BEKENTENISSEN
Toen de joden waren verdwenen, maakten Rudy en Liesel zich van elkaar los. De boekendief zei niets. Ze had geen antwoorden op Rudy’s vragen.
Liesel ging ook niet naar huis. Ze liep verloren naar het treinstation, waar ze uren op haar papa wachtte. Eerst bleef Rudy bij haar, maar aangezien het nog een halve dag zou duren voordat Hans thuis zou komen, ging hij Rosa halen. Op de terugweg vertelde hij haar wat er was gebeurd en toen Rosa aankwam, stelde ze het meisje geen vragen. Ze had de puzzelstukjes al in elkaar gepast en ging zwijgend bij haar staan en wist haar uiteindelijk over te halen te gaan zitten. Samen wachtten ze op Hans.
Toen Papa hoorde wat er was gebeurd, liet hij zijn tas vallen en maakte een schoppende beweging in de lucht.
Die avond kreeg niemand een hap door zijn keel. Papa’s vingers mishandelden de accordeon en vermoordden het ene lied na het andere, hoezeer hij ook zijn best deed. Alles en iedereen was van slag.
De boekendief bleef drie hele dagen in bed.
Elke ochtend en middag kwam Rudy Steiner aan de deur om te vragen of zij nog steeds ziek was. Het meisje was niet ziek.
Op de vierde dag liep Liesel naar de voordeur van de buren en vroeg of hij met haar mee wilde gaan naar de bosrand, waar zij vorig jaar het brood hadden uitgedeeld.
‘Ik had het je eerder moeten vertellen,’ zei ze.
Zoals afgesproken, liepen ze een heel eind de weg af, in de richting van Dachau. Een tijdje later stonden ze tussen de bomen. Ze zagen langwerpige patronen van licht en schaduw. Dennenappels lagen verspreid alsof het koekjes waren.
Bedankt, Rudy.
Voor alles. Omdat je me van de weg hebt gehaald, omdat je me hebt tegengehouden…
Ze zei niets.
Haar hand rustte op een schilferende tak naast haar. ‘Rudy, als ik je nu iets vertel, beloof je me dan dat je er met niemand over zult praten?’
‘Natuurlijk.’ Hij voelde de ernst op het gezicht van het meisje en de serieuze klank in haar stem. Hij leunde tegen de boom naast de hare. ‘Wat is er dan?’
‘Eerst beloven.’
‘Dat heb ik al gedaan.’
‘Dan doe je het nog maar een keer. Je mag het je moeder niet vertellen, en ook je broer niet of Tommy Müller. Niemand.’
‘Ik beloof het.’
Leunen.
Naar de grond kijken.
Ze probeerde een paar keer een goed begin te zoeken, de zinnen aan haar voeten te lezen, woorden te verbinden met dennenappels en gebroken takken.
‘Weet je nog toen ik me blesseerde bij het voetballen,’ zei ze, ‘op straat?’
Het kostte haar ongeveer drie kwartier om hem twee oorlogen, een accordeon, een joodse vuistvechter en een kelder uit te leggen. En niet te vergeten wat er nog maar een paar dagen eerder in de Münchenstraat was gebeurd.
‘Daarom ging je toen dus dichterbij staan,’ zei Rudy, ‘die dag met het brood. Om te zien of hij erbij was.’
‘Ja.’
‘Gekruisigde Christus.’
‘Ja.’
De bomen waren hoog en driehoekig. Ze maakten geen geluid.
Liesel haalde De Woordschudder uit haar tas en liet Rudy een van de pagina’s zien. Er stond een jongen op afgebeeld met drie medailles om zijn nek.
‘Haar met de kleur van citroenen,’ las Rudy. Zijn vingers raakten de woorden aan. ‘Heb je hem over mij verteld?’
Eerst kon Liesel geen woord uitbrengen. Misschien was het de plotselinge opwelling van liefde die ze voor hem voelde. Of had ze altijd van hem gehouden? Waarschijnlijk wel. Nu ze niet kon spreken wilde ze dat hij haar zou kussen. Ze wilde dat hij zijn hand naar haar zou uitsteken en haar naar zich toe zou trekken. Het maakte niet uit waar hij haar kuste. Haar mond, haar hals, haar wang. Haar huid voelde leeg en wachtte op hem.
Jaren geleden, toen zij om het hardst hadden gelopen op een modderig veld, was Rudy nog een haastig in elkaar gekwakt partijtje botten, met een scheve, onzekere glimlach. Vanmiddag, tussen de bomen, was hij een gever van brood en teddyberen. Hij was een drievoudig atletiekkampioen van de Hitlerjeugd. Hij was haar beste vriend. En over een maand zou hij dood zijn.
‘Natuurlijk heb ik hem over jou verteld,’ zei Liesel.
Ze nam afscheid en ze wist het niet eens.