DE KAARTSPELER

Ongeveer op hetzelfde ogenblik dat Rudy en Liesel de koekjes aten, zaten de mannen van de LSE in een stadje niet ver van Essen uit te rusten en een kaartje te leggen. Ze hadden net de lange weg vanuit Stuttgart afgelegd en speelden om sigaretten. Reinhold Zucker was geen gelukkig mens.

‘Hij speelt vals, ik zweer het je,’ mompelde hij. Ze bevonden zich in een schuur die fungeerde als hun barak en Hans Hubermann had zojuist voor de derde achtereenvolgende keer gewonnen. Zucker smeet geërgerd zijn kaarten op tafel en haalde een drietal vuile vingernagels door zijn vette haar.

ENKELE FEITEN OVER
REINHOLD ZUCKER

Hij was vierentwintig. Wanneer hij een potje kaarten
won, verkneukelde hij zich – dan hield hij de dunne

staafjes tabak onder zijn neus en snoof eraan. ‘De geur
van de overwinning,’ zei hij dan. O, en nog iets anders:
hij zou sterven met zijn mond open.

In tegenstelling tot de jongeman links van hem, verkneukelde Hans Hubermann zich helemaal niet wanneer hij won. Hij was zelfs royaal genoeg om elke collega een van zijn sigaretten terug te geven en hem voor hem aan te steken. Reinhold Zucker was de enige die dit weigerde. Hij griste de aangeboden sigaret uit Hubermanns hand en smeet hem terug in de doos. ‘Ik hoef jouw liefdadigheid niet, ouwe.’ Toen stond hij op en liep weg.

‘Wat mankeert hem?’ wilde de sergeant weten, maar niemand nam de moeite om te antwoorden. Reinhold Zucker was gewoon een knul van vierentwintig die niet kon kaarten.

Als hij al zijn sigaretten niet aan Hans Hubermann had verloren, had hij niet zo’n hekel aan hem gehad. Als hij niet zo’n hekel aan hem had gehad, had hij misschien een paar weken later op een vrij ongevaarlijke weg zijn plaats niet ingenomen.

Eén zitplaats, twee mannen, een korte woordenwisseling en ik.

Ik kan er soms met mijn verstand niet bij, hoe mensen aan hun eind komen.