BOEK VAN VUUR

Geleidelijk aan begon het donker te worden en toen de sigaret was opgerookt, begonnen Liesel en Hans Hubermann aan de wandeling naar huis. Om van het plein af te komen, moesten ze langs de plek van het vreugdevuur en door een smalle zijstraat naar de Münchenstraat lopen. Zo ver kwamen ze niet.

Ze werden geroepen door een timmerman van middelbare leeftijd, Wolfgang Edel genaamd. Hij had de platforms gebouwd waarop de nazihotemetoten tijdens het vreugdevuur hadden gestaan en hij was nu druk bezig ze weer af te breken. ‘Hans Hubermann?’ Hij had lange bakkebaarden, die naar zijn mond wezen, en een zware stem. ‘Hansi!’

‘Hé, Wolfal,’ antwoordde Hans. Het meisje werd voorgesteld en er volgde een ‘heil Hitler’. ‘Goed zo, Liesel.’

De eerste paar minuten bleef Liesel binnen een straal van vijf meter van het gesprek. Ze hoorde wel fragmenten langskomen, maar besteedde er niet al te veel aandacht aan.

‘Heb je veel werk de laatste tijd?’

‘Nee, de baantjes liggen niet meer voor het opscheppen. Je weet hoe het gaat, vooral wanneer je geen lid bent.’

‘Maar je zei toch dat je lid zou worden, Hansi.’

‘Dat heb ik geprobeerd, maar ik heb een vergissing begaan – ik denk dat ze nog geen beslissing hebben genomen.’

Liesel wandelde in de richting van de berg van as. Hij stond daar als een magneet, een rariteit. Onweerstaanbaar voor de ogen, net zoiets als de straat van de gele sterren.

Net als met haar drang om het aansteken van de berg te zien, kon ze ook nu haar ogen er niet vanaf houden. In haar eentje bezat ze niet de discipline om op veilige afstand te blijven. Hij zoog haar naar zich toe en zij begon er omheen te lopen.

Boven haar was de hemel bezig haar verduisteringsroutine te voltooien, maar in de verte, achter de berg, was nog vaag een spoor van licht te zien.

‘Pass auf, Kind,’ zei een uniform op een gegeven moment tegen haar. ‘Kijk uit, kind,’ terwijl hij de ene schep as na de andere op een kar gooide.

Dichter bij het stadhuis, onder een lantaarnpaal, stonden enkele schaduwen waarschijnlijk na te praten over het succes van het vreugdevuur. Waar Liesel stond, vormden hun stemmen slechts klanken. Geen woorden.

Zij bleef een paar minuten staan kijken naar de mannen die bezig waren de berg weg te scheppen. Eerst schepten zij as van de zijkanten, zodat hij steeds verder instortte. Ze liepen heen en weer tussen de berg en een vrachtwagen en nadat ze dat drie keer hadden gedaan en de hoop bijna was teruggebracht tot een dikke laag op de grond, gleed er opeens een klein stukje levend materiaal onder de as vandaan.

HET MATERIAAL

Een halve rode vlag, twee affiches
over het werk van een joodse dichter,
drie boeken, en een houten bord waarop
iets in het Hebreeuws geschreven stond.

Misschien waren de voorwerpen vochtig geweest. Misschien had het vuur niet lang genoeg gebrand om helemaal door te dringen tot de diepte waar ze zaten. Wat de reden ook mocht zijn, ze lagen dicht tegen elkaar aan tussen de as, bibberend. Overlevenden.

‘Drie boeken,’ zei Liesel zachtjes, en ze keek naar de ruggen van de mannen.

‘Kom op,’ zei een van hen. ‘Schieten jullie nou eens een beetje op, ik sterf van de honger.’

Ze liepen naar de vrachtwagen.

De drie boeken prikten hun neuzen naar buiten.

Liesel kwam in actie.

Toen ze aan de voet van de asberg stond was de hitte nog steeds krachtig genoeg om haar te verwarmen. Toen ze haar hand uitstak werd ze gebeten, maar bij de tweede poging zorgde ze ervoor dat ze sneller was. Ze greep het boek dat het dichtst bij haar lag. Het was blauw en de randen waren een beetje geschroeid, maar verder was het ongedeerd.

De kaft voelde alsof hij geweven was van honderden strakgetrokken draden en vervolgens was platgedrukt. In het weefsel stonden rode letters geperst. Het enige woord wat Liesel in de gauwigheid kon lezen was Schouder. Voor de rest was geen tijd en bovendien had ze een probleem. De rook.

De rook steeg op van de kaft toen zij het snel wegstopte en wegrende. Ze hield haar hoofd gebogen en het misselijke gevoel van zenuwen werd met elke stap erger. Ze zette veertien stappen voordat de stem kwam.

Hij dook opeens op, vlak achter haar.

‘Hé!’

Op dat moment was ze bijna teruggerend om het boek weer op de berg te gooien, maar ze kon het niet. De enige beweging die haar lichaam haar toestond was zich omdraaien.

‘Hier liggen nog wat dingen die niet zijn verbrand.’ Het was een van de schoonmakers. Hij had het niet tegen het meisje, maar tegen de mensen die voor het stadhuis stonden.

‘Dan verbrand je ze alsnog!’ kwam het antwoord. ‘En let dan goed op dat ze echt verbranden!’

‘Volgens mij zijn ze nat!’

‘Jezus, Maria en Jozef, moet ik dan alles zelf doen?’ Er kwamen voetstappen langs. Het was de burgemeester, die een zwarte jas over zijn nazi-uniform droeg. Hij had geen erg in het meisje dat vlakbij stond, maar geen vin verroerde.

EEN PLOTSELING BESEF

Op het plein stond
een standbeeld van de boekendief…
Het is heel ongewoon, vind je ook niet,
dat een standbeeld er al staat voordat
het onderwerp beroemd is geworden?

Zij zonk weg.

Wat spannend om niet gezien te worden!

Het boek was inmiddels voldoende afgekoeld om het onder haar uniform te kunnen schuiven. Eerst voelde het nog lekker warm aan tegen haar borst. Maar toen ze weer in beweging kwam, begon het weer erg warm te worden.

Tegen de tijd dat ze weer bij Papa en Wolfgang Edel stond, begon het boek haar te branden. Het leek wel vlam te vatten.

De mannen keken in haar richting.

Zij lachte.

Meteen toen de glimlach van haar lippen verdween, voelde ze iets anders. Of liever gezegd, iemand anders. Ze herkende het gevoel, er werd naar haar gekeken. Het was onmiskenbaar en het werd bevestigd toen ze een blik waagde in de richting van de schaduwen bij het stadhuis. Een meter of twee van het groepje silhouetten verwijderd, stond er nog een, en Liesel realiseerde zich twee dingen.

ENKELE KLEINE STUKJES HERKENNING

1. De identiteit van de schaduw
en

2. Het feit dat hij alles had gezien.

De schaduw had de handen in de zakken.

En had pluishaar.

Als de schaduw een gezicht had, lag daar ongetwijfeld een gepijnigde uitdrukking op.

‘Gott verdammt,’ zei Liesel, hard genoeg om het alleen zelf te kunnen horen. ‘Godverdomme.’

‘Kunnen we?’

In de laatste paar ogenblikken van overweldigend gevaar, had Papa afscheid genomen van Wolfgang Edel en was klaar om met Liesel naar huis te gaan.

‘We kunnen,’ antwoordde zij.

Ze maakten aanstalten de plaats van het misdrijf te verlaten en het boek brandde nu echt volop tegen haar borst. Het Schouderophalen zat aan haar ribbenkast gekleefd.

Op het moment dat zij de gevaarlijke stadhuisschaduwen passeerden, verscheen er een angstige blik op het gezicht van de boekendief.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Papa.

‘Niks.’

Maar er waren wel degelijk een paar dingen aan de hand:

Er steeg rook op uit Liesels kraag.

Om haar hals vormde zich een ketting van zweet.

Onder haar blouse werd ze opgegeten door het boek.