HITLERS VERJAARDAG, 1940
Tegen beter weten in, keek Liesel de hele maand maart en nog een heel stuk van april elke middag in de brievenbus. Dit was ondanks een door Hans aangevraagd bezoekje van Frau Heinrich, die de Hubermanns vertelde dat het bureau van de pleegzorg alle contact met Paula Meminger verloren had. Toch hield het meisje vol en zoals je kon verwachten zat er elke dag opnieuw niets voor haar tussen de post.
Net als de rest van Duitsland, verkeerde ook Molching in de greep van de voorbereidingen voor Hitlers verjaardag. Gezien de ontwikkeling van de oorlog en Hitlers huidige overwinnaarspositie wilden de nazipartizanen van Molching de dag met gepaste uitbundigheid vieren. Er zou een parade worden gehouden. Marcherende soldaten. Muziek. Zang. Er zou een vuur worden ontstoken.
Terwijl Liesel door de straten van Molching liep om was- en strijkgoed op te halen en af te geven, waren leden van de nazipartij bezig met het verzamelen van brandstof. Liesel zag een paar keer hoe mannen en vrouwen langs de deuren gingen om mensen te vragen of zij nog spullen hadden waar ze vanaf wilden en die konden worden verbrand. Papa’s exemplaar van de Molchinger Zeitung kondigde aan dat er een vreugdevuur zou worden ontstoken op het grote plein en dat alle plaatselijke afdelingen van de Hitlerjeugd daarbij aanwezig zouden zijn. Het was niet alleen om de verjaardag van de Führer te vieren, maar ook de overwinning op zijn vijanden en de beperkingen die Duitsland sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog in de weg hadden gestaan. ‘Alle materialen,’ zo luidde het verzoek aan de lezers, ‘uit die tijd – zoals kranten, aanplakbiljetten, boeken, vlaggen – en alle gevonden propaganda van onze vijanden dienen te worden ingeleverd bij het kantoor van de nazipartij in de Münchenstraat.’
Zelfs de Schillerstraat – de straat van de gele sterren – die nog wachtte op renovatie, werd nog een allerlaatste keer geplunderd om iets, wat dan ook, te vinden dat kon worden verbrand ter meerdere eer en glorie van de Führer. Niemand zou ervan hebben opgekeken als bepaalde leden van de Partij in het geheim een stuk of duizend boeken of aanplakbiljetten van lasterlijke morele aard hadden laten drukken, alleen maar om ze in de fik te steken.
Alles stond gereed om van 20 april een geweldige dag te maken. Het zou een dag worden vol vuur en gejuich.
En boekendiefstal.
Bij de Hubermanns ging die ochtend alles zijn gewone gang.
‘Die Saukerl zit weer uit het raam te kijken,’ schold Rosa Hubermann. ‘Elke dag,’ vervolgde ze. ‘Waar zit je nu weer naar te kijken?’
‘Ooo,’ verzuchtte Papa, verrukt. De vlag hing vanaf de bovenkant van het raam op zijn rug. ‘Je zou de vrouw waar ik nu naar kijk eens moeten zien.’ Hij keek over zijn schouder en grijnsde naar Liesel. ‘Misschien ga ik haar wel achterna. Jij kunt niet aan haar tippen, Mama.’
‘Schwein!’ Ze schudde de houten lepel naar hem.
Papa bleef uit het raam kijken, naar een denkbeeldige vrouw en een hele echte galerij van Duitse vlaggen.
In de straten van Molching waren die dag alle ramen versierd voor de Führer. Van sommige panden, zoals dat van Frau Diller, waren de ramen netjes gezeemd, hing de vlag er smetteloos bij en leek de swastika wel een sieraad op een rood met wit doek. Elders hing de vlag als wasgoed van de vensterbank. Maar hij hing er wel.
Eerder die ochtend was er sprake geweest van een kleine ramp. De Hubermanns konden hun vlag niet vinden.
‘Straks komen ze ons halen,’ waarschuwde Mama haar echtgenoot. ‘Dan nemen ze ons mee.’ Ze. ‘We moeten hem vinden!’ Op een gegeven moment leek het erop dat Papa naar de kelder zou moeten om een vlag te schilderen op een van zijn afdeklakens. Gelukkig dook hij toch nog op, verborgen achter de accordeon in de kast.
‘Die ellendige accordeon stond ervoor!’ Mama draaide zich om. ‘Liesel!’
Het meisje kreeg de eer de vlag voor het raam te hangen.
Later kwamen Hans Junior en Trudy langs voor het middageten, net als met Kerstmis, of Pasen. Dit lijkt me een goed moment om hen wat nader voor te stellen:
Trudy, of Trudel, zoals zij vaak werd genoemd, was maar een paar centimeter groter dan Mama. Ze had dezelfde waggelende manier van lopen, maar verder was zij veel milder. Als inwonend dienstmeisje in een rijk deel van München had ze waarschijnlijk haar buik vol van kinderen, maar ze had toch altijd wel een paar glimlachende woorden voor Liesel. Ze had zachte lippen. Een zachte stem.
Hans Junior had de ogen en de lengte van zijn vader. Het zilver in zijn ogen was echter niet warm, zoals bij Papa – zijn ogen waren ge-Führerd. Ook had hij meer vlees op zijn botten, blond stekelhaar en een huid met de kleur van gebroken witte verf.
Ze kwamen samen met de trein uit München en het duurde niet lang voordat oude spanningen de kop opstaken.
EEN KORTE
GESCHIEDENIS VAN
HANS HUBERMANN VERSUS
ZIJN ZOON
De jongeman was een nazi; zijn vader was
dat niet.
Volgens Hans Junior maakte zijn vader deel uit van
een oud, afgetakeld Duitsland – een Duitsland dat zich
door Jan en Alleman in de spreekwoordelijke luren liet
leggen terwijl de eigen bevolking leed. Als tiener had
hij zijn vader ‘der Judenmaler’ – de jodenschilder – horen
noemen, omdat hij joodse huizen schilderde. Vervolgens
vond er een incident plaats dat ik later nog uitgebreid
uit de doeken zal doen – de dag dat Hans het verknalde,
terwijl hij op het punt stond lid te worden van de
Partij.
Iedereen wist dat je niet geacht werd de scheldwoorden
over te schilderen waarmee joodse winkels werden
beklad. Dergelijk gedrag was slecht voor Duitsland,
en het was slecht voor de overtreder.
‘En, hebben ze je nu al toegelaten?’ Hans Junior ging verder waar ze afgelopen kerst waren opgehouden.
‘Tot wat?’
‘Drie keer raden – de Partij natuurlijk.’
‘Nee, ik denk dat ze me zijn vergeten.’
‘Maar heb je het wel geprobeerd? Je kunt toch niet gewoon op de nieuwe wereld gaan zitten wachten? Je moet erop uit gaan en eraan meewerken – ondanks de fouten die je in het verleden hebt begaan.’
Papa keek op. ‘Fouten? Ik heb in mijn leven veel fouten gemaakt, maar het feit dat ik niet bij de nazipartij ben gegaan hoort daar niet bij. Ze hebben nog steeds mijn aanvraag – dat weet je – maar ik kon niet terug om het te gaan vragen. Ik heb gewoon…’
Dat was het moment waarop er een enorme huivering arriveerde.
Hij walste samen met de tocht door het raam naar binnen. Misschien was het de bries van het Derde Rijk die steeds sterker werd. Of misschien was het de ademhaling van Europa. In elk geval overviel het hen terwijl in de keuken hun metaalachtige ogen kletterend als blikjes met elkaar in botsing kwamen.
‘Je hebt nooit om dit land gegeven,’ zei Hans Junior. ‘Niet genoeg althans.’
Er verscheen een bijtende blik in Papa’s ogen. Hans Junior liet zich er niet door weerhouden. Om de een of andere reden keek hij naar het meisje. Met haar drie boeken rechtop voor zich op tafel, alsof ze met elkaar in gesprek waren, sprak Liesel geluidloos de woorden uit die ze in een ervan zat te lezen. ‘En wat voor rotzooi zit dat kind te lezen? Ze zou Mein Kampf moeten lezen.’
Liesel keek op.
‘Maak je geen zorgen, Liesel,’ zei Papa. ‘Lees maar lekker door. Hij weet niet waarover hij het heeft.’
Maar Hans Junior was nog niet klaar. Hij kwam een stap dichterbij en zei: ‘Je bent vóór de Führer of je bent tégen hem – en ik zie wel dat jij tegen hem bent. Dat ben je altijd geweest.’ Liesel keek naar Hans Juniors gezicht, gefascineerd door zijn dunne lippen en de ongelijke lijn van zijn ondertanden. ‘Het is gewoon zielig – hoe een man zonder een vinger uit te steken kan toezien terwijl een heel volk de rotzooi opruimt en zichzelf groot maakt.’
Trudy en Mama zaten er zwijgend en angstig bij, net als Liesel. De keuken rook naar erwtensoep, iets aangebrands en een confrontatie.
Ze zaten allemaal te wachten op de volgende woorden.
Ze kwamen van de zoon. Het waren er maar vier.
‘Lafaard die je bent.’ Hij smeet ze in Papa’s gezicht en liep meteen daarop de keuken en het huis uit.
Ook al wist hij dat het geen zin had, toch liep Papa naar de deur en riep zijn zoon na: ‘Lafaard? Ben ik de lafaard?!’ Vervolgens rende hij hem al roepend achterna. Mama haastte zich naar het raam, trok de vlag weg en deed het open. Zij, Trudy en Liesel verdrongen zich om te zien hoe een vader zijn zoon inhaalde, beetpakte en smeekte om te blijven staan. Ze konden niets horen, maar de manier waarop Hans Junior zich losrukte klonk luid genoeg. De aanblik van Papa die hem nakeek bulderde hen vanaf de straat toe.
‘Hansi!’ riep Mama ten slotte. Zowel Trudy als Liesel schrokken van haar stem. ‘Kom terug!’
De jongen was verdwenen.
Ja, de jongen was verdwenen en ik wilde dat ik je kon vertellen dat alles goed afliep voor de jongste Hans Hubermann, maar dat deed het niet.
Nadat hij die dag uit naam van de Führer uit de Himmelstraat was verdwenen, raasde hij door de gebeurtenissen van een ander verhaal, waarbij elke tragische stap hem dichter bij Rusland bracht.
Naar Stalingrad.
ENKELE FEITEN
OVER STALINGRAD
1. In 1942 en begin ’43 was in die stad
elke ochtend
de lucht zo wit als een laken.
2. Terwijl ik de hele rest van de dag bezig was
de zielen er overheen te dragen,
raakte dat laken besmeurd met bloed,
net zolang tot het vol was
en zwaar omlaag hing naar de aarde.
3. ’s Avonds werd het uitgewrongen en opnieuw gebleekt,
klaar voor de volgende dageraad.
4. En dat was toen er alleen nog maar overdag werd
gevochten.
Toen zijn zoon weg was, bleef Hans Hubermann nog even staan. De straat leek zo groot.
Toen hij weer binnenkwam, keek Mama hem strak aan, maar er werd niets gezegd. Ze las hem niet eens de les, hetgeen, zoals je weet, hoogst uitzonderlijk was. Misschien vond ze dat hij voldoende gekwetst was, nu hij door zijn enige zoon voor lafaard was uitgemaakt.
Na het eten bleef hij nog enige tijd zwijgend aan tafel zitten. Was hij werkelijk een lafaard, zoals zijn zoon zo hardvochtig had geroepen? Zeker, in de Eerste Wereldoorlog had hij zichzelf wel als zodanig beschouwd. Hij had er zijn leven aan te danken. Maar aan de andere kant, is het laf om je angst te erkennen? Is het laf om blij te zijn dat je het er levend vanaf hebt gebracht?
Terwijl hij naar de tafel staarde liepen zijn gedachten er kriskras overheen.
‘Papa?’ vroeg Liesel, maar hij keek haar niet aan. ‘Waar had hij het over? Wat bedoelde hij toen…’
‘Niks,’ antwoordde Papa. Hij sprak, heel rustig en zacht, tegen de tafel. ‘Het is onbelangrijk. Denk maar niet meer aan hem, Liesel.’ Het bleef bijna een minuut stil. ‘Moet jij je niet eens gaan klaarmaken?’ Ditmaal keek hij haar aan. ‘Heb jij geen vreugdevuur waar je bij moet zijn?’
‘Ja, Papa.’
De boekendief ging haar uniform van de Hitlerjeugd aantrekken en een halfuur later gingen ze op weg naar het BDM-hoofdkwartier. Daarvandaan zouden de kinderen groepsgewijs naar het grote plein worden gebracht.
Er zouden toespraken worden gehouden.
Er zou een vuur worden ontstoken.