DE VLAG

De laatste keer dat ik haar zag was rood. De hemel was als een kolkende, kokende soep. Op sommige plaatsen was hij aangebrand. Hier en daar zag je zwarte kruimels, en peper, tussen al dat rood.

Even ervoor waren er nog kinderen aan het hinkelen geweest, op de straat die eruitzag als met olievlekken besmeurde bladzijden. Toen ik aankwam kon ik de echo’s nog horen. De springende voeten op de straat. De vrolijke kinderstemmen en het lachen dat snel zou wegsterven.

En toen, bommen.

Deze keer was alles te laat.

De sirenes. De koekoekskreten op de radio. Allemaal te laat.

Binnen enkele minuten lagen overal bergen beton en aarde. De straten waren opengereten aderen. Bloed bleef stromen totdat het opdroogde op de weg en de lichamen bleven er liggen, als drijfhout na een overstroming.

Ze lagen vastgekleefd, stuk voor stuk. Een heel pakket aan zielen.

Was dit het noodlot?

Pech?

Was dat het wat hen daar vastgekleefd hield?

Natuurlijk niet.

Laten we ons niet van den domme houden.

Het had waarschijnlijk meer te maken met de bommen, omlaag gesmeten door mensen die zich tussen de wolken verscholen hielden.

Urenlang hield de lucht de vernietigend rode kleur van een zelfgebrouwen tomatensoepje. Het kleine Duitse stadje was uiteengereten. Sneeuwvlokken van as dwarrelden zo beeldschoon neer dat je in de verleiding kwam je tong uit te steken om ze te vangen, te proeven. Alleen zouden ze je lippen hebben geschroeid. Ze zouden je mond hebben verbrand.

Ik zie het heel duidelijk voor me.

Ik wilde net weggaan, toen ik haar op haar knieën op de grond zag zitten.

Om haar heen was een bergketen van puin vormgegeven, geconstrueerd en opgetrokken. Ze hield een boek in haar handen geklemd.

Wat de boekendief het allerliefste wilde was teruggaan naar de kelder, om te schrijven, of haar verhaal nog een laatste keer door te lezen. Achteraf zie ik dat zo duidelijk op haar gezicht. Ze hunkerde ernaar – naar de veiligheid, het huiselijke ervan – maar ze kon zich niet verroeren. Bovendien bestond de kelder niet meer. Die maakte deel uit van het verwoeste landschap.

Ik vraag je nogmaals, alsjeblieft, mij te geloven.

Ik wilde blijven staan. Op mijn hurken gaan zitten.

Ik wilde zeggen:

‘Het spijt me zo, kindje.’

Maar dat mag niet.

Ik hurkte niet bij haar neer. Ik zei niets.

In plaats daarvan bleef ik een poosje naar haar staan kijken. Toen ze zich weer kon bewegen, volgde ik haar.

Ze liet het boek vallen.

Ze knielde neer.

De boekendief huilde.

Toen het puinruimen begon, werd er verschillende keren op haar boek getrapt, en hoewel er opdracht was gegeven alleen het betonpuin op te ruimen, werd het kostbaarste bezit van het meisje in een vuilnisauto gegooid, waarop ik mij verplicht voelde iets te doen. Ik klom in de auto en nam het in mijn hand, zonder te beseffen dat ik haar verhaal in de loop der jaren, gedurende mijn reizen, honderden keren zou lezen. Ik zou de plekken zien waar onze wegen elkaar kruisten en me verwonderen over wat het meisje zag en hoe zij overleefde. Veel meer dan dat kan ik niet doen – kijken hoe het samenvalt met al het andere wat ik gedurende die tijd aanschouwde.

Wanneer ik aan haar denk, zie ik een lange lijst van kleuren, maar het zijn de drie waarin ik haar in levenden lijve zag die de meeste indruk hebben gemaakt. Soms lukt het me om ver boven die drie momenten te zweven. Dan hang ik daar, net zolang tot een etterende waarheid door een poel van bloed boven komt drijven.

Dan zie ik ze een vorm aannemen.

DE KLEUREN

ROOD:

WIT:

ZWART:

Ze vallen bovenop elkaar. Het gekrabbelde kenmerkende zwart op het oogverblindende aardbolvormige wit, bovenop het dikke, soeperige rood.

Ja, ik word vaak aan haar herinnerd en in een van mijn vele, vele zakken, draag ik haar verhaal met me mee om steeds opnieuw te vertellen. Het is er één van de vele die ik bij me draag en ieder op hun eigen manier zijn ze stuk voor stuk heel bijzonder. Elk verhaal is een poging – een bovenmenselijke poging – om mij te bewijzen dat jullie, en jullie menselijke bestaan, het waard zijn.

Hier is het. Een van de vele.

De Boekendief.

Als je er zin in hebt, ga dan met me mee. Dan zal ik je een verhaal vertellen.

Dan zal ik je iets laten zien.