DODE BRIEVEN
Flits naar de toekomst, naar de kelder, september 1943.
Een veertienjarig meisje zit te schrijven in een klein boekje met een donkere kaft. Ze is mager, maar sterk en ze heeft veel meegemaakt. Papa zit met de accordeon aan zijn voeten.
Hij zegt: ‘Zal ik je eens wat vertellen, Liesel? Ik heb je bijna teruggeschreven met de naam van je moeder eronder.’ Hij krabt aan zijn been, waar het gips heeft gezeten. ‘Maar ik kon het niet. Ik kon het niet over mijn hart krijgen.’
De rest van januari, en heel februari, brak het hart van Liesels pleegvader wanneer zij in de brievenbus ging kijken of er al antwoord was gekomen op haar brief. ‘Wat jammer nou,’ zei hij dan tegen haar. ‘Vandaag ook niet?’ Achteraf gezien, zag zij ook wel in dat het allemaal voor niets was geweest. Als haar moeder daar kans toe had gezien, zou zij allang contact hebben opgenomen met de mensen van de pleegzorg, of rechtstreeks met het meisje, of de Hubermanns. Maar dat was niet gebeurd.
Om het allemaal nog erger te maken, kreeg Liesel half februari een brief van een andere strijkklant, de Pfaffelhürvers, uit de Heidestraat. Samen stonden zij levensgroot in de deuropening en schonken haar een trieste blik. ‘Voor je mama,’ zei de man, terwijl hij haar de envelop gaf. ‘Vertel haar maar dat het ons spijt. Vertel haar maar dat het ons spijt.’
Dat was geen fijne avond bij de Hubermanns thuis.
Zelfs in de kelder, waar Liesel zich terugtrok om haar vijfde brief aan haar moeder te schrijven (waarvan er tot nu toe nog maar één was verstuurd), hoorde ze Rosa nog schelden en tekeergaan over die Pfaffelhürver Arschlöcher en die rotzak van een Ernst Vogel.
‘Feuer soll’n’s brunzen für einen Monat!’ hoorde ze haar uitroepen. Vertaling: ‘Ze zouden allemaal een maand lang vuur moeten pissen!’
Liesel schreef.
Toen ze jarig was, was er geen cadeautje. Er was geen cadeautje omdat er geen geld was en Papa door zijn tabak heen was.
‘Ik had het nog zo gezegd,’ verweet Mama hem. ‘Ik had nog zo gezegd haar met Kerstmis niet allebei die boeken te geven. Maar heb je naar me geluisterd? Welnee. Natuurlijk niet!’
‘Ik weet het!’ Hij wendde zich stilletjes tot het meisje. ‘Het spijt me, Liesel. We hebben er gewoon geen geld voor.’
Liesel vond het niet erg. Ze klaagde niet en jammerde niet en stampvoeten deed ze ook niet. Ze slikte haar teleurstelling gewoon in en besloot een klein ingecalculeerd risico te nemen – een cadeau van zichzelf. Ze zou al haar brieven aan haar moeder verzamelen, ze in één envelop stoppen en een klein deel van het was- en strijkgeld gebruiken om die te posten. Daarna zou ze de Watschen in ontvangst nemen, waarschijnlijk in de keuken, zonder een kik te geven.
Drie dagen later bracht ze het plan ten uitvoer.
‘Er ontbreekt wat.’ Mama telde het geld voor de vierde keer, terwijl Liesel bij het fornuis stond. Het was er warm en haar snelstromende bloed leek te koken. ‘Wat is er gebeurd, Liesel?’
Ze loog. ‘Ze hebben me zeker minder gegeven dan anders.’
‘Heb je het nageteld?’
Ze brak. ‘Ik heb het uitgegeven, Mama.’
Rosa kwam dichterbij. Dat beloofde niet veel goeds. Ze kwam erg dicht bij de houten lepels. ‘Wat heb je gedaan?’
Voordat ze iets kon zeggen, daalde de houten lepel op Liesel Memingers lichaam neer als trappen van God. Rode plekken als voetafdrukken en ze gloeiden. Toen het voorbij was, keek het meisje op van de vloer en vertelde wat ze had gedaan.
Kloppende pijn en geel licht, allemaal tegelijk. Haar ogen knipperden. ‘Ik heb mijn brieven op de post gedaan.’
Wat ze toen voelde was de stoffigheid van de vloer, het gevoel dat haar kleren meer naast haar lagen dan om haar lichaam zaten en het plotselinge besef dat dit allemaal voor niets was – dat haar moeder haar nooit terug zou schrijven en dat zij haar nooit meer terug zou zien. Die realiteit bezorgde haar een tweede Watschen. Het deed pijn en het duurde een groot aantal minuten.
Boven haar, leek Rosa een beetje vaag, maar ze werd snel duidelijker toen haar verfrommelde gezicht dichterbij kwam. Met haar omvangrijke lichaam stond ze er verslagen bij, de houten pollepel als een knuppel langs haar zij. Ze stak haar hand uit en traande een beetje. ‘Het spijt me, Liesel.’
Liesel kende haar goed genoeg om te begrijpen dat ze het niet over het pak slaag had.
De rode striemen werden groter op haar huid, terwijl ze daar lag in het stof en het vuil en het schemerige licht. Haar ademhaling werd rustiger en er gleed een gelige traan over haar gezicht. Ze voelde haar lichaam tegen de vloer. Een onderarm, een knie. Een elleboog. Een wang. Een kuitspier.
De vloer was koud, vooral tegen haar wang, maar ze kon zich niet verroeren.
Ze zou haar moeder nooit meer zien.
Bijna een uur lang bleef ze languit onder de keukentafel liggen, totdat Papa thuiskwam en op de accordeon begon te spelen. Pas toen ging ze zitten en begon ze een beetje bij te komen.
Toen ze over die avond schreef, nam ze Rosa Hubermann, of haar eigen moeder, helemaal niets kwalijk. Wat haar betreft waren zij slechts slachtoffers van de omstandigheden. De enige gedachte die steeds maar bleef terugkomen was die gele traan. Als het donker was geweest, zo realiseerde zij zich, dan was die traan zwart geweest.
‘Maar het was donker,’ zei ze tegen zichzelf.
Hoe vaak ze zich het tafereel ook voor de geest trachtte te halen met het licht dat er moest zijn geweest, het kostte haar de grootste moeite zich er een beeld van te vormen. Ze was in het donker geslagen en ze was blijven liggen op een koude, donkere keukenvloer. Zelfs Papa’s muziek had de kleur van duisternis.
Zelfs Papa’s muziek.
Het vreemde was dat die gedachte haar eerder troostte dan van streek maakte.
Het donker, het licht.
Wat was het verschil?
In allebei hadden zich nachtmerries genesteld en langzaam maar zeker begon de boekendief echt te begrijpen hoe de dingen in elkaar zaten en hoe ze altijd zouden blijven. Ze kon zich nu in elk geval voorbereiden. Misschien dat ze daarom, ondanks haar verbijstering en woede, op de verjaardag van de Führer, toen het antwoord op de vraag wat er met haar moeder was gebeurd duidelijk werd, in staat was om te reageren.
Liesel Meminger was er klaar voor.
Hartelijk gefeliciteerd, Herr Hitler.