FRISSE LUCHT, EEN OUDE
NACHTMERRIE, EN WAT TE DOEN
MET EEN JOODS LIJK

Ze waren bij de rivier de Amper en Liesel had Rudy net verteld dat ze graag nog een boek uit het huis van de burgemeester zou willen halen. In plaats van De Fluiter, had ze De Staande Man al een aantal keren aan Max voorgelezen. Dat duurde maar een paar minuten per keer. Ze had ook Het Schouderophalen geprobeerd en zelfs Het Doodgravershandboek, maar het was allemaal niet wat ze zocht. Ik wil iets nieuws, dacht ze.

‘Heb je dat laatste boek dan al uit?’

‘Natuurlijk.’

Rudy gooide een steen in het water. ‘Was het wat?’

‘Natuurlijk was het wat.’

Natuurlijk, natuurlijk was het wat.’ Hij probeerde een nieuwe steen uit de grond los te wrikken, maar bezeerde zijn vinger.

‘Dat zal je leren.’

‘Saumensch.’

Wanneer iemands laatste antwoord Saumensch was, of Saukerl of Arschloch, dan wist je dat je hem tuk had.

De omstandigheden waren perfect om uit stelen te gaan. Het was een sombere middag in maart en slechts een paar graden boven nul – altijd een stuk onaangenamer dan tien graden onder nul. Er waren maar weinig mensen op straat. Regen als grijs potloodslijpsel.

‘Gaan we?’

‘We gaan fietsen,’ zei Rudy. ‘Jij kunt er wel eentje van ons gebruiken.’

Deze keer toonde Rudy zich aanzienlijk enthousiaster om de binnendringer te zijn. ‘Vandaag ben ik aan de beurt,’ zei hij, terwijl hun handen vastvroren aan hun handvatten.

Liesel dacht snel na. ‘Dat kan je misschien beter niet doen, Rudy. Er staat daar van alles. En het is donker. Je struikelt vast ergens over, of je loopt ergens tegenaan, zo stom ben je wel.’

‘Dank je hartelijk.’ Als hij in zo’n bui was, was Rudy moeilijk in toom te houden.

‘En dan is er nog de sprong. Het is hoger dan je denkt.’

‘Wil je zeggen dat je denkt dat ik het niet kan?’

Liesel ging op de pedalen staan. ‘Helemaal niet.’

Ze staken de brug over en reden over de slingerende weg heuvelopwaarts naar de Grande Strasse. Het raam stond open.

Net als de vorige keer bekeken ze het huis eerst van alle kanten. Ze konden een klein beetje naar binnen kijken, want beneden brandde een licht, waarschijnlijk in de keuken. Een schaduw liep heen en weer.

‘Laten we eerst maar eens een paar keer om het blok heen rijden,’ zei Rudy. ‘Wat een geluk dat we op de fiets zijn, hè?’

‘Als je maar niet vergeet de jouwe mee naar huis te nemen.’

‘Heel grappig, Saumensch. Hij is wel wat groter dan die gore stinkschoenen van jou.’

Ze reden een kwartiertje rond en nog steeds was de vrouw van de burgemeester beneden, een beetje te dichtbij. Hoe haalde ze het in haar hoofd om zo lang in de keuken te blijven? Voor Rudy was de keuken zonder enige twijfel het belangrijkste doelwit. Hij had naar binnen willen gaan, om zoveel mogelijk voedsel te roven als maar enigszins mogelijk was en als (met de nadruk op als) hij dan nog tijd over had gehad, zou hij op de terugweg nog wel een boek in zijn broek hebben gestopt. Welk boek dan ook.

Rudy’s zwakke punt was echter ongeduld. ‘Het wordt al laat,’ zei hij en begon voor haar uit te rijden. ‘Ga je mee?’

Liesel ging niet mee.

Ze hoefde er niet eens over na te denken. Ze had die roestige fiets helemaal naar boven getrapt en ze ging hier niet weg zonder boek. Ze legde de fiets in de goot, keek om zich heen of ze ergens buren zag en liep naar het raam. Ze liep stevig door, maar haastte zich niet. Ditmaal trok ze haar schoenen uit met behulp van haar voeten, door met haar tenen op de achterkant te trappen.

Haar vingers klemden zich om het hout en ze klauterde naar binnen.

Deze keer voelde ze zich ietsje meer op haar gemak. In een paar kostbare ogenblikken liep ze de hele kamer rond, op zoek naar een titel die haar pakte. Drie of vier keer stak ze bijna haar hand uit. Ze overwoog zelfs even er meer dan één mee te nemen, maar aan de andere kant wilde ze geen misbruik maken van wat ze als een soort systeem beschouwde. Op dit moment had ze maar één boek nodig. Ze bestudeerde de planken en wachtte.

Achter haar klom de duisternis door het raam naar binnen. De geur van stof en diefstal verdwenen even naar de achtergrond en opeens zag ze het.

Het boek was rood, met zwarte letters op de rug. Der Traumträger. De Dromendrager. Ze dacht aan Max Vandenburg en zijn dromen. Over schuld. Overleven. Het achterlaten van zijn familie. Gevechten met de Führer. Ze dacht ook aan haar eigen droom – haar broertje, dood in de trein, en zijn verschijning op het trapje pal om de hoek van deze kamer. De boekendief keek naar zijn bloedende knie die zij met een duw van haar eigen hand had veroorzaakt.

Ze trok het boek van de plank, stak het onder haar arm, klom op de vensterbank en sprong naar beneden, allemaal in één beweging.

Ditmaal had Rudy haar schoenen. Haar fiets stond al klaar. Zodra ze haar schoenen aanhad, reden ze weg.

‘Jezus, Maria en Jozef, Meminger.’ Hij had haar nog nooit Meminger genoemd. ‘Jij bent echt compleet gestoord, weet je dat?’

Terwijl Liesel als een bezetene doortrapte, knikte ze bevestigend. ‘Ik weet het.’

Bij de brug gaf Rudy een kleine samenvatting van wat er was gebeurd. ‘Die mensen zijn of hartstikke gek,’ zei hij, ‘of ze houden erg van frisse lucht.’

EEN KLEINE SUGGESTIE

Of misschien woonde er in de Grande Strasse een vrouw die het raam van haar bibliotheek tegenwoordig om een heel andere reden open liet staan – maar dat is misschien een beetje cynisch van me, of hoopvol. Of allebei.

Liesel stak De Dromendrager onder haar jas en zodra ze thuis was begon ze te lezen. In de houten stoel naast het bed, sloeg ze het boek open en fluisterde: ‘Een nieuw boek, Max. Speciaal voor jou.’ Ze begon te lezen. ‘Hoofdstuk een: het was eigenlijk heel toepasselijk dat de hele stad lag te slapen toen de dromendrager werd geboren…’

Elke dag las Liesel twee hoofdstukken van het boek. Eén ’s ochtends, voordat ze naar school ging, en één zodra ze ’s middags thuiskwam. Op bepaalde avonden, wanneer ze niet in slaap kon komen, las ze ook nog de helft van een derde hoofdstuk. Soms viel ze, voorover gezakt over de zijkant van het bed, in slaap.

Het werd haar missie.

Ze gaf De Dromendrager aan Max alsof de woorden alleen al hem konden koesteren. Op een dinsdag meende ze een beweging waar te nemen. Ze had kunnen zweren dat zijn ogen waren opengegaan. Als dat zo was, was het maar heel even geweest en waarschijnlijk had zij het zich maar verbeeld, omdat ze het zo graag wilde.

Half maart begonnen er barstjes te ontstaan.

Rosa Hubermann – de aangewezen vrouw voor een crisis – zat er op een middag in de keuken helemaal doorheen. Ze verhief haar stem, maar begon snel weer zachtjes te praten. Liesel hield op met lezen en sloop stilletjes naar de gang. Ook al stond ze nu nog zo dichtbij, toch kon ze haar mama’s woorden bijna niet verstaan. En toen ze ze wel kon horen, wenste ze dat ze niets had gehoord, want wat ze hoorde was afschuwelijk. Het was de realiteit.

WAT MAMAS STEM ZEI

‘Wat als hij niet meer wakker wordt?
Wat als hij hier doodgaat, Hansi?
Zeg op. Wat doen we dan in godsnaam met
het lijk? We kunnen hem hier niet laten liggen,
dan gaan we dood van de stank… en we kunnen
hem ook niet naar buiten dragen, de straat op.

We kunnen moeilijk zeggen: “Je raadt nooit

wat er vanmorgen bij ons in de kelder lag…”

Ze zullen ons voor de rest van ons leven opsluiten.’

Ze had helemaal gelijk.

Een joods lijk was een groot probleem. De Hubermanns moesten Max Vandenburg niet alleen in zíjn belang opkalefateren, maar ook in hun eigen belang. Zelfs Papa, die altijd een kalmerende invloed had, voelde de druk.

‘Luister.’ Zijn stem klonk rustig maar bezwaard. ‘Als het gebeurt – als hij doodgaat – dan moeten we gewoon een oplossing zien te vinden.’ Liesel had kunnen zweren dat ze hem hoorde slikken. Een geluid alsof hij een klap tegen zijn luchtpijp kreeg. ‘Mijn verfkar, wat afdeklakens…’

Liesel liep de keuken binnen.

‘Nu even niet, Liesel.’ Het was Papa die dit zei, hoewel hij haar niet aankeek. Hij zat in de achterkant van een lepel naar zijn vervormde gezicht te kijken. Hij had zijn ellebogen in de tafel gegraven.

De boekendief ging niet weg. Ze deed nog een paar stappen naar voren en ging zitten. Haar koude handen zochten haar mouwen en opeens viel er een zin uit haar mond. ‘Hij is nog niet dood.’ De woorden kwamen op de tafel terecht en stelden zich in het midden ervan op. Alle drie de mensen keken ernaar. Hun halve hoop durfde niet hoger te stijgen. Hij is nog niet dood. Hij is nog niet dood. Rosa was de eerste die iets zei.

‘Wie heeft er honger?’

De enige keren dat Max’ ziekte geen pijn deed was tijdens het eten. Het viel niet te ontkennen wanneer ze zo met z’n drieën aan de keukentafel zaten met hun extra brood en extra soep en aardappelen. Ze dachten het alle drie, maar niemand zei het hardop.

Die nacht, een paar uur later, werd Liesel wakker en dacht na over de hoogte van haar hart. (Die uitdrukking had ze uit De Dromendrager, een boek dat in wezen helemaal het tegenovergestelde was van De Fluiter – een boek over een in de steek gelaten kind dat priester wilde worden.) Ze ging zitten en ademde de nachtelijke lucht diep in.

‘Liesel?’ Papa rolde zich op zijn zij. ‘Wat is er?’

‘Niets, Papa, er is niets aan de hand’, maar op het moment dat ze klaar was met haar zin, zag ze precies wat er in haar droom was gebeurd.

EEN TAFEREELTJE

Bijna alles is hetzelfde.
De trein rijdt met dezelfde snelheid.
Overvloedig hoest haar broertje.
Ditmaal echter kan Liesel zijn gezicht,

dat naar de vloer kijkt, niet zien.

Langzaam buigt zij zich naar voren.
Haar hand tilt het voorzichtig op,

bij de kin, en daar, vlak voor zich,

ziet zij de grote ogen in het gezicht van

Max Vandenburg. Hij staart haar aan.

Een veer valt op de grond. Het lichaam

is nu groter, beter in verhouding met

het gezicht. De trein krijst.

‘Liesel?’

‘Ik zei toch dat er niets aan de hand was?’

Rillend stond ze op van de matras. Stil van angst liep ze door de gang naar Max. Na vele minuten aan zijn bed, toen alles wat rustiger was geworden, probeerde ze de droom te interpreteren. Was het een aankondiging van Max’ dood? Of was het niets anders dan een reactie op het gesprek van die middag in de keuken? Had Max nu de plaats ingenomen van haar broertje? En als dat zo was, hoe kon zij haar eigen vlees en bloed dan zomaar aan de kant zetten? Misschien was het wel een diepgewortelde wens dat Max zou sterven. Als het per slot van rekening goed genoeg was voor Werner, haar broertje, dan was het ook goed genoeg voor deze jood.

‘Is dat werkelijk wat je denkt?’ fluisterde zij, zich over het bed buigend. ‘Nee.’ Ze kon het niet geloven. Haar antwoord werd bevestigd toen de doffe duisternis begon te wijken en de omtrekken zichtbaar werden van de verschillende vormen, groot en klein, op het nachtkastje. De cadeaus.

‘Word nou wakker,’ zei ze.

Max werd niet wakker.

Nog acht hele dagen lang werd hij niet wakker.

Op school werd er op de deur geklopt.

‘Binnen,’ riep Frau Olendrich.

De deur ging open en het hele lokaal vol kinderen keek verrast op toen Rosa Hubermann in de deuropening stond. Een enkeling hield de adem in – een kleine kleerkast van een vrouw met een lipsticklachje en lichtblauwe ogen. Dit. Was de legende. Ze droeg haar beste kleren, maar haar haar was een rommeltje, en het was inderdaad een soort handdoek van rekbare grijze slierten.

De onderwijzeres was duidelijk bang. ‘Frau Hubermann…’ Haar bewegingen waren nerveus. Ze keek zoekend door de klas. ‘Liesel?’

Liesel keek naar Rudy, stond op en liep vlug naar de deur, om zo snel mogelijk een einde te maken aan de gênante vertoning. De deur viel achter haar dicht en nu stond ze alleen, op de gang, met Rosa.

Rosa had haar blik afgewend.

‘Wat, Mama?’

Ze draaide zich om. ‘Jij met je Wat Mama, kleine Saumensch!’ Liesel voelde de woorden in zich priemen. ‘Mijn haarborstel!’ Er sijpelde wat gelach onder de deur door, maar het hield onmiddellijk weer op.

‘Mama?’

Haar gezicht keek streng, maar ze glimlachte. ‘Wat heb je verdomme met mijn haarborstel uitgevreten, stomme kleine Saumensch, kleine dief? Ik heb je honderd keer gezegd dat je er met je tengels vanaf moest blijven, maar luister je naar me? Natuurlijk niet!’

De scheldkanonnade ging zo nog even door, terwijl Liesel wanhopig een paar plekken opnoemde waar de borstel in kwestie zou kunnen liggen. Het eindigde abrupt, toen Rosa Liesel heel even dicht tegen zich aan trok. Haar gefluister was bijna niet te verstaan, zelfs van zo dichtbij. ‘Je zei zelf dat ik tegen je moest schreeuwen. Je zei dat ze het zouden geloven.’ Ze keek van links naar rechts en haar stem klonk zo zacht als fluweel. ‘Hij is wakker, Liesel. Hij is wakker.’ Uit haar zak haalde ze het gehavende speelgoedsoldaatje. ‘Hij zei dat ik je dit moest geven. Het was zijn favoriet.’ Ze gaf het soldaatje aan haar, greep haar stevig bij haar armen en glimlachte. Voordat Liesel de kans kreeg om iets te zeggen, maakte ze het af. ‘Nou? Geef antwoord! Heb je enig idee waar je hem hebt gelaten?’

Hij leeft, dacht Liesel. ‘… Nee, Mama. Het spijt me, Mama, ik – ’

‘Ik heb ook helemaal niks aan jou.’ Ze liet haar los, knikte en liep weg.

Even bleef Liesel zo staan. De gang was reusachtig. Ze bekeek het soldaatje in haar hand. Haar instinct vertelde haar nu meteen naar huis te rennen, maar haar gezonde verstand stond dat niet toe. In plaats daarvan stopte ze het aftandse soldaatje in haar zak en ging terug naar de klas.

Iedereen zat te wachten.

‘Stomme koe,’ fluisterde ze binnensmonds.

Opnieuw begonnen er een paar kinderen te lachen. Frau Olendrich lachte niet.

‘Wat zei je daar?’

Liesel was zo door het dolle dat ze zich onverwoestbaar voelde. ‘Ik zei,’ antwoordde ze stralend, ‘stomme koe’, en voor ze het wist had ze een klap in haar gezicht van de juf te pakken.

‘Zo spreek je niet over je moeder,’ zei ze, maar het had weinig effect. Het meisje stond daar maar en deed haar best om niet te grijnzen. Ze kon heus wel met goed fatsoen een Watschen doorstaan. ‘En nu naar je plaats.’

‘Ja, Frau Olendrich.’

Naast haar, waagde Rudy het iets te zeggen.

‘Jezus, Maria en Jozef,’ fluisterde hij. ‘Ik zie een hand op je gezicht. Een grote, rode hand. Vijf vingers!’

‘Mooi,’ zei Liesel, want Max leefde.

Toen ze die middag thuiskwam, zat hij rechtop in bed met de leeggelopen voetbal op zijn schoot. Zijn baard bezorgde hem jeuk en zijn omfloerste ogen deden hun best om open te blijven. Naast de cadeautjes stond een lege soepkom.

Ze zeiden geen hallo.

Het had iets gespannens.

De deur kraakte, het meisje kwam binnen en zij kwam voor hem staan en keek naar de kom. ‘Dwingt Mama je om dat te eten?’

Hij knikte, tevreden, vermoeid. ‘Maar het was erg lekker.’

‘Mama’s soep? Echt waar?’

Het was geen glimlach waarmee hij haar aankeek. ‘Bedankt voor je cadeaus.’ Het leek eerder alsof zijn mond een heel klein stukje openscheurde. ‘Bedankt voor de wolk. Die heeft je papa me een beetje uitgelegd.’

Na een uur deed Liesel ook een poging de waarheid te vertellen. ‘We wisten niet wat we hadden moeten doen als je was doodgegaan, Max. We – ’

Het duurde niet lang voordat hij begreep wat ze bedoelde. ‘Je bedoelt, hoe jullie je van mij hadden moeten ontdoen?’

‘Het spijt me.’

‘Nee.’ Hij was niet beledigd. ‘Jullie hadden gelijk.’ Hij speelde zwakjes met de bal. ‘Jullie hadden helemaal gelijk om zo te denken. In jullie situatie is een dode jood net zo gevaarlijk als een levende, misschien wel gevaarlijker.’

‘Ik heb ook gedroomd.’ Met het soldaatje in haar hand vertelde ze alles tot in de details. Ze stond op het punt zich wederom te verontschuldigen toen Max daar een stokje voor stak.

‘Liesel.’ Hij dwong haar hem aan te kijken. ‘Ik wil niet dat je je ooit tegenover mij verontschuldigt. Ik zou me tegenover jou moeten verontschuldigen.’ Hij keek naar alles wat ze voor hem had meegenomen. ‘Kijk toch eens. Al die cadeaus.’ Hij nam de knoop in zijn hand. ‘En Rosa zei dat je me elke dag twee keer kwam voorlezen, soms zelfs drie keer.’ Nu keek hij naar de gordijnen, alsof hij er dwars doorheen naar buiten kon kijken. Hij ging wat hoger zitten en zweeg een ogenblik, een dozijn zwijgende zinnen lang. Een angstige blik vond zijn weg naar zijn gezicht en hij biechtte het meisje iets op. ‘Liesel?’ Hij leunde een heel klein stukje naar rechts. ‘Ik ben bang,’ zei hij, ‘om weer in slaap te vallen.’

Liesel antwoordde heel resoluut. ‘Dan ga ik je voorlezen. En elke keer dat je wegdoezelt geef ik je een klap in je gezicht. Dan doe ik het boek dicht en schud je net zo lang door elkaar tot je wakker wordt.’

Die middag en tot diep in de nacht, las Liesel Max Vandenburg voor. Hij zat rechtop in bed en zoog de woorden op, klaarwakker dit keer, tot even na tienen. Toen Liesel even een korte rustpauze nam, keek ze op van haar boek en zag dat Max sliep. Zenuwachtig gaf ze hem een por met het boek. Hij werd wakker.

Daarna viel hij nog drie keer in slaap. Ze maakte hem nog twee keer wakker.

De volgende vier dagen ontwaakte hij elke ochtend in Liesels bed, daarna naast de haard en uiteindelijk, half april, in de kelder. Zijn gezondheid was verbeterd, de baard was verdwenen en hij begon beetje bij beetje wat aan te komen.

In Liesels innerlijke wereld was dit een periode van grote opluchting. In de buitenwereld werd de toestand echter steeds hachelijker. Eind maart werd een plaats die Lübeck heette bestookt met bommen. Keulen was als volgende aan de beurt en al snel volgden nog veel meer Duitse steden, waaronder ook München.

Ja, de baas keek over mijn schouder mee.

‘Doorwerken, doorwerken.’

De bommen kwamen eraan – en ik ook.