DE SNEEUW VAN STALINGRAD
Half januari 1943 was de Himmelstraat gewoon zijn donkere, armoedige zelf. Liesel trok het hek dicht, liep naar Frau Holtzapfels voordeur en klopte aan. Ze keek vreemd op van degene die open-deed.
De eerste gedachte die bij haar opkwam was dat deze man een van haar zoons moest zijn, maar hij leek niet op een van de broers op de ingelijste foto’s bij de deur. Hij leek veel te oud, hoewel dat moeilijk te zien was. Hij had zich lang niet geschoren en hij had een gekwelde blik in zijn ogen. Er hing een verbonden hand uit zijn mouw en Liesel zag de bloeddruppels door de windsels heen sijpelen.
‘Misschien kan je beter een andere keer terugkomen.’
Liesel probeerde langs hem heen te kijken. Ze stond op het punt Frau Holtzapfels naam te roepen, maar de man bleef voor haar staan.
‘Kindje,’ zei hij. ‘Kom straks maar terug. Ik kom je wel halen. Waar kom je vandaan?’
Na meer dan drie uur werd er in Himmelstraat 33 aangeklopt en stond de man voor haar. De bloeddruppels waren bloedvlekken geworden.
‘Nu kan ze je wel ontvangen.’
Buiten, in het schemerige licht, kon Liesel zich niet bedwingen om de man te vragen wat er met zijn hand was gebeurd. Hij blies wat lucht door zijn neusgaten – een enkele lettergreep – voordat hij antwoordde: ‘Stalingrad.’
‘Pardon?’ Hij had de wind in zijn gezicht gehad toen hij het zei. ‘Ik kon u niet goed verstaan.’
Hij antwoordde nog een keer, op luidere toon ditmaal, en deze keer gaf hij een volledig antwoord op haar vraag. ‘Stalingrad is wat er met mijn hand is gebeurd. Ik ben in mijn ribben geschoten en er zijn drie vingers van mijn hand geschoten. Is dat een bevredigend antwoord op je vraag?’ Hij stak zijn goede hand in zijn zak en huiverde van minachting voor de Duitse wind. ‘Vind jij het hier koud?’
Liesel raakte de muur naast zich aan. Ze kon moeilijk liegen. ‘Ja, natuurlijk.’
De man begon te lachen. ‘Dit is geen kou.’ Hij pakte een sigaret en stak hem tussen zijn lippen. Met één hand probeerde hij een lucifer af te strijken. In dit slechte weer zou het zelfs met twee handen moeilijk zijn geweest, maar met één hand was het onmogelijk. Hij liet het luciferdoosje vallen en vloekte.
Liesel raapte het op.
Ze pakte de sigaret en nam hem in haar mond. Ook zij kreeg hem niet aan.
‘Je moet eraan zuigen,’ legde de man uit. ‘In dit weer gaat hij alleen maar branden wanneer je eraan zuigt. Verstehst?’
Ze deed nog een poging en probeerde zich te herinneren hoe Papa dit altijd deed. Deze keer vulde haar mond zich met rook. Het kwam tegen haar tanden en prikte in haar keel, maar ze wilde niet hoesten.
‘Goed werk.’ Toen hij de sigaret van haar aannam en inhaleerde, stak hij haar zijn goede linkerhand toe. ‘Michael Holtzapfel.’
‘Liesel Meminger.’
‘Kom je mijn moeder voorlezen?’
Op dat moment kwam Rosa achter haar staan en Liesel voelde hoe zij schrok. ‘Michael?’ vroeg ze. ‘Ben jij het?’
Michael Holtzapfel knikte. ‘Guten Tag, Frau Hubermann, dat is lang geleden.’
‘Je lijkt zoveel…’
‘Ouder?’
Rosa verkeerde nog steeds in shock, maar ze bleef kalm. ‘Wil je misschien even binnenkomen? Ik zie dat je al kennis hebt gemaakt met mijn pleegdochter…’ Haar stem stierf weg toen ze de bebloede hand zag.
‘Mijn broer is dood,’ zei Michael Holtzapfel, en hij had de klap niet beter kunnen uitdelen met zijn ene bruikbare vuist. Want Rosa wankelde. Natuurlijk betekende oorlog dat er mensen doodgingen, maar het sloeg altijd even de grond onder iemands voeten weg wanneer het iemand was die ooit heel dichtbij had geleefd en geademd. Rosa had allebei de Holtzapfel-jongens zien opgroeien.
De oud geworden jonge man slaagde erin om op een rustige manier te vertellen wat er was gebeurd. ‘Ik was in een van de gebouwen die we als hospitaal gebruikten toen ze hem binnenbrachten. Dat was een week voordat ik naar huis zou komen. Ik heb drie hele dagen van die week bij hem gezeten voordat hij stierf…’
‘Wat vind ik dat erg.’ De woorden leken niet uit Rosa’s mond te komen. Het was iemand anders die die avond achter Liesel Meminger stond, maar ze durfde niet om te kijken.
‘Alstublieft,’ snoerde Michael haar de mond. ‘Zegt u maar niets meer. Mag ik het meisje meenemen om voor te lezen? Ik betwijfel of mijn moeder het zal horen, maar ze vroeg zelf of ik haar wilde halen.’
‘Ja, neem haar maar mee.’
Ze waren halverwege het pad toen Michael Holtzapfel opeens ergens aan dacht en terugliep. ‘Rosa?’ Hij wachtte even totdat Mama de deur wat verder opentrok. ‘Ik heb gehoord dat je zoon daar ook was. In Rusland. Ik kwam iemand anders uit Molching tegen en die vertelde me dat. Maar ik neem aan dat je het zelf al wist?’
Rosa probeerde te verhinderen dat hij weg zou gaan. Ze kwam snel naar buiten en pakte hem bij zijn mouw. ‘Nee. Hij is hier op een dag weggegaan en niet meer teruggekomen. We hebben geprobeerd hem te vinden, maar toen gebeurde er van alles en er was…’
Michael Holtzapfel liet zich niet vermurwen. Het laatste waar hij nu behoefte aan had was het zoveelste trieste verhaal. Hij trok zich los en zei: ‘Voor zover ik weet is hij nog in leven.’ Hij liep naar Liesel bij het hek, maar het meisje liep niet naar het buurhuis. Ze keek naar Rosa’s gezicht. Het leek op hetzelfde moment op te lichten en weer te betrekken.
‘Mama?’
Rosa stak haar hand op. ‘Ga nu maar.’
Liesel wachtte.
‘Ik zei ga nu maar.’
Toen ze hem had ingehaald, probeerde de teruggekeerde soldaat een gesprekje met haar aan te knopen. Waarschijnlijk had hij spijt van zijn verbale vergissing met Rosa en nu probeerde hij het te maskeren met andere woorden. Hij hield zijn verbonden hand omhoog en zei: ‘Het wil maar niet ophouden met bloeden.’ Liesel was blij toen ze de keuken van Frau Holtzapfel binnengingen. Hoe sneller ze kon gaan lezen, hoe beter.
Frau Holtzapfel zat met een betraand gezicht aan tafel.
Haar zoon was dood.
Maar dat was nog maar de helft van het verhaal.
Ze zou nooit precies weten hoe het was gebeurd, maar ik kan je zonder enige twijfel vertellen dat een van ons dat wel degelijk weet. Ik schijn altijd te weten hoe iets is gebeurd wanneer er sprake was van sneeuw en geweren en de verschillende verwarringen van de menselijke taal.
Wanneer ik me Frau Holtzapfels keuken voorstel zoals die in de woorden van de boekendief wordt beschreven, zie ik niet het fornuis of de pollepels of de waterpomp, of iets dergelijks. Niet meteen tenminste. Wat ik zie is de Russische winter en de sneeuw die van het plafond omlaag valt en het lot van Frau Holtzapfels tweede zoon.
Zijn naam was Robert en hem was het volgende overkomen.
EEN KLEIN OORLOGSVERHAAL
Zijn benen werden ter hoogte van zijn
schenen
weggeschoten en hij stierf terwijl
zijn broer zat toe te kijken
in een koud, stinkend militair hospitaal.
Het was 5 januari 1943, in Rusland, en het was zoals gewoonlijk een ijskoude dag. Overal in de stad en in de sneeuw lagen dode Russen en Duitsers. Zij die nog in leven waren schoten op de onbeschreven bladzijden voor hen. Drie talen verweefden zich met elkaar. Het Russisch, de kogels, het Duits.
Terwijl ik mij een weg baande tussen de gesneuvelde zielen, zei een van de mannen: ‘Mijn maag kriebelt zo.’ Hij zei het vele keren achtereen. Ondanks zijn shock kroop hij in de richting van een donkere, verminkte gestalte die op de grond zat leeg te bloeden. Toen de soldaat met de wond in zijn maag bij hem aankwam, zag hij dat het Robert Holtzapfel was. Zijn handen zaten onder het bloed en hij legde handenvol sneeuw op de plek vlak boven zijn schenen, waar bij de laatste explosie zijn benen waren afgeschoten. Hete handen en een ijselijk geschreeuw.
De stoom steeg op van de grond. De aanblik en geur van rottende sneeuw.
‘Ik ben het,’ zei de soldaat tegen hem. ‘Pieter.’ Hij sleepte zichzelf nog iets dichterbij.
‘Pieter?’ vroeg Robert, een wegkwijnende stem. Hij moet mijn nabijheid al hebben gevoeld.
En nog een keer. ‘Pieter?’
Om de een of andere reden stellen stervende mannen vaak vragen waarop zij het antwoord al weten. Misschien wel om op het moment van hun dood een keer gelijk te hebben.
Opeens klonken alle stemmen hetzelfde.
Robert Holtzapfel zakte naar rechts, op de koude, dampende grond.
Ik weet zeker dat hij mij op dat moment verwachtte te zien.
Maar hij zag me niet.
Ongelukkig genoeg voor de jonge Duitser, nam ik hem die middag nog niet meteen mee. Met de andere arme zielen in mijn armen stapte ik over hem heen en liep weer terug naar de Russen.
En zo reisde ik heen en weer.
Uiteengerukte mannen.
Het was geen skivakantie, dat kan ik je wel vertellen.
Zoals Michael zijn moeder al had verteld, duurde het nog drie lange dagen voordat ik de soldaat kwam halen die in Stalingrad zijn voeten had achtergelaten. Ik voelde me heel welkom toen ik arriveerde bij het tijdelijke hospitaal en deinsde even terug voor de stank.
Een man met zijn hand in het verband zat de zwijgende, in shock verkerende soldaat te vertellen dat alles goed zou komen. ‘Voor je het weet ben je weer thuis,’ verzekerde hij hem.
Ja, thuis, dacht ik. Voorgoed.
‘Ik wacht op je,’ vervolgde hij. ‘Eigenlijk zou ik eind deze week naar huis gaan, maar ik wacht op je.’
Midden in de volgende zin van zijn broer nam ik de ziel van Robert Holtzapfel in mijn armen.
Meestal moet ik mijn best doen om door het plafond te kijken wanneer ik ergens binnen ben, maar in dit gebouw bofte ik. Een klein deel van het dak was verwoest en als ik recht omhoogkeek, keek ik zó naar buiten. Op nog geen meter afstand zat Michael Holtzapfel nog steeds te praten. Ik probeerde hem te negeren door naar het gat boven mij te kijken. De hemel was wit, maar dat veranderde snel. Zoals altijd leek het wel een reusachtig afdeklaken. Er druppelde bloed doorheen en hier en daar waren de wolken smoezelig, als voetstappen in smeltende sneeuw.
Voetstappen? vraag je nu.
Tja, ik vraag me ook af van wie die kunnen zijn.
In de keuken van Frau Holtzapfel zat Liesel te lezen. De bladzijden gingen ongehoord voorbij en wat mij betreft, hoewel het Russische landschap voor mijn ogen begon te vervagen, bleef de sneeuw maar van het plafond vallen. De ketel is bedekt, net als de tafel. Ook de mensen hebben sneeuw op hun hoofden en schouders.
De broer rilt.
De vrouw huilt.
En het meisje leest verder, want daarvoor is ze hier en het voelt fijn om ergens goed voor te zijn in de nasleep van de sneeuw van Stalingrad.