DE GEUR VAN VRIENDSCHAP

Het ging verder.

Gedurende de volgende paar weken en de zomer, begon de nachtklas aan het eind van elke nachtmerrie. Er waren nog twee natte-beddenincidenten, maar Hans Hubermann herhaalde daarbij gewoon zijn eerdere schoonmaakheldhaftigheden en zette zich vervolgens aan de taak van het lezen, tekenen en opzeggen. In de vroege uurtjes van de ochtend klonken zachte stemmen heel hard.

Op een donderdagmiddag, even na drieën, zei Mama tegen Liesel dat ze zich klaar moest maken om met haar mee te gaan en wat strijkgoed af te leveren. Papa had andere plannen.

Hij liep de keuken in en zei: ‘Sorry, Mama, ze gaat vandaag niet met je mee.’

Mama nam niet eens de moeite om op te kijken van de waszak. ‘Wie heeft jou iets gevraagd, Arschloch? Kom mee, Liesel.’

‘Ze gaat lezen,’ zei hij. Papa schonk Liesel een vastberaden glimlachje en een knipoog. ‘Met mij. Ik leer het haar. We gaan naar de Amper – een eindje stroomopwaarts, waar ik vroeger altijd oefende met de accordeon.’

Nu had hij haar aandacht.

Mama zette de was op tafel en werkte zich op tot een gepast niveau van cynisme. ‘Wat zei je?’

‘Volgens mij heb je me wel verstaan, Rosa.’

Mama begon te lachen. ‘Wat zou jij haar in vredesnaam kunnen leren?’ Een kartonnen lachje. Messcherpe woorden. ‘Alsof jij zo goed kan lezen, Saukerl.’

De keuken wachtte. Papa sloeg terug. ‘Wij nemen je strijkgoed wel voor je mee.’

‘Jij vuile – ’ Ze zweeg. De woorden bleven steken in haar mond terwijl ze erover nadacht. ‘Voor donker thuis.’

‘In het donker kunnen we niet lezen, Mama,’ zei Liesel.

‘Wat zei je daar, Saumensch?’

‘Niks, Mama.’

Papa lachte en wees naar het meisje. ‘Boek, schuurpapier, potlood,’ zei hij, ‘en accordeon!’ toen ze al weg was. Even later liepen ze door de Himmelstraat, met de woorden, de muziek en de was.

Terwijl zij in de richting van Frau Diller liepen, keken zij nog een paar keer om, om te zien of Mama nog bij het hek stond om hen na te kijken. Ze stond er nog. Op een gegeven moment riep ze: ‘Liesel, hou dat strijkgoed recht! Straks komen er kreukels in!’

‘Ja, Mama!’

Een paar passen later: ‘Liesel, ben je warm genoeg aangekleed?’

‘Wat zei u?’

‘Saumensch dreckigs, ben je doof of zo? Heb je het warm genoeg? Misschien wordt het straks wel koud!’

Eenmaal om de hoek, bukte Papa zich om een veter vast te maken. ‘Liesel,’ vroeg hij, ‘zou jij een sigaretje voor me willen draaien?’

Ze wilde niets liever.

Zodra het wasgoed was afgeleverd, liepen zij terug naar de rivier de Amper, die langs het stadje liep, in de richting van Dachau, het concentratiekamp.

Er was een houten brug.

Een meter of dertig voor de brug gingen ze in het gras zitten om de woorden te schrijven en hardop voor te lezen, en toen het een beetje donker begon te worden, haalde Hans de accordeon tevoorschijn. Liesel keek naar hem en luisterde, hoewel ze niet direct de verwonderde uitdrukking in de gaten had die haar papa die avond op zijn gezicht had terwijl hij speelde.

PAPAS GEZICHT

Het dwaalde en verwonderde zich, maar het onthulde geen antwoorden. Nog niet.

Er had een verandering in hem plaatsgevonden. Een kleine verschuiving.

Ze zag het, maar het drong pas later tot haar door, toen alles op zijn plek viel. Ze zag hem niet kijken terwijl hij speelde en had geen idee dat Hans Hubermanns accordeon een verhaal was. In de tijd die voor hen lag, zou dat verhaal in de vroege uren van de ochtend in de Himmelstraat 33 arriveren, met opgetrokken schouders en een bibberend jasje. Het zou een koffer bij zich hebben, een boek en twee vragen. Een verhaal. Verhaal na verhaal. Verhaal in verhaal.

Voorlopig was er wat Liesel betreft alleen dit ene, en zij genoot ervan.

Ze vlijde zich languit in de lange armen van gras.

Ze deed haar ogen dicht en haar oren hielden de noten vast.

Natuurlijk waren er ook problemen. Papa werd een paar keer bijna boos op haar. ‘Kom op, Liesel,’ zei hij dan. ‘Je weet best welk woord dit is, je weet het!’ Net wanneer het een beetje vloeiend begon te gaan, bleef ze weer ergens steken.

Wanneer het lekker weer was, gingen ze ’s middags naar de Amper. Met slecht weer bleven ze in de kelder. Dit lag voornamelijk aan Mama. Eerst probeerden ze het in de keuken, maar dat ging absoluut niet.

‘Rosa,’ zei Hans op een bepaald ogenblik tegen haar. Zijn zachte stem kapte een van haar zinnen af. ‘Zou je mij een plezier kunnen doen?’

Ze keek op van het fornuis. ‘Wat?’

‘Ik vraag je. Ik smeek je, zou je alsjeblieft even je mond kunnen houden, al is het maar vijf minuten?’

Je kunt je de reactie wel voorstellen.

Ze waren dus op de kelder aangewezen.

Er was daar geen verlichting, dus namen ze een petroleumlamp mee en langzaam maar zeker, tussen school en thuis, tussen de rivier en de kelder, tussen de goede dagen en de slechte, leerde Liesel lezen en schrijven.

‘Nog even,’ zei Papa tegen haar, ‘en je leest dat afschuwelijke grafboek met je ogen dicht.’

‘En dan kan ik ook uit die dwergenklas.’

Ze sprak die woorden grimmig uit, alsof ze haar persoonlijk eigendom waren.

Tijdens één van die keldersessies legde Papa het schuurpapier terzijde (ze begonnen er snel doorheen te raken) en haalde een kwast te voorschijn. Het Hubermann-huishouden kende geen luxe, maar er was wel een grote voorraad verf, en die kwam goed van pas bij Liesels lessen. Papa zei een woord, dat vervolgens door het meisje hardop moest worden gespeld. Als ze het goed had, mocht ze het op de muur schilderen. Na een maand had de hele muur een nieuwe verflaag. Een nieuwe bladzijde van cement.

Wanneer Liesel nadat ze in de kelder hadden gewerkt in elkaar gedoken in bad zat, hoorde ze vaak dezelfde opmerkingen vanuit de keuken.

‘Je stinkt,’ zei Mama dan tegen Hans. ‘Naar sigaretten en petroleum.’

Terwijl ze in het water zat, stelde ze zich de geur van haar papa’s kleren voor. Boven alles was het de geur van vriendschap en ze rook er zelf ook naar. Liesel was dol op die geur. Ze rook aan haar arm en glimlachte, terwijl om haar heen het water afkoelde.