DE DIEVENPOORTEN
Zij bleef op de trappen op Papa zitten wachten en keek naar de ronddwarrelende as en het stoffelijk overschot van verzamelde boeken. Het was allemaal zo triest. Oranje en rood opgloeiende sintels leken nog het meest op weggegooide lollies en de meeste mensen waren al vertrokken. Ze had Frau Diller weg zien gaan (heel tevreden), en Pfiffikus (spierwit haar, een nazi-uniform, dezelfde versleten schoenen en een triomfantelijk gefloten deuntje). Nu hoefde er alleen nog maar te worden opgeruimd en voor je het wist zou niemand zich nog kunnen voorstellen dat het echt was gebeurd.
Maar je kon het wel ruiken.
‘Wat zit jij hier te doen?’
Hans Hubermann arriveerde bij de kerktrappen.
‘Hallo, Papa.’
‘Je zou voor het stadhuis op me wachten.’
‘Sorry, Papa.’
Hij halveerde zijn lengte door naast haar op de betonnen treden te komen zitten en pakte een lok van Liesels haar. Zijn vingers schoven het voorzichtig achter haar oor. ‘Liesel, wat is er?’
Eerst zei ze even niets. Ze zat berekeningen te maken, ook al wist ze de uitkomst al.
EEN KLEINE
OPTELSOM
Het woord communist +
een groot vreugdevuur +
een verzameling dode brieven + het lijden
van haar moeder + de dood van haar broertje =
de Führer
De Führer.
Hij was de ze waarover Hans en Rosa Hubermann het die avond waarop ze voor het eerst aan haar moeder had geschreven hadden gehad. Ze wist het al, maar ze moest het toch vragen.
‘Is mijn moeder een communist?’ Staren. Recht voor zich uit. ‘Ze vroegen haar altijd van alles, voordat ik hier kwam.’
Hans schoof een beetje naar voren en vormde het begin van een leugen. ‘Ik heb geen idee – ik heb haar nooit ontmoet.’
‘Heeft de Führer haar meegenomen?’
De vraag verraste hen beiden en dwong Papa om op te staan. Hij keek naar de mannen met de bruine hemden die met scheppen de berg as aan het opruimen waren. Hij hoorde hen erin hakken. Er vormde zich een nieuwe leugen in zijn mond, maar het lukte hem niet hem uit te spreken. Hij zei: ‘Ik denk het eigenlijk wel, ja.’
‘Ik wist het.’ De woorden werden op de treden gegooid en Liesel voelde de dikke brij van woede heet klotsen in haar maag. ‘Ik haat de Führer,’ zei ze. ‘Ik haat hem.’
En Hans Hubermann?
Wat deed hij? Wat zei hij?
Boog hij zich naar voren en omhelsde hij zijn pleegdochter, zoals hij eigenlijk wilde? Vertelde hij haar dat hij het heel erg vond wat er met haar en haar moeder gebeurde en wat er met haar broertje was gebeurd?
Niet precies.
Hij kneep zijn ogen stijf dicht. Toen deed hij ze weer open. Hij sloeg Liesel Meminger midden in haar gezicht.
‘Zeg dat nooit!’ Zijn stem klonk zacht, maar scherp.
Terwijl het meisje trilde en op de treden in elkaar zakte, kwam hij weer naast haar zitten en hield zijn gezicht tussen zijn handen. Het zou gemakkelijk zijn om nu te zeggen dat hij gewoon een grote man was die in een ongelukkige, verslagen houding op de een of andere kerktrap zat, maar dat was hij niet. Liesel had er op dat moment geen idee van dat haar pleegvader, Hans Hubermann, verstrikt zat in een van de gevaarlijkste dilemma’s waar een Duitse burger mee geconfronteerd kon worden. En dat niet alleen, hij werd er al bijna een jaar mee geconfronteerd.
‘Papa?’
De verrassing in haar stem jaagde haar op en maakte haar machteloos. Ze wilde wegrennen, maar ze kon het niet. De handen waren nu van Papa’s gezicht verdwenen en hij vond opnieuw de moed om iets te zeggen.
‘Dat mag je bij ons thuis zeggen,’ zei hij, met een sombere blik op Liesels wang. ‘Maar nooit op straat, op school, bij de BDM, nooit!’ Hij ging voor haar staan en trok haar aan haar bovenarmen omhoog. Hij schudde haar door elkaar. ‘Hoor je me?’
Met haar ogen wijd open, knikte Liesel bevestigend.
Het was in zekere zin een repetitie voor een donderpreek die nog komen moest, wanneer al Hans Hubermanns grootste angsten later dat jaar in de Himmelstraat zouden arriveren, in de vroege uren van een novemberochtend.
‘Goed.’ Hij zette haar weer op de grond. ‘Laten we nu proberen…’ Onder aan de trap ging Papa kaarsrechtop staan en stak zijn arm naar voren. Vijfenveertig graden. ‘Heil Hitler.’
Liesel stond op en tilde ook haar arm op. Met een diep ellendig gevoel deed ze hem na. ‘Heil Hitler.’ Het was een wonderlijk tafereel – een meisje van elf dat haar best doet om niet te huilen op de kerktrappen en de Führer groet, terwijl de stemmen achter Papa inhakten op de donkere vorm op de achtergrond.
‘Zijn we nog vrienden?’
Hooguit een kwartiertje later hield Papa een olijftak in de vorm van een sigaret in zijn handpalm – het vloeipapier en de tabak die hij net had gekregen.
Zonder een woord te zeggen stak Liesel somber haar hand uit en begon een sigaret te rollen.
Zo zaten ze een tijdje bij elkaar.
De rook klom omhoog boven Papa’s schouder.
Na nog eens tien minuten gingen de dievenpoorten op een kiertje open, duwde Liesel Meminger ze nog iets verder open en wrong zich ertussendoor.
TWEE
VRAGEN
Zouden de poorten achter haar
dichtvallen?
Of zouden ze zo vriendelijk zijn
haar er weer uit te laten?
Zoals Liesel nog zou ontdekken, is er veel voor nodig om een goede dief te zijn.
Heimelijkheid. Lef. Snelheid.
Nog belangrijker echter dan die dingen was een laatste voorwaarde.
Geluk.
Laat eigenlijk maar.
Vergeet die tien minuten.
De poorten gaan nu open.