DE BROODETERS

Het was een lang en veelbewogen jaar geweest in Molching, en het liep eindelijk ten einde.

Liesel kon de laatste paar maanden van 1942 aan weinig anders denken dan aan wat zij drie wanhopige mannen noemde. Ze vroeg zich af waar ze waren en wat ze deden.

Op een middag tilde ze de accordeon uit zijn koffer en poetste hem op met een doekje. Slechts één keer, vlak voordat ze hem weer opborg, zette zij de stap die Mama niet had kunnen nemen. Ze zette haar vinger op een van de toetsen en trok de balg langzaam uit. Rosa had gelijk gehad. De kamer leek er alleen maar leger door.

Wanneer ze Rudy zag, vroeg ze altijd of hij nog iets van zijn vader had gehoord. Soms gaf hij haar een gedetailleerd verslag van een van Alex Steiners brieven. Daarbij vergeleken was het ene briefje dat haar eigen papa had gestuurd nogal een teleurstelling.

Wat Max betreft was ze natuurlijk geheel afhankelijk van haar eigen fantasie.

Optimistisch stelde ze zich voor hoe hij helemaal alleen over een verlaten weg liep. Af en toe stelde ze zich voor hoe hij bij toeval ergens in een veilige haven belandde en met zijn persoonsbewijs precies de juiste persoon om de tuin wist te leiden.

De drie mannen doken overal op.

Ze zag haar papa in het raam op school. Max zat vaak bij haar voor de haard. Alex Steiner arriveerde wanneer ze samen met Rudy was en keek naar hen wanneer zij hun fietsen in de Münchenstraat op straat smeten en door de etalage zijn zaak binnenkeken.

‘Moet je die pakken zien,’ zei Rudy dan tegen haar, met zijn hoofd en handen tegen het glas. ‘Echt zonde.’

Vreemd genoeg vormde Frau Holtzapfel een van Liesels favoriete afleidingen. Ze las tegenwoordig ook op woensdag voor en ze hadden de door waterschade verkorte versie van De Fluiter al uit en waren nu bezig in De Dromendrager. Soms zette de oude vrouw thee, of ze gaf Liesel wat soep, die oneindig veel lekkerder was dan die van Mama. Minder waterig.

Tussen oktober en december was er weer een optocht van joden geweest en er zou er nog een volgen. Net als de vorige keer had Liesel zich naar de Münchenstraat gehaast, ditmaal om te zien of Max Vandenburg zich onder hen bevond. Ze werd verscheurd tussen het verlangen hem te zien – te weten dat hij nog leefde – en een afwezigheid die van alles kon betekenen, onder andere vrijheid.

Half december werd een kleine groep joden en ander schoelje door de Münchenstraat gevoerd, op weg naar Dachau. Parade nummer drie.

Rudy liep resoluut terug naar de Himmelstraat en kwam terug van nummer vijfendertig met een papieren zakje en twee fietsen.

‘Ga je mee, Saumensch?’

DE INHOUD VAN RUDYS PAPIEREN ZAK

Zes oude boterhammen,
in vieren gebroken.

Ze fietsten voor de stoet uit, in de richting van Dachau, en stopten langs een stuk verlaten weg. Rudy gaf Liesel de zak. ‘Haal er maar een handvol uit.’

‘Ik weet niet of dit wel zo’n goed idee is.’

Hij drukte haar wat brood in haar hand. ‘Je papa heeft het ook gedaan.’

Wat kon ze daar tegen inbrengen? Het was haar wel een afranseling waard.

‘Als we snel zijn zien ze het niet eens.’ Hij begon het brood te verspreiden. ‘Dus schiet nou maar op, Saumensch.’

Onwillekeurig verscheen er een grijns op Liesels gezicht toen zij en Rudy Steiner, haar beste vriend, de stukken brood over de weg verdeelden. Toen ze klaar waren, raapten ze hun fietsen op en verstopten zich tussen de kerstbomen.

Het was een koude, rechte weg. Het duurde niet lang voordat de soldaten eraan kwamen met de joden.

In de schaduw van de bomen keek Liesel naar de jongen. Wat konden dingen toch veranderen, van fruitdief tot broodgever. Zijn blonde haar was iets donkerder geworden, maar lichtte nog steeds op als een kaars. Ze hoorde zijn maag rammelen – en toch gaf hij deze mensen brood.

Wat dit Duitsland?

Was dit nazi-Duitsland?

De eerste soldaat merkte het brood niet op – hij had geen honger – maar de eerste jood zag het wel.

Zijn smoezelige hand reikte omlaag, raapte een stuk op en stak het dolgelukkig in zijn mond.

Is dat Max? dacht Liesel.

Ze kon het niet goed zien en ging een eindje verder staan waar ze een beter uitzicht had.

‘Hé!’ riep Rudy witheet van woede. ‘Niet bewegen. Als ze ons hier vinden en ons in verband brengen met dat brood, dan kunnen we het wel vergeten.’

Liesel keek weer.

Meer joden bukten zich om brood van de weg te rapen en van achter de bomenrand nam de boekendief iedereen van top tot teen op. Max Vandenburg was er niet bij.

Haar opluchting was van korte duur, want juist op dat moment zag een van de soldaten een gevangene een stuk brood oprapen. Er werd bevel gegeven om te stoppen. De weg werd zorgvuldig gecontroleerd. De gevangenen kauwden zo snel en zo stilletjes als ze konden en slikten het brood vervolgens door.

De soldaat raapte een paar stukken op en keek links en rechts de weg langs. De gevangenen keken ook.

‘Daar!’

Een van de soldaten liep met grote passen naar het meisje bij de dichtstbijzijnde bomen. Toen zag hij ook de jongen. Ze zetten het op een lopen.

Ze kozen allebei een andere richting, onder de dichte takken en het hoge bladerdak van de bomen.

‘Blijven rennen, Liesel!’

‘Maar de fietsen dan?’

‘Scheiss drauf! Dat zal me een zorg zijn!’

Ze renden en renden en na ongeveer honderd meter kwam de hijgende ademhaling van de soldaat steeds dichterbij. Op een gegeven moment was hij naast haar en zij wachtte op de hand die erbij hoorde.

Ze had geluk.

Het enige wat ze kreeg was een trap onder haar kont en een vuist vol woorden. ‘Rennen maar, meisje, jij hebt hier niets te zoeken!’ Ze rende nog minstens anderhalve kilometer door en bleef toen pas staan. Scherpe takken hadden haar armen opengehaald. Dennenappels rolden voor haar voeten en de geur van kerstboomnaalden drong in haar longen.

Tegen de tijd dat ze weer terug was, waren er meer dan drie kwartier verstreken en Rudy zat te wachten bij de roestige fietsen. Hij had de rest van het brood bij elkaar gezocht en zat op een muffe, droge hap te kauwen.

‘Ik zei toch dat je niet te dichtbij moest komen,’ zei hij.

Zij liet hem haar zitvlak zien. ‘Heb ik een voetafdruk?’