EEN KORTE GESCHIEDENIS VAN
DE JOODSE VUISTVECHTER

Max Vandenburg was geboren in 1916.

Hij groeide op in Stuttgart.

In zijn jonge jaren was hij dol op een goed vuistgevecht.

Hij had zijn eerste gevecht toen hij elf was en zo mager als een bezemsteel.

Wenzel Gruber.

Daar vocht hij mee.

Hij had een brutale mond, dat Gruberjoch, en dikke krullen. De plaatselijke speelplaats vond dat ze moesten vechten en geen van beide jongens bracht daar iets tegenin.

Ze vochten als kampioenen.

Heel even.

Net toen het interessant begon te worden, werden beide jongens in hun kraag gevat en weggesleurd. Een oplettende ouder.

Er droop een straaltje bloed uit Max’ mond.

Hij proefde het en het smaakte goed.

Niet veel mensen die uit deze buurt kwamen waren vechtersbazen, en als ze al vochten, deden ze het niet met hun vuisten. In die tijd zeiden ze dat joden liever zonder hun hand op te heffen bleven staan. Dat ze alles gelaten over zich heen lieten komen, om zich vervolgens weer terug te vechten naar de top. Kennelijk is niet elke jood hetzelfde.

Hij was bijna twee toen zijn vader stierf, ergens op een heuvel aan flarden geschoten.

Toen hij negen was, zat zijn moeder volledig aan de grond. Ze verkocht de muziekstudio die tevens dienstdeed als hun woning en ze verhuisden naar het huis van zijn oom. Daar groeide hij op met zes neven die hem aframmelden, pestten en van hem hielden. Het vuistvechten leerde hij van zijn knokpartijen met Isaac, de oudste van het stel. Hij kreeg bijna elke avond een pak slaag.

Op zijn dertiende sloeg het noodlot opnieuw toe toen zijn oom overleed.

Zijn oom was geen heethoofd zoals Max. Hij was het type man dat onopvallend zijn werk deed en weinig verdiende. Hij was geen rijk man. Hij eigende zich niet toe wat eigenlijk van een ander was – en hij stierf aan iets dat in zijn maag groeide. Een soort giftige bowlingbal. Zoals wel vaker gebeurt, stond de familie om het bed en keek toe hoe hij zich overgaf.

Naast al dat verdriet en verlies voelde Max Vandenburg, die nu een tiener was met harde handen, blauwe ogen en een zere tand, op de een of andere manier ook een soort teleurstelling. Hij was zelfs een beetje boos. Toen hij zijn oom langzaam weg zag zakken in het bed, nam hij zich voor dat hij nooit op die manier zou sterven.

Het gezicht van de man leek zo berustend.

Zo gelig en kalm, ondanks de hoekige architectuur van zijn schedel –

De eindeloze kaaklijn, die zich kilometers ver uitstrekte, de uitstekende jukbeenderen en de diep weggezonken ogen. Zo kalm dat de jongen hem wel iets had willen vragen.

Waar is de vechtlust? vroeg hij zich af.

Waar is de wil om door te knokken?

Natuurlijk sloeg hij met zijn dertien jaar een beetje door in zijn harde oordeel. Hij had nog nooit zoiets als mij in de ogen gekeken. Nog niet.

Samen met de anderen stond hij om het bed en zag de man sterven – een veilige overgang, van leven naar dood. Het licht in het raam was grijs en oranje, de kleur van een zomerhuid, en zijn oom leek opgelucht toen zijn ademhaling er helemaal mee ophield.

‘Wanneer de dood mij komt halen,’ nam de jongen zich voor, ‘zal hij mijn vuist op zijn gezicht voelen.’

Persoonlijk bevalt mij dat wel. Zoveel domme bravoure.

Ja.

Daar houd ik wel van.

Vanaf dat moment begon hij met grotere regelmaat te vechten. Een groepje stoere vrienden en vijanden kwam vaak bijeen in een klein plantsoen in de Steberstraat, en daar vochten ze dan in de schemering. Archetypische Duitsers, een enkele jood, de jongens uit het oosten. Het maakte niet uit. Niets zo goed als een stevige knokpartij om jeugdige energie kwijt te raken. Zelfs de vijanden waren bijna vrienden.

Hij hield van de dichte kringen omstanders en het onbekende.

De bitterzoetheid van onzekerheid:

Winnen of verliezen.

Het was een onderbuikgevoel dat zich net zo lang roerde tot hij dacht dat hij het niet meer uithield. De enige remedie was eropuit gaan en klappen uitdelen. Max was niet het type jongen die te lang over de dingen nadacht.

Zijn favoriete gevecht was, nu hij erop terugkeek, gevecht nummer vijf tegen een lange, taaie, knokige knul, Walter Kugler genaamd. Ze waren vijftien. Walter had alle vier hun eerdere gevechten gewonnen, maar deze keer voelde Max iets anders. Er stroomde nieuw bloed door zijn aderen – het bloed van de overwinning – en dat was zowel angstaanjagend als opwindend.

Zoals altijd verdrong een klein kringetje jongelui zich om hen heen. Een brede lach leek vastgezet op de gezichten van de omstanders. Zij klemden geld in hun smerige vingers en het geschreeuw en gejoel bezat zoveel levenskracht dat er niets anders was dan dit.

God, zoveel vreugde en angst als daar heerste, zoveel stralende drukte.

De twee vechters gingen op in de intensiteit van het ogenblik, hun gezichten een en al overdreven gespannen expressie. Grote ogen van concentratie.

Na elkaar een minuutje of zo te hebben afgetast, begonnen zij dichterbij te komen en meer risico’s te nemen. Het was per slot van rekening een straatgevecht, geen titelgevecht van een uur. Ze hadden niet de hele dag de tijd.

‘Kom op, Max!’ riep een van zijn vrienden. Hij haalde geen enkele keer adem tussen de woorden. ‘Kom op, Maxi-Taxi, nu heb je hem, je hebt hem, jodenjongen, je hebt hem, je hebt hem!’

Max was een klein jochie met zachte krullen, een gehavende neus en omfloerste ogen en al met al een kop kleiner dan zijn tegenstander. Zijn manier van vechten was absoluut zonder enige gratie. Helemaal voorovergebogen, kwam hij behoedzaam naar voren en deelde snelle stoten uit naar het gezicht van Kugler. De andere jongen, duidelijk sterker en geoefender, bleef rechtop staan en liet zijn slagen aan één stuk door neerregenen op Max’ wangen en kin.

Max bleef komen.

Ondanks alle klappen die hij moest incasseren, bleef hij naar voren komen. Zijn lippen waren rood van het bloed. Straks zou het opdrogen op zijn tanden.

Er ging een enorm gebrul op toen hij werd neergeslagen. Er werd al bijna geld uitgewisseld.

Max stond op.

Hij werd nog een keer tegen de grond geslagen voordat hij van tactiek veranderde en Walter Kugler iets dichterbij lokte dan hij eigenlijk had willen komen. Ogenblikkelijk gaf Max hem een korte, scherpe stomp in zijn gezicht. Die zat. Boven op zijn neus.

Kugler, plotseling verblind, schuifelde achteruit en Max greep zijn kans. Hij volgde hem naar rechts, stompte hem nog een keer en opende zijn dekking met een stoot op zijn ribben. De rechtse die hem de das om deed belandde op zijn kin. Walter Kugler lag op de grond, zijn blonde haar grijs van het zand. Zijn benen lagen gespreid in een V. Tranen van kristal vloeiden over zijn huid, hoewel hij niet huilde. De tranen waren uit zijn lijf geslagen.

De kring telde.

Ze telden altijd, voor het geval dat. Stemmen en getallen.

Na een gevecht was het de gewoonte dat de verliezer de hand van de winnaar omhooghield. Toen Kugler eindelijk opstond, liep hij naar Max Vandenburg toe en tilde zijn arm in de lucht.

‘Bedankt,’ zei Max tegen hem.

Kugler gaf hem een waarschuwing. ‘De volgende keer maak ik je af.’

In de daaropvolgende paar jaar vochten Max Vandenburg en Walter Kugler alles bij elkaar nog dertien keer tegen elkaar. Walter was altijd op wraak uit voor die allereerste overwinning die Max op hem had behaald, en Max wilde dat glorieuze moment evenaren. Uiteindelijk kwam de stand op 10-3 voor Walter te staan.

Ze bleven tegen elkaar vechten tot 1933, toen ze zeventien waren. Schoorvoetend respect veranderde in oprechte vriendschap en zij verloren allebei de drang om te vechten. Ze hadden allebei een baan, totdat Max in ’35 samen met de rest van de joden de zak kreeg bij de Jederman Machinefabriek. Dat gebeurde niet lang nadat de Neurenberger Wetten van kracht werden, die het joden verbood om Duits staatsburger te zijn en Duitsers en joden verbood met elkaar te trouwen.

‘Jezus,’ zei Walter op een avond toen ze elkaar tegenkwamen op de kleine hoek waar ze vroeger altijd vochten. ‘Dat waren nog eens tijden, hè? Toen had je al die onzin nog niet.’ Hij sloeg met zijn vlakke hand tegen de ster op Max’ mouw. ‘Zo zouden we nu niet meer kunnen vechten.’

Max was het niet met hem eens. ‘Natuurlijk wel. Je mag niet met een jood trouwen, maar er is geen wet die verbiedt dat je met hem vecht.’

Walter lachte. ‘Er zal eerder een wet zijn die je ervoor beloont – zolang je tenminste wint.’

De paar jaar die hierop volgden zagen zij elkaar hooguit sporadisch. Samen met de rest van de joden werd Max steevast afgewezen en herhaaldelijk vertrapt, terwijl Walter helemaal opging in zijn werk bij een drukkerij.

Als je iemand bent die zich voor zulke zaken interesseert, ja, er waren in die jaren een paar meisjes. De één heette Tania, de ander Hildi. Met geen van beiden werd het echt wat. Er was gewoon niet voldoende tijd, hetgeen waarschijnlijk te wijten was aan de onzekerheid en de toenemende druk. Max was voortdurend op zoek naar werk. Wat had hij die meisjes te bieden? Tegen de tijd dat 1938 aanbrak was het moeilijk je voor te stellen dat het leven nog zwaarder kon worden.

Toen werd het 9 november. Kristallnacht. De nacht van het gebroken glas.

Het was de gebeurtenis die het einde betekende voor zovelen van zijn medejoden, maar voor Max Vandenburg bleek het zijn moment van ontsnapping. Hij was tweeëntwintig jaar oud.

Op het moment dat veel joodse winkels verwoest en geplunderd werden, werd er op de deur van de flat gebonkt. Max zat samen met zijn tante, zijn moeder, zijn neven en nichten en hun kinderen in de woonkamer.

‘Aufmachen!’

De familieleden keken elkaar aan. De verleiding was groot om de andere kamers in te vluchten, maar angst is iets heel vreemds. Ze konden zich niet verroeren.

Nog een keer. ‘Doe open!’

Isaac stond op en liep naar de deur. Het hout gonsde nog na van de klappen die het zojuist had gekregen. Hij keek over zijn schouder naar de doodsbange gezichten, draaide de sleutel om en opende de deur.

Zoals hij al had verwacht, was het een nazi. In uniform.

‘Nooit.’

Dat was Max’ eerste reactie.

Hij klemde zijn moeders hand vast, en die van Sarah, de nicht die het dichtst bij hem zat. ‘Ik ga niet weg. Als we niet allemaal weg kunnen, ga ik ook niet.’

Hij loog.

Toen hij door de rest van zijn familie de kamer werd uitgeduwd, maakte een bijna obscene opluchting zich van hem meester. Het was iets wat hij niet wilde voelen, maar niettemin voelde hij het zo heftig dat hij er kotsmisselijk van werd. Hoe kon hij? Hoe kon hij?

Maar het was zo.

‘Niets meenemen,’ zei Walter tegen hem. ‘Alleen wat je aanhebt. Ik zorg wel voor de rest.’

‘Max.’ het was zijn moeder.

Uit een lade haalde ze een oud stukje papier en stak dat in zijn jaszak. ‘Als je ooit…’ Ze pakte hem een laatste keer vast, bij de ellebogen. ‘Dit zou wel eens je laatste hoop kunnen zijn.’

Hij keek in haar ouder wordende gezicht en kuste haar, heel hard, op de lippen.

‘Kom.’ Walter stond aan hem te trekken, terwijl de rest van de familie afscheid nam en hem nog wat geld en kostbaarheden toestopte. ‘Het is één grote chaos daarbuiten, en dat is precies wat we nodig hebben.’

Ze vertrokken, zonder nog achterom te kijken.

Het kwelde hem.

Had hij bij het verlaten van de flat nog maar één keer achteromgekeken naar zijn familie. Misschien was het schuldgevoel dan minder erg geweest. Geen laatste groet.

Geen laatste blik in elkaars ogen.

Niets dan verlorenheid.

De volgende twee jaar hield hij zich verborgen in een lege opslagruimte. Het was in een gebouw waar Walter vroeger had gewerkt. Er was heel weinig te eten. Er was heel veel argwaan. De paar overgebleven joden met geld emigreerden. De joden zonder geld probeerden dat ook, maar zonder veel succes. De familie van Max behoorde tot deze laatste categorie. Walter ging af en toe zo onopvallend mogelijk bij hen langs om te kijken hoe het met hen ging. Toen hij op een middag bij hen aanbelde, werd de deur door iemand anders opengedaan.

Toen Max het nieuws hoorde, leek het alsof zijn hele lichaam ineen werd gefrommeld tot een bal, als een bladzijde vol fouten. Als afval.

En toch slaagde hij er elke dag weer in zichzelf bij elkaar te rapen en glad te strijken, vol afschuw en dankbaarheid. Kapot, maar op de een of andere manier niet gebroken.

Halverwege 1939, toen hij iets meer dan een halfjaar ondergedoken zat, besloten zij dat er nieuwe actie moest worden ondernomen. Ze bestudeerden het velletje papier dat Max’ moeder in zijn zak had gestopt toen hij zijn familie in de steek had gelaten. Jazeker – in de steek had gelaten, niet ontsnapt. Dat was hoe hij het zag, ondanks zijn groteske opluchting. Wij weten al wat er op dat velletje papier geschreven stond:

EEN NAAM, EEN ADRES

Hans Hubermann
Himmelstrasse 33, Molching.

‘Het wordt steeds erger,’ zei Walter tegen Max. ‘Ze kunnen ons nu elk moment vinden.’ Ze zaten met opgetrokken schouders in het donker. ‘Er kan van alles gebeuren. Ze kunnen mij oppakken. Misschien moeten we hier gebruik van maken… Ik durf niemand hier om hulp te vragen. Dan geven ze me misschien wel aan.’ Er was maar één oplossing. ‘Ik ga er naartoe om die man te zoeken. Als hij een nazi is – wat heel waarschijnlijk is – dan maak ik meteen rechtsomkeert. Maar dan weten we tenminste waar we aan toe zijn, richtig?’

Max gaf hem zijn allerlaatste geld om de reis te kunnen maken en toen Walter een paar dagen later terugkwam, omhelsden zij elkaar voordat Max zijn adem inhield. ‘En?’

Walter knikte. ‘Hij is oké. Hij speelt nog steeds op die accordeon waarover je moeder je heeft verteld – die van je vader. Hij is geen lid van de Partij. Hij heeft me geld gegeven.’ Vooralsnog was Hans Hubermann niet meer dan een opsomming. ‘Hij is vrij arm, hij is getrouwd en er is een kind.’

Dit wekte Max’ belangstelling. ‘Hoe oud?’

‘Tien. Je kunt niet alles hebben.’

‘Ja. Kinderen hebben moeite om hun mond te houden.’

‘We mogen toch nog van geluk spreken.’

Ze bleven een tijdje zwijgend bij elkaar zitten. Het was Max die de stilte verbrak.

‘Hij heeft zeker nu al een hekel aan me?’

‘Dat denk ik niet. Hij heeft me immers geld gegeven? Hij zei dat belofte schuld maakt.’

Een week later kwam er een brief. Hans liet Walter Kugler weten dat hij zijn best zou doen hen zoveel mogelijk dingen te sturen die van pas zouden komen. Er zat een plattegrond bij van Molching en München en een beschrijving van een rechtstreekse route vanuit Pasing (het meest betrouwbare treinstation) naar zijn voordeur. De laatste woorden van zijn brief lagen voor de hand.

Wees voorzichtig.

Half mei 1940 werd Mein Kampf bezorgd, met een sleutel aan de binnenkant van de kaft geplakt.

De man is een genie, vond Max, maar hij kon nog steeds een huivering niet onderdrukken wanneer hij eraan dacht naar München te moeten reizen. Het sprak vanzelf dat hij, net als alle andere betrokken partijen, de reis het liefste niet wilde maken.

Maar je wensen worden nu eenmaal niet altijd vervuld.

Vooral niet in nazi-Duitsland.

Er verstreek weer wat tijd.

De oorlog breidde zich uit.

Max bleef zich, ditmaal in een andere lege ruimte, verbergen voor de buitenwereld.

Tot het onvermijdelijke gebeurde.

Walter kreeg te horen dat hij naar Polen werd gestuurd, om de Duitse overheersing over zowel de Polen als de joden te handhaven. Het ene volk was niet veel beter dan het andere. Het was tijd.

Het was tijd en Max reisde naar München en Molching en nu zat hij bij een volslagen onbekende in de keuken, vragend om de hulp die hij ontbeerde en huiverend onder de afkeuring die hij naar zijn gevoel verdiende.

Hans Hubermann gaf hem een hand en stelde zich voor.

Hij zette in het donker koffie voor hem.

Het meisje was al een hele tijd weg, maar nu naderden er andere voetstappen. De joker.

In de duisternis waren zij alle drie volledig geïsoleerd. Ze staarden. Alleen de vrouw sprak.