AANKOMST IN DE HIMMELSTRAAT
Die laatste keer.
Die rode lucht…
Hoe komt een boekendief daar terecht, knielend en huilend en omringd door een door mensenhanden gemaakte berg belachelijk, smerig, haastig op elkaar gesmeten puin?
Jaren eerder was sneeuw het begin.
Het was tijd. Voor één iemand.
EEN SPECTACULAIR
TRAGISCH
MOMENT
Een trein reed heel erg hard.
Hij was afgeladen met mensen.
In het derde rijtuig
stierf een jongetje van zes.
De boekendief en haar broertje waren op weg naar München, waar zij zouden worden overgedragen aan pleegouders. Inmiddels weten wij, natuurlijk, dat het jongetje het niet haalde.
HOE HET
GEBEURDE
Eerst was er een hevige
hoestbui.
Een bezielde hoestbui bijna.
En even later – niets.
Toen het hoesten ophield, was er niets anders meer dan het niets van leven dat verdergaat met een zacht geschuifel, of een bijna onhoorbaar rukje. Er verscheen iets gejaagds op zijn lippen, die een roestbruine kleur hadden en schilferden als oude verf. Hunkerend naar een schilderkwast.
Hun moeder sliep.
Ik kwam de trein binnen.
Mijn voeten stapten door het volle gangpad en even later lag mijn handpalm over zijn mond.
Niemand had het in de gaten.
De trein denderde verder.
Behalve het meisje.
Met één oog open en eentje nog half in een droom, zag de boekendief – ook wel bekend als Liesel Meminger – zonder enige twijfel dat haar jongere broertje Werner op zijn zij lag en dood was.
Zijn blauwe ogen staarden naar de vloer.
Zonder iets te zien.
Voordat zij wakker werd, had de boekendief zitten dromen over de Führer, Adolf Hitler. In de droom woonde zij een bijeenkomst bij waarop hij sprak en keek naar de schedelkleurige scheiding in zijn haar en het perfecte rechthoekje van zijn snor. Ze luisterde tevreden naar de stortvloed van woorden die uit zijn mond kwam. Zijn zinnen gloeiden in het licht. Op een rustiger moment hurkte hij zelfs neer en glimlachte naar haar. Zij lachte terug en zei: ‘Guten Tag, Herr Führer. Wie geht’s dir heut?’ Ze had niet zo goed leren praten en ook niet leren lezen, want ze kwam maar heel zelden op school. De reden daarvoor zou ze te zijner tijd ontdekken.
Net toen de Führer wilde antwoorden, werd ze wakker.
Het was januari 1939. Ze was negen jaar, bijna tien.
Haar broertje was dood.
Eén oog open.
Het ander nog in een droom.
Ik denk dat het beter is om je dromen af te maken, maar daar ga ik niet over.
Het tweede oog schrok wakker en ze betrapte me, dat weet ik zeker. Het was precies toen ik knielde en zijn ziel wegnam en slap in mijn sterke armen hield. Even later werd hij warmer, maar toen ik hem optilde, was de geest van de jongen zacht en koud, als roomijs. Hij begon te smelten in mijn armen. Daarna begon hij weer helemaal warm te worden. Te helen.
Voor Liesel Meminger was er de beperkende stijfheid van beweging, en de woeste stroom van gedachten. Es stimmt nicht. Dit gebeurt niet echt. Dit gebeurt niet echt.
En het schudden.
Waarom schudden ze hen altijd door elkaar?
Ja, ik weet het, ik weet het, het zal wel iets te maken hebben met instinct. De aanstormende werkelijkheid tegenhouden. Haar hart was op dat moment glibberig en heet, en het bonkte zo hard, zo hard zo hard.
Ik was zo stom om te blijven. En te kijken.
Toen, haar moeder.
Ze maakte haar wakker met datzelfde wanhopige geschud.
Als je het je niet kunt voorstellen, haal je dan een ongemakkelijke stilte voor de geest. Denk aan stukjes en beetjes zwevende wanhoop. En aan verdrinken in een trein.
Het sneeuwde al een hele tijd onafgebroken en de verbinding met München moest worden stilgelegd wegens defecten aan het spoor. Een vrouw jammerde. Naast haar stond een klein meisje verslagen voor zich uit te kijken.
In paniek opende de moeder de deur.
Met het kleine lichaampje in haar armen klom ze omlaag in de sneeuw.
Wat kon het meisje anders doen dan haar volgen?
Zoals ik je eerder al heb verteld, stapten er ook twee conducteurs uit de trein. Ze overlegden druk met elkaar wat hen te doen stond. De situatie was op z’n minst onverkwikkelijk te noemen. Uiteindelijk werd besloten dat zij met z’n drieën naar het volgende stadje zouden worden gebracht en het dan verder zelf maar moesten uitzoeken.
Ditmaal reed de trein met een slakkengangetje door het besneeuwde landschap.
Hij hobbelde het stadje binnen en kwam tot stilstand.
Zij stapten op het perron, het lichaam in de armen van de moeder.
Zo bleven ze staan.
De jongen begon zwaar te worden.
Liesel had geen idee waar ze was. Alles was wit, en terwijl ze op het perron stonden kon ze alleen maar kijken naar de verbleekte letters van het bord voor haar. Voor Liesel was het plaatsje naamloos en precies daar werd haar broertje Werner twee dagen later begraven. Onder de getuigen bevonden zich een priester en twee rillende doodgravers.
EEN
OBSERVATIE
Een paar treinconducteurs.
Een paar doodgravers.
Wanneer het erop aankwam, had de één
het voor het zeggen. De ander deed
wat hem werd opgedragen.
De vraag is: wat als de ander
veel meer is dan één?
Vergissingen, vergissingen, soms lijkt het alsof ik tot niets anders in staat ben.
Twee dagen lang deed ik gewoon mijn dagelijks werk. Ik reisde net als altijd de wereld rond, en deponeerde zielen op de lopende band van de eeuwigheid. Ik zag ze lijdzaam wegrollen. Ik hield mezelf verschillende keren voor dat ik me verre moest houden van de begrafenis van Liesel Memingers broertje. Ik sloeg mijn eigen advies in de wind.
Toen ik dichterbij kwam, zag ik al van kilometers ver het kleine groepje mensen kleumend in het besneeuwde landschap staan. Het kerkhof verwelkomde mij als een vriend en al snel voegde ik me bij hen. Ik boog mijn hoofd.
Links van Liesel stonden de doodgravers zich in hun handen te wrijven en te klagen over de sneeuw en de graafomstandigheden. ‘Het valt niet mee om door al dat ijs heen te komen’, en meer van die dingen. Een van hen kon niet ouder zijn geweest dan een jaar of veertien. Een leerling. Toen hij wegliep viel er zonder dat hij het merkte een zwart boekje uit zijn jaszak. Hij had misschien twintig passen gedaan.
Een paar minuten later maakte Liesels moeder samen met de priester aanstalten om te vertrekken. Ze bedankte hem voor de manier waarop hij de plechtigheid had geleid.
Het meisje bleef achter.
Haar knieën raakten de grond. Haar moment was gekomen.
Nog steeds vol ongeloof begon zij te graven. Hij kon niet dood zijn. Hij kon niet dood zijn. Hij kon niet –
Binnen een paar tellen sneed de sneeuw in haar huid.
Haar handen waren bedekt met bevroren bloed.
Ergens in al die sneeuw zag zij haar gebroken hart liggen, in twee stukken. Elke helft gloeide en klopte onder al dat wit. Ze merkte pas dat haar moeder was teruggekomen om haar te halen toen zij de harde aanraking van een magere hand op haar schouder voelde. Ze werd meegesleurd. Haar keel vulde zich met een warme schreeuw.
EEN TAFEREELTJE ,
MISSCHIEN
TWINTIG METER
VERDEROP
Toen het sleuren achter de rug was,
bleven
de moeder en het meisje hijgend staan.
Er lag iets zwarts en
rechthoekigs in de sneeuw.
Alleen het meisje zag het.
Ze bukte zich en raapte het op
en hield het stevig in haar vingers.
Er stonden zilveren letters op het boek.
Zij hielden elkaars hand vast.
Na een laatste, betraand vaarwel, draaiden zij zich om en liepen weg, waarna zij nog een aantal keren omkeken.
En ik, ik bleef nog even staan.
Ik zwaaide.
Er zwaaide niemand terug.
Moeder en dochter verlieten het kerkhof en gingen op weg om op de eerstvolgende trein naar München te stappen.
Beiden waren mager en bleek.
Beiden hadden zweren op hun lippen.
Dat zag Liesel in de beslagen ramen van de trein waar zij vlak voor de middag in stapten. In de geschreven woorden van de boekendief zelf, ging de reis verder alsof er alles was gebeurd.
Toen de trein op de Bahnhof van München was aangekomen, glipten de passagiers eruit als uit een opengescheurd pakketje. Het waren mensen van alle rangen en standen, maar onder hen waren de armen het gemakkelijkst herkenbaar. Arme mensen proberen altijd in beweging te blijven, alsof dat iets zou helpen. Zij negeren de werkelijkheid dat hun aan het einde van de reis altijd weer een nieuwe versie van hetzelfde oude probleem wacht – zoals het familielid van wie je de kriebels krijgt omdat hij of zij je altijd wil kussen.
Ik denk dat haar moeder dit heel goed wist. Ze leverde haar kinderen niet af in de hogere kringen van München, maar kennelijk was er toch een pleeggezin gevonden en die nieuwe familie kon het meisje en de jongen op z’n minst beter te eten geven en een fatsoenlijke opleiding bieden.
De jongen.
Liesel wist zeker dat haar moeder de herinnering aan hem over haar schouder met zich meedroeg. Ze liet hem vallen. Ze zag zijn voeten en benen en lichaam slap op het perron vallen.
Hoe kon zij lopen?
Hoe kon zij bewegen?
Dat is een van de dingen die ik nooit zal weten, of begrijpen – waartoe mensen in staat zijn.
Ze raapte hem op en liep verder, met het meisje aan haar zij.
Vervolgens waren er de autoriteiten en staken vragen over hun late aankomst en de jongen hun kwetsbare kop op. Liesel bleef in een hoekje van het kleine, stoffige kantoortje zitten, terwijl haar moeder met beklemmende gedachten op een heel harde stoel zat.
Daarna volgde de chaos van het afscheid.
Het meisje begroef haar hoofd in de zachte, versleten plooien van haar moeders jas. Er werd weer wat gesleurd.
Een behoorlijk eind buiten München lag het stadje Molching, wat door jou en mij maar het beste kan worden uitgesproken als ‘Molking’. Daar namen ze haar mee naartoe, naar een straat die Himmel heette.
EEN VERTALING
Himmel = Hemel
Degene die de Himmelstraat zijn naam had gegeven was beslist in het bezit geweest van een gezond gevoel voor ironie. Niet dat het nu zo’n hel op aarde was. Dat was het niet. Maar, hel en verdoemenis, de hemel was het ook niet.
Maar goed, hier wachtten Liesels pleegouders op haar.
De Hubermanns.
Zij hadden een meisje en een jongen verwacht en zouden een kleine toelage krijgen om hen onderdak te bieden. Niemand wilde degene zijn die Rosa Hubermann moest vertellen dat de jongen de reis niet had overleefd. Sterker nog, niemand wilde haar eigenlijk ooit ook maar iets vertellen. Zij bezat bepaald geen benijdenswaardig karakter, hoewel zij een goede reputatie had met pleegkinderen. Ze scheen er wel een paar op het rechte spoor te hebben gezet.
Voor Liesel was het een ritje in een auto.
Ze had nog nooit in een auto gezeten.
Wat ze voelde was haar maag die aan één stuk door op en neer ging en de ijdele hoop dat zij zouden verdwalen of van gedachten zouden veranderen. En te midden van dit alles gingen haar gedachten steeds weer naar haar moeder, die nu op de Bahnhof zat te wachten om weer te vertrekken. Rillend. Zo diep mogelijk weggedoken in die nutteloze jas. Waarschijnlijk zat ze nu nagelbijtend op de trein te wachten. Het perron was lang en oncomfortabel – een plak koud cement. Zou zij op de terugreis uitkijken naar de plek waar haar zoon ongeveer begraven lag? Of zou de slaap haar overmannen?
De auto reed verder en Liesel zag met angst en beven uit naar de allerlaatste, dodelijke bocht.
De dag was grijs, de kleur van Europa.
De wagen werd omgeven door gordijnen van regen.
‘We zijn er bijna.’ De dame van de pleegzorg, Frau Heinrich, draaide zich glimlachend naar haar om. ‘Dein neues Heim. Je nieuwe thuis.’
Liesel veegde een kringetje schoon op het natte raam en keek naar buiten.
EEN FOTO VAN DE
HIMMELSTRAAT
De gebouwen lijken
aan elkaar geplakte, voornamelijk kleine
huizen en appartementenblokken die er
nerveus uitzien. Er ligt een tapijt
van vieze sneeuw. Verder zie je beton,
kale kapstokbomen,
en grijze lucht.
Er zat ook een man in de auto. Hij bleef bij het meisje terwijl Frau Heinrich naar binnen verdween. Hij sprak geen woord. Liesel nam aan dat hij er was om ervoor te zorgen dat zij niet zou weglopen, of haar te dwingen mee naar binnen te gaan als ze zich verzette. Later echter, toen de problemen echt begonnen, bleef hij gewoon zitten toekijken. Misschien was hij het laatste redmiddel, de ultieme oplossing.
Na enkele minuten kwam er een lange man naar buiten. Hans Hubermann, Liesels pleegvader. Aan zijn ene kant liep Frau Heinrich, die van gemiddelde lengte was. Aan zijn andere kant liep de gedrongen gestalte van Rosa Hubermann, die eruitzag als een kleine kleerkast waar een jas overheen was gegooid. Haar loop had iets waggelends. Je zou het bijna schattig noemen, maar dan moest je niet naar haar gezicht kijken, dat nog het meest leek op verfrommeld karton en dat verstoord keek, alsof ze het allemaal maar net tolereerde. Haar man liep kaarsrecht, met een smeulende sigaret tussen zijn vingers. Hij rolde ze zelf.
Wat er gebeurde was dit:
Liesel weigerde de auto uit te komen.
‘Was ist los mit diesem Kind?’ informeerde Rosa Hubermann. Ze zei het nog eens. ‘Wat mankeert dat kind?’ Ze stak haar gezicht in de auto en zei: ‘Na, komm. Komm.’
De voorste stoel werd naar voren geklapt. Een gang van kil licht nodigde haar uit om uit te stappen. Ze verroerde zich niet.
Door de cirkel die zij op het raampje had gemaakt, kon Liesel naar buiten kijken en zag zij dat de vingers van de lange man nog steeds de sigaret vasthielden. De askegel begon te wiebelen en wankelde nog even alvorens op de grond te vallen. Het duurde een kwartier voordat ze haar over konden halen om uit de auto te komen. Het was de lange man die haar zover kreeg.
Heel rustig.
Vervolgens was er het hek, waaraan zij zich vastklemde.
Een stortvloed van tranen maakte zich los uit haar ogen terwijl zij zich stevig vasthield en weigerde naar binnen te gaan. Op straat bleven mensen staan kijken, totdat Rosa Hubermann ze begon uit te schelden, waarna ze snel terugkeerden in de richting waaruit ze gekomen waren.
EN VERTALING
VAN
ROSA HUBERMANNS
MEDEDELING
‘Waar staan jullie nou naar te kijken,
stelletje hufters?’
Uiteindelijk liep Liesel Meminger heel voorzichtig naar binnen. Hans Hubermann hield haar ene hand vast. Haar kleine koffertje de andere. Begraven tussen de opgevouwen kleding in dat koffertje lag een klein, zwart boekje waar een veertienjarige doodgraver in een naamloos stadje misschien al uren naar had lopen zoeken. ‘Eerlijk waar,’ stel ik me zo voor dat hij tegen zijn baas zegt, ‘ik heb geen idee wat ermee is gebeurd. Ik heb overal gezocht. Overal!’ Ik weet zeker dat hij het meisje nooit zal hebben verdacht, en toch lag het daar – een zwart boekje met zilveren letters erop, tegen het plafond van haar kleren.
HET
DOODGRAVERSHANDBOEK
Een handleiding in twaalf stappen
naar succesvol doodgraven
Uitgegeven door de Beierse Kerkhof Associatie
De boekendief had voor de eerste keer toegeslagen – het begin van een illustere carrière.