met hun kostbaarste bezittingen liepen te sjouwen. In sommige gevallen was dat een baby. In andere een stapel fotoalbums of een houten kistje. Liesel droeg haar boeken tussen haar arm en haar ribben. Frau Holtzapfel sleepte een koffer mee en worstelde met uitpuilende ogen en kleine pasjes over de stoep.
Papa, die alles was vergeten – zelfs zijn accordeon – rende terug en redde de koffer uit haar handen. ‘Jezus, Maria en Jozef, wat heeft u daar in vredesnaam in zitten?’ vroeg hij. ‘Een aambeeld?’
Frau Holtzapfel liep met hem mee. ‘Het hoogst noodzakelijke.’ De Fiedlers woonden zes huizen verderop. Het gezin bestond uit vier personen, stuk voor stuk met stroblond haar en goede Duitse ogen. Het belangrijkste was echter dat ze een mooie, diepe kelder hadden. Tweeëntwintig mensen wurmden zich erin, waaronder de hele familie Steiner, Frau Holtzapfel, Pfiffikus, een jonge man en een familie met de naam Jenson. Om het allemaal een beetje beschaafd te houden, werden Rosa Hubermann en Frau Holtzapfel gescheiden gehouden, hoewel sommige dingen belangrijker waren dan stomme ruzies.
Er bungelde een enkel peertje aan het plafond en de kelder was vochtig en koud. De muren waren ruw en prikten de mensen, die met elkaar stonden te praten, in de rug. Het gedempte geluid van de sirenes drong op de een of andere manier nog in de kelder door. Hoewel dit nogal wat onzekerheid veroorzaakte over de kwaliteit van de schuilplek, konden ze nu in elk geval de drie sirenes horen die zouden aangeven wanneer de luchtaanval was afgelopen en alles weer veilig was. Ze hadden geen Luftschutzwarte – een soort supervisor in geval van luchtaanvallen – nodig.
Het duurde niet lang voordat Rudy Liesel had gevonden en bij haar kwam staan. Zijn haar wees naar iets op het plafond. ‘Geweldig, hè?’
Ze kon enig sarcasme niet onderdrukken. ‘Ja, enig.’
‘Ach, kom nou, Liesel, doe nou niet zo. Wat is het ergste dat ons kan gebeuren, behalve dat we met z’n allen worden geplet of gebraden, of wat bommen dan ook mogen doen?’
Liesel keek naar de gezichten om zich heen. Ze begon een lijstje te maken van wie er het bangst was.
Frau Holtzapfels ogen stonden wagenwijd open. Haar magere lijf stond voorovergebogen en haar mond vormde een cirkeltje. Herr Fiedler zocht afleiding door mensen, soms meerdere keren, te vragen hoe ze zich voelden. De jonge man, Rolf Schultz, stond in z’n eentje in de hoek en praatte stilletjes maar kwaad voor zich uit. Zijn handen staken stijf in zijn zakken. Rosa wiegde heel zachtjes heen en weer. ‘Liesel,’ fluisterde ze, ‘kom eens hier.’ Ze omarmde het meisje van achteren en trok haar stevig tegen zich aan. Ze zong een liedje, maar zo zacht dat Liesel het niet kon verstaan. De noten werden geboren op haar adem, maar stierven op haar lippen. Naast hen stond Papa er rustig en bewegingloos bij. Op een gegeven moment legde hij een warme hand op Liesels koele hoofd. Jij overleeft het wel, zei die hand, en hij had gelijk.
Links van hen stonden Alex en Barbra Steiner met hun jongste kinderen, Bettina en Emma. De twee meisjes klemden zich vast aan hun moeders rechterbeen. De oudste zoon, Kurt, stond in een perfecte Hitlerjeugdhouding voor zich uit te staren en hield Karin bij de hand, die erg klein was voor haar zeven jaar. De tien jaar oude Anna-Marie speelde met de pulpachtige bovenlaag van de cementmuur.
Aan de andere kant van de Steiners stonden Pfiffikus en de familie Jenson.
Pfiffikus slaagde erin om niet te fluiten.
De bebaarde meneer Jenson hield zijn vrouw stevig vast en hun twee kinderen waren afwisselend stil en luidruchtig. Af en toe pestten zij elkaar, maar telkens wanneer er een echte ruzie dreigde hielden zij zich in.
Na een minuut of tien werd er in de kelder voornamelijk niet bewogen. Hun lichamen waren met elkaar versmolten en het enige wat veranderde was de stand van hun voeten of de druk die erop werd uitgeoefend. Hun gezichten waren onbeweeglijk. Zij keken elkaar aan en wachtten af.
DUDEN WOORDENBOEK
BETEKENIS 3
Furcht – angst:
Een onaangename, vaak sterke
emotie, veroorzaakt door de dreiging
of een bewust zijn van gevaar.
Gerelateerde woorden:
verschrikking, ontzetting,
paniek, vrees, alarm.
Vanuit andere schuilkelders kwamen verhalen over het zingen van Deutschland über Alles, of mensen die ruziemaakten. Die dingen gebeurden echter niet in de kelder van de Fiedlers. In plaats daarvan waren er slechts angst en ongerustheid en het dode lied op de droge lippen van Rosa Hubermann.
Niet lang voordat de sirenes het einde aankondigden, slaagde Alex Steiner – de man met het onbeweeglijke, houten gezicht – erin de kinderen los te weken van de benen van zijn vrouw. Hij wist de vrije hand van zijn zoontje vast te pakken. Kurt, nog steeds stoïcijns en starend, verstevigde zijn greep om de hand van zijn zusje. Al snel had iedereen de hand van degene naast hem gepakt en stond het groepje Duitsers in een dichte kring bij elkaar. De koude handen versmolten met de warme en in sommige gevallen werd het gevoel van andermans polsslag doorgegeven, dwars door de lagen bleke, stugge huid heen. Sommigen van hen sloten hun ogen, wachtend op hun uiteindelijke dood of hopend op een teken dat de luchtaanval eindelijk was afgelopen.
Verdienden ze beter, deze mensen?
Hoe velen van hen hadden actief anderen vervolgd, bedwelmd door Hitlers aanblik, citerend uit zijn woorden, zijn zinnen, zijn opus? Was Rosa Hubermann verantwoordelijk? Degene die een jood verborgen hield? Of Hans? Verdienden zij allemaal te sterven? De kinderen?
Het antwoord op al die vragen interesseert mij bijzonder, hoewel ik mij er niet door mag laten verleiden. Ik weet alleen dat al die mensen mijn aanwezigheid die nacht hebben gevoeld, met uitzondering van de jongste kinderen. Ik was de wenk. Ik was de aanwijzing, mijn denkbeeldige voeten die de keuken binnenliepen en de gang door.
Zoals zo vaak het geval is met mensen, wanneer ik over ze lees in de woorden van de boekendief, had ik medelijden met hen, hoewel niet zoveel als voor degenen die ik destijds weghaalde uit de verschillende kampen. Natuurlijk waren de Duitsers in de schuilkelders meelijwekkend, maar zij hadden in elk geval een kans. Die kelder was geen wasruimte. Ze werden er niet naar binnen gestuurd voor een douche. Voor deze mensen was nog een leven denkbaar.
In de dichte cirkel sijpelden de minuten voorbij.
Liesel hield Rudy’s hand vast en die van haar mama.
Slechts één gedachte deed haar verdriet.
Max.
Hoe kon Max overleven als er bommen op de Himmelstraat vielen?
Ze keek de kelder van de Fiedlers rond. Hij was veel steviger en aanzienlijk dieper dan die van Himmelstraat 33.
Zwijgend vroeg ze het aan haar papa.
Denkt u nu ook aan hem?
Of hij de zwijgende vraag nu opving of niet, hij gaf het meisje een kort knikje. Dit werd enkele minuten later gevolgd door de drie sirenes van tijdelijke vrede.
De mensen in de kelder van Himmelstraat 45 slaakten een zucht van verlichting.
Sommigen knepen hun ogen stijf dicht en deden ze toen weer open.
Er ging een sigaret rond.
Net toen Rudy Steiner aan de beurt was om hem naar zijn lippen te brengen werd hij door zijn vader weggegrist. ‘Jij niet, Jesse Owens.’
De kinderen omhelsden hun ouders en het duurde een paar minuten voordat het daadwerkelijk tot iedereen doordrong dat ze nog leefden, en dat ze zouden blijven leven. Pas toen gingen zij de trap weer op, naar Herbert Fiedlers keuken.
Buiten ging een hele stoet van mensen stilletjes over straat. Menigeen keek naar de hemel en dankte God voor zijn leven.
Toen de Hubermanns thuiskwamen, liepen zij regelrecht door naar de kelder, maar het leek alsof Max er niet was. Het vlammetje van de petroleumlamp brandde klein en oranje en ze zagen hem nergens en hoorden hem niet antwoorden.
‘Max?’
‘Hij is weg.’
‘Max, ben je daar?’
‘Hier ben ik.’
Eerst dachten ze dat de woorden achter de verfblikken en lakens vandaan kwam, maar Liesel was de eerste die hem zag, vlak voor hen. Zijn afgematte gezicht werd gecamoufleerd door de schildersmaterialen en stoffen. Hij leek met stomheid geslagen.
Toen zij naar hem toe liepen, zei hij: ‘Ik kon er niets aan doen.’
Het was Rosa die antwoordde. Ze ging op haar hurken tegenover hem zitten. ‘Waar heb je het over, Max?’
‘Ik…’ Hij worstelde om te antwoorden. ‘Toen alles rustig was, ben ik naar boven gegaan en het gordijn in de woonkamer stond een heel klein stukje open zodat ik… naar buiten kon kijken. Ik heb heel even gekeken, twee tellen maar.’ Hij had al tweeëntwintig maanden niets van de buitenwereld gezien.
Er was geen woede of verwijt.
Het was Papa die reageerde.
‘Hoe zag het eruit?’
Max keek op, met diepe droefheid en grote verwondering in zijn ogen. ‘Ik zag sterren,’ zei hij. ‘Ze brandden in mijn ogen.’
Vier mensen.
Twee van hen stonden. De twee anderen bleven zitten.
Alle vier hadden ze die nacht het een en ander gezien.
Deze plek was de echte kelder. Dit was de echte angst. Max vermande zich en stond op om zich weer achter de lakens te verschuilen. Hij wenste hun welterusten, maar redde het niet tot onder de trap. Met Mama’s toestemming bleef Liesel tot de ochtend bij hem om hem voor te lezen uit Een Lied in de Duisternis, terwijl hij in zijn boek tekende en schreef.
Door een raam in de Himmelstraat, schreef hij, zetten de sterren mijn ogen in vuur en vlam.