DE PAKKENCOLLECTIE VAN DE ANARCHIST

HIMMELSTRAAT 35, 24 DECEMBER

In de afwezigheid van twee vaders,
hebben de Steiners Rosa
en Trudy Hubermann uitgenodigd, en Liesel.
Wanneer zij arriveren, is Rudy nog druk
bezig zijn kleren te rechtvaardigen.
Hij kijkt naar Liesel en zijn mond valt open,

hoewel, een heel klein beetje maar.

In de dagen voorafgaand aan Kerstmis 1942 viel er een dik pak sneeuw. Liesel nam De Woordschudder een heleboel keer achter elkaar door, van het verhaal zelf tot de vele schetsen en begeleidende commentaren. Op kerstavond nam zij een beslissing over Rudy. Het kon haar niet schelen dat ze te laat was.

Vlak voordat het donker werd liep ze naar de buren en vertelde hem dat ze een cadeau voor hem had, voor kerst.

Rudy keek naar haar handen en voeten. ‘Nou, waar dan?’

‘Vergeet het ook maar.’

Maar Rudy wist het. Hij had haar al eerder zo gezien. Gevaarlijke ogen en kleverige vingers. Haar hele wezen ademde stelen uit en hij kon het ruiken. ‘Dat cadeau,’ zei hij voorzichtig. ‘Dat heb je nog niet, hè?’

‘Nee.’

‘En je gaat het ook niet kopen.’

‘Natuurlijk niet. Denk je soms dat ik geld heb?’ Het sneeuwde nog steeds. Aan de rand van het gras lag het ijs als gebroken glas. ‘Heb jij de sleutel?’, vroeg ze.

‘De sleutel waarvan?’, maar Rudy deed er niet lang over om te begrijpen wat ze bedoelde. Hij ging naar binnen en even later was hij alweer terug. In de woorden van Viktor Chemmel zei hij: ‘De hoogste tijd om te gaan winkelen.’

Het werd nu snel donker en met uitzondering van de kerk, ging heel de Münchenstraat dicht voor de kerst. Liesel moest snel lopen om de grotere passen van haar buurman bij te kunnen houden. Ze arriveerden bij de beoogde etalage. STEINER – SCHNEIDERMEISTER. Er zat een dun laagje modder en vuil op de ruit dat er de afgelopen weken tegenaan was gewaaid. Aan de andere kant stonden de etalagepoppen er als getuigen bij. Ze zagen er heel ernstig en belachelijk modieus uit. Je kon het gevoel bijna niet van je afzetten dat ze alles in de gaten hielden.

Rudy stak zijn hand in zijn zak.

Het was kerstavond.

Zijn vader was ergens in de buurt van Wenen.

Rudy dacht niet dat hij het erg zou vinden als ze zijn geliefde winkel binnengingen. De omstandigheden lieten hem geen keus.

De deur ging gemakkelijk open en zij gingen naar binnen. Rudy wilde automatisch het licht aandoen, maar de elektriciteit was al afgesneden.

‘Zijn er kaarsen?’

Rudy keek haar geërgerd aan. ‘Ik heb de sleutel meegenomen. En trouwens, dit was jouw idee.’

Midden in hun woordenwisseling struikelde Liesel over een hobbel in de vloer. Samen met een etalagepop viel zij op de grond. Hij greep haar bij de arm en viel in zijn kleren boven op haar uit elkaar. ‘Haal dat ding van me af!’ Hij lag in vier stukken. Het bovenlichaam met hoofd, de benen en twee afzonderlijke armen. Toen ze er onderuit was, stond Liesel op en zei puffend: ‘Jezus, Maria.’

Rudy pakte een van de armen en tikte met de hand op haar schouder. Toen ze zich geschrokken omdraaide, stak hij hem haar vriendschappelijk toe. ‘Aangenaam kennis met je te maken.’

Een paar minuten lang liepen zij langzaam door de smalle gangpaden van de winkel. Rudy probeerde in het donker de toonbank te vinden. Toen hij over een lege doos viel, gaf hij een gil en vloekte, waarna hij weer terugkwam naar de ingang. ‘Dit slaat nergens op,’ zei hij. ‘Wacht hier maar even.’ Liesel bleef, met de arm van de etalagepop in haar hand, op de grond zitten tot hij terugkwam met een brandende lantaarn uit de kerk.

Zijn gezicht werd omringd door een cirkel van licht.

‘Nou, waar is dat cadeau waarover je zo hebt lopen opscheppen? Als het maar niet een van die enge etalagepoppen is.’

‘Kom eens hier met dat licht.’

Toen hij naar de linkerkant van de winkel was gekomen, pakte Liesel met één hand de lantaarn en zocht met haar andere hand tussen de hangende pakken. Ze trok er een te voorschijn, maar verruilde het meteen voor een ander. ‘Nee, nog steeds te groot.’ Na nog twee pogingen hield ze Rudy een marineblauw kostuum voor. ‘Is dit ongeveer jouw maat?’

Terwijl Liesel in het donker zat te wachten, paste Rudy achter een van de gordijnen het pak. Een klein cirkeltje licht toonde een schaduw die zichzelf stond aan te kleden.

Toen hij terugkwam, hield hij de lantaarn voor zich zodat Liesel hem kon zien. Bevrijd van het gordijn, scheen het licht vrijelijk over het verfijnde kostuum. Ook verlichtte het het vuile overhemd eronder, en Rudy’s afgetrapte schoenen.

‘Nou?’ vroeg hij.

Liesel bekeek hem van top tot teen. Ze liep om hem heen en haalde haar schouders op. ‘Niet slecht.’

‘Niet slecht! Ik zie er aanzienlijk beter uit dan niet slecht.’

‘Het is jammer van de schoenen. En je gezicht.’

Rudy zette de lantaarn op de toonbank en kwam met gespeelde boosheid op haar af en Liesel moest eerlijk toegeven dat ze toch een beetje nerveus begon te worden. Het was zowel een opluchting als een teleurstelling toen ze hem over de kapotte etalagepop zag struikelen en vallen.

Op de grond liggend begon Rudy te lachen.

Toen kneep hij opeens zijn ogen heel stijf dicht.

Liesel rende naar hem toe.

Ze hurkte bij hem neer.

Kus hem, Liesel, kus hem.

‘Gaat het wel, Rudy? Rudy?’

‘Ik mis hem,’ zei de jongen, met zijn gezicht half afgewend, naar de vloer.

‘Frohe Weihnachten,’ antwoordde Liesel. Ze hielp hem overeind en trok zijn pak recht. ‘Vrolijk kerstfeest.’