HET EINDE VAN DE WERELD
(Deel I)

Opnieuw laat ik je heel even een glimp zien van het einde. Misschien om de klap voor later wat te verzachten, of om mezelf beter voor te kunnen bereiden op het vertellen. In elk geval moet ik je nu vertellen dat het regende in de Himmelstraat toen Liesel Memingers wereld instortte.

De hemel droop.

Als een kraan die een kind uit alle macht heeft geprobeerd dicht te draaien, maar wat niet helemaal is gelukt. Eerst waren de druppels koel. Ik voelde ze op mijn handen toen ik terugliep van Frau Diller, midden op straat.

Boven mij kon ik ze horen.

Ik keek naar de betrokken lucht en zag de blikken vliegtuigjes. Ik zag hun buiken opengaan en nonchalant de bommen afwerpen. Natuurlijk misten ze hun doel. Dat gebeurde zo vaak.

EEN TRIEST SPRANKJE HOOP
Niemand wilde de Himmelstraat bombarderen.
Niemand wilde een straat bombarderen die
naar de hemel was vernoemd, toch?
Of toch wel?

De bommen vielen en al snel zouden de wolken koken en de koele regendruppels in as veranderen. Hete sneeuwvlokken zouden neerdwarrelen op de grond.

Om kort te gaan, de Himmelstraat werd met de grond gelijk gemaakt.

Huizen werden van de ene kant van de straat naar de andere geblazen. Een ingelijste foto van een zeer ernstig kijkende Führer werd tegen de grond gesmeten. Maar hij bleef glimlachen, op die ernstige manier van hem. Hij wist iets wat wij niet wisten. Maar ik wist iets wat hij niet wist. En dat allemaal terwijl de mensen lagen te slapen.

Rudy Steiner sliep. Mama en Papa sliepen. Frau Holtzapfel, Frau Diller. Tommy Müller. Ze sliepen allemaal. Ze stierven allemaal.

Slechts één persoon overleefde het.

Zij overleefde het omdat ze in de kelder het verhaal van haar eigen leven zat door te lezen, op zoek naar eventuele fouten. Eerder was de ruimte te ondiep verklaard voor een schuilkelder, maar die nacht, 7 oktober, was het voldoende geweest. De brokstukken van de verwoesting vielen omlaag en toen er uren later een vreemde, verwaarloosde stilte over Molching was gevallen, hoorde de plaatselijke LSE iets. Een echo. Ergens, onder de aarde, tikte een meisje met een potlood tegen een verfblik.

Ze bleven allemaal staan, oren en lichamen gespitst, en toen ze het weer hoorden, begonnen ze te graven.

DOORGEGEVEN VOORWERPEN ,
V
AN HAND TOT HAND
Blokken cement en dakpannen.
Een stuk muur met een schildering van
een druipende zon. Een ongelukkig
ogende accordeon, die door zijn aangevreten
koffer naar buiten gluurde.

Ze smeten het allemaal omhoog. Bij het volgende stuk muur dat werd weggehaald, zag een van hen het haar van de boekendief.

De man had zo’n aardige lach. Hij hielp een pasgeboren baby ter wereld. ‘Ongelooflijk, ze leeft nog!’

De samengekomen, roepende mannen waren verschrikkelijk blij, maar ik kon hun enthousiasme niet echt delen.

Eerder die avond had ik haar papa in mijn ene arm gedragen en haar mama in de andere. Twee heel zachte zielen.

Een eind verderop waren hun lichamen neergelegd, bij de rest. Papa’s mooie zilveren ogen begonnen al een beetje te roesten, en Mama’s droge lippen stonden halfopen, alsof ze lag te snurken.

De reddende handen trokken Liesel naar buiten en sloegen het gruis en het stof van haar kleren. ‘Meisje,’ zeiden ze, ‘de sirenes waren te laat. Wat deed jij in de kelder? Hoe wist je het?’

Wat ze niet opmerkten was dat het meisje het boek nog in haar handen hield. Ze gilde het uit. De verbijsterde kreet van de levenden.

‘Papa!’

En nog een keer. Haar gezicht vertrok toen ze een hogere, paniekerige toon bereikte. ‘Papa, Papa!’

Ze tilden haar gillend, jammerend en huilend naar boven. Als ze gewond was, dan had ze dat zelf nog niet door, want ze worstelde zich los en zocht en riep en jammerde nog een tijdje door.

Ze hield nog steeds het boek in haar handen.

Wanhopig klemde ze zich vast aan de woorden die haar leven hadden gered.