RUDY’S JEUGD

Uiteindelijk moest ze het hem toch nageven.

Acteren kon hij als de beste.

EEN PORTRET VAN RUDY STEINER:
JULI 1941

Slierten modder omklemmen zijn gezicht. Zijn das
is een pendule, al een hele tijd dood in zijn klok.
Zijn citroenkleurige, door lampen verlichte haar
zit in de war en op zijn gezicht ligt een
droevige, absurde glimlach.

Hij stond een paar meter van de trap en sprak met volle overtuiging en grote blijdschap.

‘Alles ist Scheisse,’ verklaarde hij.

Het is één grote puinhoop.

In de eerste helft van 1941, terwijl Liesel het druk had met het verbergen van Max Vandenburg, het stelen van kranten en het uitfoeteren van burgemeestersvrouwen, leidde Rudy een geheel nieuw eigen leven, bij de Hitlerjeugd. Sinds begin februari kwam hij na elke bijeenkomst aanzienlijk slechter thuis dan dat hij er naartoe was gegaan. Vaak werd hij op die wandelingen naar huis vergezeld door Tommy Müller, die in dezelfde toestand verkeerde. Het probleem bestond uit drie onderdelen..

EEN DRIEDELIG PROBLEEM

1. Tommy Müllers oren.
2. Franz Deutscher – de woeste Hitlerjeugdleider.
3. Rudy’s eigenschap om zich overal mee te bemoeien.

Was Tommy Müller zes jaar eerder maar niet zeven uur lang vermist geweest op een van de koudste dagen uit de geschiedenis van München. Zijn oorontstekingen en zenuwbeschadigingen beïnvloedden nog steeds het marspatroon van de Hitlerjeugd en niet bepaald in positieve zin, dat kan ik je verzekeren.

Aanvankelijk ging het geleidelijk aan steeds slechter, maar met het verstrijken van de maanden, haalde Tommy zich in toenemende mate de woede van de Hitlerjeugdleiders op de hals, vooral wanneer het op marcheren aankwam. Weet je nog – Hitlers verjaardag het jaar ervoor? Hij had al een tijdje steeds meer last van oorontstekingen. Inmiddels was het punt bereikt waarop Tommy daadwerkelijk problemen kreeg met zijn gehoor. Hij kon de commando’s die de groep tijdens het marcheren werden toegeschreeuwd niet meer verstaan. Het maakte niet uit of het in de zaal was of buiten, in de sneeuw of de modder of in plensbuien.

Het doel was altijd iedereen tegelijkertijd te laten stilstaan.

‘Eén klik!’ werd hen voorgehouden. ‘Meer wil de Führer niet horen. Allemaal tegelijk. Allemaal tezamen als één!’

Maar dan Tommy.

Ik geloof dat het zijn linkeroor was. Dat was het slechtste van de twee en wanneer de barse kreet ‘Halt!’ de oren van alle anderen bereikte, marcheerde Tommy vrolijk en zonder iets in de gaten te hebben verder. In een oogwenk wist hij van een marslinie hondenvoer te maken.

Op een zaterdag, begin juli, even na half vier en een hele reeks door Tommy’s toedoen mislukte marspogingen, had Franz Deutscher (de ultieme naam voor de ultieme nazi-tiener) er schoon genoeg van.

‘Müller, du Affe!’ Zijn dikke blonde haar masseerde zijn hoofd en zijn woorden manipuleerden Tommy’s gezicht. ‘Aap die je bent – wat mankeert jou?’

Tommy deinsde angstig achteruit, maar desondanks slaagde zijn linkerwang erin een maniakale, vrolijke zenuwtrek te vertonen. Niet alleen leek hij met een triomfantelijke grijns te lachen, maar hij leek zich ook vrolijk te maken over de uitbrander. En Franz Deutscher pikte het niet langer. Zijn felblauwe ogen ziedden van woede.

‘Nou?’ vroeg hij. ‘Wat heb je voor jezelf te zeggen?’

Tommy’s zenuwtrek werd alleen maar erger, zowel wat snelheid als wat intensiteit betrof.

‘Sta je mij uit te lachen?’

‘Heil,’ zei Tommy hevig zenuwtrekkend, in een wanhopige poging tenminste nog iets goed te doen, maar hij kwam niet eens aan het ‘Hitler’-gedeelte toe.

Op dat moment kwam Rudy een stap naar voren. Hij ging voor Franz Deutscher staan en keek naar hem op. ‘Hij heeft een probleem, meneer – ’

‘Dat zie ik zelf ook wel!’

‘Met zijn oren,’ ging Rudy verder. ‘Hij kan niet – ’

‘Goed, zo is het genoeg.’ Deutscher wreef zich in zijn handen. ‘Jullie allebei – zes rondjes over het terrein.’ Ze gehoorzaamden, maar niet snel genoeg. ‘Schnell!’ riep hij hen na.

Toen ze de zes rondjes hadden gelopen kregen ze nog een paar driloefeningen van de ‘lopen, laat je vallen, sta op, laat je vallen’soort, en na vijftien lange minuten moesten ze zich nog een keer op de grond laten vallen en dat had eigenlijk de laatste keer moeten zijn.

Rudy keek omlaag.

Een omgewoelde cirkel van modder grijnsde hem toe.

Waar sta jij naar te kijken? leek de cirkel hem te vragen.

‘Op de grond!’ riep Franz.

Rudy sprong er natuurlijk overheen en liet zich op zijn buik vallen.

‘Opstaan!’ lachte Franz. ‘Een stap naar achteren.’ Ze deden het. ‘En op de grond!’

De boodschap was duidelijk en ditmaal accepteerde Rudy hem. Hij dook in de modder en hield zijn adem in en op dat moment, terwijl hij met zijn oor in die stinkende modder lag, was de oefening ten einde.

‘Vielen Dank, meine Herren,’ zei Franz Deutscher beleefd. ‘Hartelijk dank, mijne heren.’

Rudy ging op zijn knieën zitten, wroette wat in zijn oor en keek naar Tommy.

Tommy deed zijn ogen dicht en zijn gezicht vertrok.

Toen ze die dag terugkeerden naar de Himmelstraat, was Liesel, nog in haar BDM-uniform, met een paar van de jongere kinderen aan het hinkelen. Vanuit haar ooghoeken zag ze de twee trieste figuren op zich af komen. Een van hen riep haar naam.

Ze ontmoetten elkaar voor de deur van het betonnen schoenendooshuisje van de Steiners, en Rudy vertelde haar wat er die dag allemaal was voorgevallen.

Na tien minuten ging Liesel erbij zitten.

Na elf minuten zei Tommy, die naast haar zat: ‘Het is allemaal mijn schuld’, maar Rudy wuifde hem ergens tussen een zin en een glimlach weg, en veegde met zijn vinger een modderveeg doormidden. ‘Het is mijn – ’ probeerde Tommy nog een keer, maar ditmaal liet Rudy hem niet eens uitpraten en wees naar hem.

‘Tommy, doe me een lol.’ Er lag een eigenaardig tevreden blik op Rudy’s gezicht. Liesel had nog nooit iemand gezien die er zo miserabel uitzag, maar tegelijkertijd zo hartgrondig energiek. ‘Hou jij nu eens je mond en ga wat zitten – zenuwtrekken – of zoiets’, en hij ging verder met zijn verhaal.

Hij liep heen en weer.

Hij frunnikte aan zijn das.

De woorden werden haar toegeworpen en belandden ergens op het stenen trapje.

‘Die Deutscher,’ besloot hij opgewekt. ‘Die had ons goed te grazen, wat jij, Tommy?’

Tommy knikte, bewoog krampachtig zijn gezicht en zei, hoewel niet noodzakelijkerwijze in die volgorde: ‘Het kwam door mij.’

‘Tommy, wat heb ik nou gezegd?’

‘Wanneer?’

‘Nu! Houd je mond.’

‘Goed, Rudy.’

Toen Tommy enige tijd later diep ongelukkig naar huis liep, pro beerde Rudy een naar het scheen geweldige nieuwe tactiek.

Medelijden.

Op de trap keek hij naar de modder die als een knapperig laagje op zijn uniform was opgedroogd en wierp Liesel toen een hulpeloze blik toe. ‘Wat dacht je ervan, Saumensch?’

‘Wat dacht ik waarvan?’

‘Je weet wel…’

Liesel reageerde op de gebruikelijke manier.

‘Saukerl,’ lachte ze en ze liep het korte stukje naar huis. Een verontrustende mengeling van modder en medelijden was één ding, maar Rudy Steiner kussen was iets heel anders.

Terwijl hij met een treurig glimlachje zijn hand door zijn haar streek, riep hij haar na: ‘Wacht maar,’ waarschuwde hij haar. ‘Op een dag gaat het gebeuren, Liesel!’

Iets meer dan twee jaar later, toen ze in de vroege ochtenduren in de kelder zat te schrijven, hunkerde Liesel er soms naar om even naar de buren te gaan en hem te zien. Ook realiseerde ze zich dat het waarschijnlijk die ellendige tijd bij de Hitlerjeugd was geweest die zijn, en daarmee ook haar, verlangen naar misdaad had gevoed.

Want ondanks een regenbui zo nu en dan, begon het nu toch echt zomer te worden. Er moest weer gestolen worden.