CHAMPAGNE EN ACCORDEONS

In de zomer van 1942 bereidde het stadje Molching zich voor op het onvermijdelijke. Er waren nog steeds mensen die weigerden te geloven dat deze kleine plaats aan de rand van München een doelwit kon vormen, maar de meerderheid van de bevolking was zich er heel goed van bewust dat het geen kwestie was van of, maar van wanneer. Schuilkelders werden duidelijker aangegeven, er werden voorbereidingen getroffen om ’s nachts de ramen te verduisteren, en iedereen wist waar de dichtstbijzijnde kelder zich bevond.

Voor Hans Hubermann betekende deze verontrustende ontwikkeling in feite een beetje verlichting. In deze ongelukkige tijd ging het juist wat beter met zijn schildersbedrijfje. Mensen met jaloezieën waren wanhopig genoeg om hem te vragen ze te schilderen. Zijn probleem was dat zwarte verf normaal gesproken meer als mengkleur werd gebruikt om andere kleuren donkerder te maken, en hij was er dan ook snel doorheen terwijl het heel moeilijk te krijgen was. Hij was echter een goede vakman en een goede vakman kent een heleboel trucjes. Hij mengde steenkoolpoeder door zijn verf en hij werkte goedkoop. Er waren heel wat huizen in alle delen van Molching waarvan hij het licht van de ramen voor vijandige blikken verborg.

Op sommige van zijn werkdagen ging Liesel met hem mee.

Ze duwden zijn schilderskar door de stad, roken de honger in sommige straten en schudden hun hoofd bij het zien van de rijkdom in andere. Op weg naar huis kwamen er vaak vrouwen met niets dan kinderen en armoe naar buiten rennen om hen te smeken hun jaloezieën te schilderen.

‘Frau Hallah, het spijt me, ik heb geen zwarte verf meer,’ zei hij dan, maar een eindje verder in de straat gaf hij zich altijd gewonnen. Lange man, lange straat. ‘Morgen,’ beloofde hij dan, ‘morgen bent u de eerste’, en zodra het de volgende ochtend licht werd stond hij voor de deur en schilderde de jaloezieën voor niets, of voor een droog kaakje of een warm kopje thee. De avond ervoor had hij dan weer een nieuwe manier gevonden om blauw of groen of beige in zwart te veranderen. Nooit raadde hij hun aan hun extra dekens voor hun ramen te hangen, want hij wist dat ze die nodig hadden wanneer het winter werd. Het kwam zelfs voor dat hij bij iemand de jaloezieën schilderde voor een halve sigaret, die hij dan op de stoep voor het huis oprookte, samen met de bewoner. Dan stegen het gelach en de rook boven het gesprek uit, waarna ze weer verdergingen, op naar de volgende klus.

Toen de tijd van het schrijven aanbrak, herinner ik me duidelijk wat Liesel Meminger over die zomer te zeggen had. Veel woorden zijn in de loop der decennia vervaagd. Het papier heeft in mijn jaszak geleden onder de wrijving van mijn bewegingen, maar toch zijn veel van haar zinnen onvergetelijk.

EEN KLEIN VOORBEELD VAN ENKELE
DOOR EEN MEISJE GESCHREVEN WOORDEN

Die zomer was een nieuw begin, een nieuw einde.
Wanneer ik nu terugkijk, herinner ik me mijn glibberige
verfhanden en het geluid van Papa’s voetstappen
in de Münchenstraat, en dan weet ik dat een klein
stukje van de zomer van 1942 slechts aan één man
toebehoorde. Wie anders zou schilderwerk doen voor
de prijs van een halve sigaret? Dat was Papa,

dat was hem ten voeten uit, en ik hield van hem.

Elke dag dat ze samen werkten, vertelde hij Liesel zijn verhalen. Over de Eerste Wereldoorlog en hoe zijn belabberde handschrift zijn leven redde, en over de dag dat hij Mama ontmoette. Hij zei dat ze vroeger heel mooi was geweest en een heel zachte stem had gehad. ‘Moeilijk te geloven, ik weet het, maar het is echt waar.’ Elke dag was er wel een verhaal en Liesel vond het niet erg als hij hetzelfde verhaal meer dan één keer vertelde.

Andere keren, wanneer ze zat te dagdromen, gaf Papa haar een zacht tikje met zijn kwast, precies tussen haar ogen. Als hij de hoeveelheid verf die er nog aan zat verkeerd inschatte, droop er een straaltje verf langs haar neus naar beneden. Dan moest ze lachen en probeerde het terug te doen, maar het viel niet mee om Hans Hubermann tijdens zijn werk te grazen te nemen. Hij was dan helemaal in zijn element.

Wanneer ze even pauzeerden om iets te eten of te drinken, speelde hij altijd op zijn accordeon, en dat was wat Liesel zich het beste herinnerde. Elke ochtend, terwijl Papa de schilderskar duwde of voorttrok, droeg Liesel het instrument. ‘We kunnen beter de verf thuis laten,’ zei Hans tegen haar, ‘dan dat we ooit de muziek vergeten.’ Wanneer ze pauzeerden om te eten, sneed hij het brood in tweeën en deelde het met haar. Soms besmeerde hij het met het kleine beetje jam dat nog over was van de laatste distributiekaart. Of hij legde er een plakje vlees op. Ze aten samen, zittend op hun verfblikken, en terwijl hij de laatste hap nog aan het kauwen was, veegde Papa zijn vingers al af en maakte de accordeonkoffer open.

De plooien van zijn overall zaten vol broodkruimels. Handen vol verfspetters zochten hun weg over de knoppen en gleden over de toetsen, of hielden een noot wat langer aan. Zijn armen bedienden de balgen en gaven het instrument de lucht die het nodig had om te ademen.

Liesel zat elke dag met haar handen tussen haar knieën, in de lange stralen van het daglicht. Ze hoopte altijd dat er nooit een eind zou komen aan die dagen, en het was altijd een teleurstelling om de duisternis te zien naderen.

Wat betreft het schilderen zelf, vond Liesel het mengen waarschijnlijk het meest interessant. Net als de meeste mensen ging zij ervan uit dat haar papa gewoon met zijn kar naar de verf- of ijzerwarenwinkel ging, om de gewenste kleur vroeg en weer wegging. Ze besefte niet dat het grootste deel van de verf in blokken werd geleverd, in de vorm van een baksteen. Vervolgens werd het uitgerold met een lege champagnefles. (Champagneflessen, legde Hans uit, waren daar ideaal voor, omdat het glas iets dikker was dan dat van een gewone wijnfles.) Wanneer dat was gebeurd, werd er water, witsel en lijm aan toegevoegd, om nog maar niet te spreken van het ingewikkelde proces van het vinden van de juiste kleur.

De wetenschap van Papa’s vak zorgde ervoor dat zij nog meer respect voor hem kreeg. Het was leuk en aardig om zijn brood en muziek te delen, maar Liesel vond het ook fijn te weten dat hij heel goed was in het werk wat hij deed. Deskundigheid was aantrekkelijk.

Op een middag, een paar dagen na Papa’s uitleg over het mengen, waren ze aan het werk in een van de rijkere huizen even ten oosten van de Münchenstraat. Aan het begin van de middag riep Papa Liesel binnen. Ze stonden op het punt om naar hun volgende klus te gaan toen ze zijn stem hoorde, aanzienlijk harder dan gewoonlijk.

Eenmaal binnen, werd ze meegenomen naar de keuken, waar twee oudere dames en een heer op verfijnde, uitermate chique stoelen zaten. De vrouwen waren goed gekleed. De man had wit haar en volle bakkebaarden. Op de tafel stonden hoge glazen. Ze waren gevuld met een knetterende vloeistof.

‘Nou,’ zei de man, ‘daar gaan we dan.’

Hij pakte zijn glas en gebaarde dat de anderen dat ook moesten doen.

Het was een warme middag geweest. Liesel schrok een beetje van de koelte van haar glas. Ze keek naar Papa om te zien wat hij ervan vond. Hij grinnikte en zei: ‘Prost, Mädel.’ Hun glazen tikten tegen elkaar en op het moment dat Liesel het hare naar haar mond bracht werd zij overvallen door de bruisende, mierzoete smaak van champagne. Haar reflexen dwongen haar het meteen weer uit te spugen, over haar papa’s overall, waar het schuimend langs omlaag droop. Ze schoten allemaal in de lach en Hans moedigde haar aan het nog een keer te proberen. Deze keer was ze in staat het door te slikken en te genieten van de smaak van iets verrukkelijks en verbodens. Het voelde geweldig. De bubbels prikten op haar tong. Ze prikkelden haar maag. Toen ze naar het volgende adres liepen, voelde ze nog steeds de warme speldenprikken in haar binnenste.

Terwijl hij de kar voorttrok, vertelde Papa haar dat die mensen beweerden geen geld te hebben.

‘En toen vroeg je maar om champagne?’

‘Waarom niet?’ Hij keek haar aan en nog nooit waren zijn ogen zo zilverachtig geweest. ‘Ik wilde niet dat jij zou denken dat champagneflessen alleen worden gebruikt voor het rollen van verf.’ Hij waarschuwde haar. ‘Als je het maar niet tegen Mama vertelt. Afgesproken?’

‘Mag ik het Max wel vertellen?’

‘Natuurlijk, Max wel.’

Toen ze in de kelder over haar leven schreef, zwoer Liesel dat ze nooit meer champagne zou drinken, omdat het nooit meer zo lekker zou smaken als op die warme middag in juli.

Het was hetzelfde met accordeons.

Vaak wilde ze haar papa vragen of hij haar wilde leren spelen, maar op de een of andere manier was er altijd iets dat haar daarvan weerhield. Misschien vertelde een onbekende intuïtie haar dat zij er nooit zo op zou kunnen spelen als Hans Hubermann. Zelfs de grootste accordeonisten ter wereld konden toch zeker niet in zijn schaduw staan? Zij konden die achteloze concentratie op Papa’s gezicht nooit evenaren. Ook zou er geen voor schilderwerk geruilde sigaret tussen de lippen van de speler bungelen. En evenmin konden zij ooit een foutje maken en daar drie noten later nog om lachen. Niet zoals hij dat kon.

Soms werd ze in die kelder wakker en proefde ze het geluid van de accordeon in haar oren. Dan voelde ze de zoete prikkeling van champagne op haar tong.

Soms ging ze tegen de muur zitten, en verlangde ernaar dat er nog één keer zo’n warme vinger van verf langs de zijkant van haar neus zou druipen, of dat ze nog één keer naar die schuurpapierhanden van haar papa kon kijken.

Kon ze nog maar een keer zo onbewust zijn van alles, zoveel liefde voelen zonder het te weten en het verwarren met gelach en brood met niet meer dan de geur van jam erop.

Het was de mooiste tijd van haar leven.

Maar er viel ook een tapijt van bommen.

Vergis je niet.

Levendig en stralend zou een trilogie van geluk nog de hele zomer en een deel van de herfst voortduren. Vervolgens zou er een abrupt eind aan komen, want de stralen hadden pijn de weg gewezen.

Moeilijke tijden waren in aantocht.

Als een parade.

DUDEN WOORDENBOEK BETEKENIS 1

Zufriedenheit – geluk:
het ervaren van tevredenheid.
Gerelateerde woorden: vreugde, blijdschap,
fortuinlijk, voorspoedig.