DE WOEDE VAN ROSA

Liesel was alweer in slaap gevallen toen de onmiskenbare stem van Rosa Hubermann de keuken binnenkwam. Ze schrok er wakker van.

‘Was ist los?’

Op het moment dat ze zich een tirade van een woedende Rosa voorstelde won haar nieuwsgierigheid het van haar voorzichtigheid. Ze hoorde dingen bewegen, waaronder het schuiven van een stoel.

Na zich tien minuten lang met de allergrootste moeite te hebben ingehouden, liep Liesel naar de gang en wat zij zag verbaasde haar ten zeerste, want Rosa Hubermann stond naast Max Vandenburg en keek hoe hij haar beruchte erwtensoep verorberde. Er stond een kaars op tafel. Het vlammetje flakkerde niet.

Mama was heel ernstig.

Ze maakte zich zorgen.

Op de een of andere manier lag er echter ook een triomfantelijke blik op haar gezicht en het was niet de triomf om het feit dat zij een ander menselijk wezen van vervolging had gered. Het had meer iets van: ‘Zie je nu wel? Hem hoor je niet klagen.’ Ze keek van de soep naar de jood naar de soep.

Toen ze haar mond weer opendeed was het alleen om te vragen of hij nog meer soep wilde.

Max sloeg het aanbod af en rende liever naar de gootsteen om over te geven. Zijn rug schokte en hij hield zijn armen gespreid. Zijn vingers grepen het metaal vast.

‘Jezus, Maria en Jozef,’ mompelde Rosa. ‘Hij ook al.’

Max draaide zich om, om zich te verontschuldigen. Zijn woorden klonken glibberig en klein, de kop ingedrukt door het maagzuur. ‘Het spijt me. Ik denk dat ik te veel gegeten heb. Mijn maag, weet u, het was al zo lang geleden dat… ik geloof niet dat ik nog zoveel…’

‘Uit de weg,’ gebood Rosa hem. Ze begon op te ruimen.

Toen ze klaar was, zag ze de jongeman somber aan de keukentafel zitten. Hans zat tegenover hem, zijn handen gevouwen boven het hout.

Vanuit de gang kon Liesel het bleek weggetrokken gezicht van de vreemdeling zien en daarachter de bezorgde uitdrukking die een knoeiboel maakte van Mama’s gezicht.

Ze keek naar haar beide pleegouders.

Wie waren deze mensen?