DE GEDACHTE AAN EEN NAAKTE RUDY

Er was een vrouw geweest.

Ze had in de hoek gestaan.

Ze had de dikste vlecht die hij ooit had gezien. Hij hing op haar rug en af en toe, wanneer ze hem over haar schouder trok, lag hij als een overvoed huisdier tegen haar kolossale borst. Alles aan haar was sterk vergroot. Haar lippen, haar benen. Haar volle mond met tanden. Ze had een harde, gebiedende stem. Geen tijd te verliezen. ‘Komm,’ zei ze tegen hen. ‘Kom hier staan.’

Vergeleken bij haar leek de dokter op een kalend knaagdier. Hij was klein en beweeglijk en liep met zijn drukke maar efficiënte bewegingen en maniertjes door het kantoortje van de school. En hij was verkouden.

Van de drie jongens was het moeilijk te bepalen wie de grootste problemen zou hebben om zijn kleren uit te trekken wanneer hij daar opdracht toe kreeg. De eerste keek van de een naar de ander, van de al wat oudere leraar naar de reusachtige verpleegster naar het kleine doktertje. De jongen in het midden keek alleen maar naar zijn voeten en de jongen links telde zijn zegeningen dat hij hier in dit kantoortje op school stond en niet ergens in een donker steegje. De zuster, vond Rudy, was angstaanjagend.

‘Wie eerst?’ vroeg ze.

Het was de leraar, Herr Heckenstaller, die antwoordde. Hij was meer een zwart pak dan een man. Zijn gezicht was een snor. Hij keek nog eens goed naar de jongens en maakte een keuze.

‘Schwarz.’

De ongelukkige Jürgen Schwarz trok met grote tegenzin zijn uniform uit. Uiteindelijk stond hij alleen nog in zijn schoenen en zijn ondergoed. Er lag een angstige smeekbede op zijn Duitse gezicht.

‘En?’ vroeg Herr Heckenstaller. ‘De schoenen?’

Hij trok beide schoenen uit en beide sokken.

‘Und die Unterhosen,’ zei de zuster. ‘En de onderbroek.’

Rudy en de andere jongen, Olaf Spiegel, waren inmiddels ook begonnen zich uit te kleden, maar bevonden zich nog lang niet in de hachelijke positie van Jürgen Schwartz. De jongen stond te bibberen. Hij was een jaar jonger dan de andere twee, maar langer. Toen hij zijn onderbroek had laten zakken, stond hij diep ellendig en vernederd in het kleine, koude kantoortje. Zijn zelfrespect hing om zijn enkels.

De zuster bekeek hem van top tot teen, haar armen voor haar fabelachtige borstpartij gevouwen.

Heckenstaller spoorde de twee anderen aan een beetje voort te maken.

De dokter krabde op zijn hoofd en hoestte. Hij werd gek van die verkoudheid.

De drie naakte jongens werden een voor een bekeken op de koude vloer.

Ze hielden hun handen om hun geslachtsdelen en rilden als het hiernamaals.

Tussen het gehoest en gepiep van de dokter door werden zij aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen.

‘Adem in.’ Gesnotter.

‘En uit.’ Weer gesnotter.

‘Armen opzij strekken.’ Gehoest. ‘Ik zei opzij.’ Een verschrikkelijke hoestbui.

Zoals mensen dat nu eenmaal doen, keken de jongens voortdurend naar elkaar, op zoek naar een teken van wederzijdse solidariteit. Die ontbrak geheel. Alle drie wrikten ze hun handen los van hun penissen en strekten hun armen. Rudy had helemaal niet het gevoel deel uit te maken van een superieur ras.

‘Langzaam maar zeker slagen wij erin,’ vertelde de zuster tegen de leraar, ‘een nieuwe toekomst te creëren. Er zal een nieuwe klasse ontstaan van fysiek en mentaal geavanceerde Duitsers. Een klasse van officieren.’

Helaas werd haar verhaal afgebroken toen de dokter dubbelklapte en uit alle macht over de stapeltjes kleren hoestte. De tranen sprongen in zijn ogen en Rudy vroeg zich onwillekeurig af wat dit wilde zeggen.

Een nieuwe toekomst? Zoals hij?

Hij onthield zich wijselijk van commentaar.

Het onderzoek werd afgerond en hij voerde zijn eerste naakte Heil Hitler uit. Op een ietwat tegendraadse manier moest hij toegeven dat het eigenlijk wel goed voelde.

Ontdaan van al hun waardigheid kregen de jongens toestemming zich weer aan te kleden, en op het moment dat zij het kantoortje verlieten, hoorden zij de discussie over hen al oplaaien.

‘Ze zijn wat ouder dan gebruikelijk,’ zei de dokter, ‘maar ik denk dat we er minstens twee kunnen gebruiken.’

De zuster was het met hem eens. ‘De eerste en de derde.’

De drie jongens stonden buiten.

Eerste en derde.

‘Jij was de eerste, Schwarz,’ zei Rudy. Toen richtte hij zich tot Olaf Spiegel. ‘Maar wie was de derde?’

Spiegel overwoog de mogelijkheden. Bedoelde ze de derde op rij, of de derde die werd onderzocht? Het deed er niet toe. Hij wist wat hij wilde geloven. ‘Volgens mij was jij dat.’

‘Kletskoek, Spiegel, dat was jij.’

EEN KLEINE ZEKERHEID

De jassenmannen wisten wie de derde was.

De dag na hun bezoek aan de Himmelstraat zat Rudy samen met Liesel op zijn stoep en vertelde haar het hele verhaal, tot in de kleinste details. Hij gaf zich gewonnen en biechtte op wat er die dag op school was gebeurd toen hij uit de klas was gehaald. Ze moesten zelfs lachen om de reusachtige zuster en de blik op Jürgen Schwarz’ gezicht. Het was echter vooral een angstig verhaal, vooral toen hij het over de stemmen in de keuken had en de dode dominostenen.

Dagenlang was er één gedachte die Liesel niet meer van zich af kon zetten.

Het was de gedachte aan het onderzoek van de jongens, of eigenlijk, van Rudy.

Wanneer ze in bed lag, miste ze Max, vroeg zich af waar hij was, bad dat hij nog leefde, maar ergens te midden van dat alles stond Rudy.

Hij gloeide op in de duisternis, helemaal naakt.

Het was een angstaanjagend beeld, vooral het moment waarop hij zijn handen weg moest halen. Het was op z’n minst verontrustend te noemen, maar om de een of andere reden kon ze niet ophouden eraan te denken.