OPLICHTERS
Je zou kunnen aanvoeren dat Liesel Meminger het makkelijk had. Vergeleken met Max Vandenburg had ze het ook makkelijk. Goed, haar broertje was praktisch in haar armen overleden. Haar moeder had haar in de steek gelaten.
Maar alles was beter dan een jood te zijn.
In de tijd voorafgaand aan de komst van Max, raakten ze weer een wasklant kwijt, ditmaal de Weingartners. In de keuken vond het obligate schimpfen plaats en Liesel verzoende zich met het feit dat ze nog twee klanten over hadden en, nog beter, dat een van hen de burgemeester was, met zijn vrouw en zijn boeken.
Wat Liesels andere activiteiten aangaat, ze haalde nog steeds kattenkwaad uit met Rudy Steiner. Ik zou zelfs zover willen gaan om te zeggen dat zij hun zondige levensstijl steeds verder verfijnden.
Om zich te bewijzen en hun dievenrepertoire uit te breiden, ondernamen ze nog een paar uitstapjes met Arthur Berg en zijn vrienden. Ze pikten aardappels bij de ene boerderij en uien van een andere. Hun grootste overwinning boekten zij echter samen.
Zoals we al eerder hebben gezien, was een van de voordelen van het wandelen door de stad de kans dat je dingen vond op straat. Een ander voordeel was dat je zag hoe mensen, of liever gezegd, dezelfde mensen, week in, week uit dezelfde dingen deden.
Een van die mensen was Otto Sturm, een jongen van school. Elke vrijdagmiddag reed hij op de fiets naar de kerk, om goederen te brengen naar de priesters.
Terwijl het mooie weer steeds slechter werd, hielden zij hem een maand lang in de gaten en met name Rudy was vastbesloten dat op een vrijdag in een uitzonderlijk koude week in oktober, Otto zijn eindbestemming niet zou halen.
‘Al die priesters,’ zei Rudy, terwijl ze samen door de stad liepen. ‘Ze zijn toch allemaal veel te dik. Die kunnen best een weekje zonder eten.’
Liesel kon het alleen maar met hem eens zijn. Ten eerste was ze niet katholiek. Ten tweede had ze zelf flinke honger. Zoals altijd droeg zij de was. Rudy droeg twee emmers koud water, of zoals hij het zelf noemde, twee emmers toekomstig ijs.
Even voor tweeën ging hij aan de slag.
Zonder een ogenblik te aarzelen, goot hij het water op de weg, precies op de plek waar Otto de hoek om zou komen fietsen.
Liesel moest het toegeven.
Eerst voelde zij zich wel een heel klein beetje schuldig, maar het plan was volmaakt, volmaakter kon bijna niet. Elke vrijdagmiddag, om even na tweeën, fietste Otto Sturm de Münchenstraat in met de spullen in de mand die aan zijn stuur hing. Deze vrijdag zou hij niet verder komen.
De straat was van zichzelf al glad, maar Rudy bracht nog een extra laag aan. Hij kon zijn grijns, die als een glijbaan over zijn gezicht liep, nauwelijks onderdrukken.
‘Kom mee,’ zei hij, ‘die struik daar.’
Na pakweg een kwartiertje wierp het duivelse plan zijn vruchten af, om het zo maar eens te zeggen.
Rudy wees met zijn vinger door een opening in de struik. ‘Daar heb je ’m.’
Otto kwam de hoek om, zo sukkelig als een lammetje.
Hij verloor geen seconde om de controle over zijn fiets te verliezen, over het ijs te glijden en met zijn gezicht plat op straat te vallen.
Toen hij zich niet bewoog, keek Rudy Liesel geschrokken aan. ‘Gekruisigde Christus,’ zei hij. ‘Misschien hebben we hem wel vermoord!’ Hij kroop langzaam achter de struik vandaan, pakte de mand en maakte zich samen met Liesel uit de voeten.
‘Ademde hij nog?’ vroeg Liesel een eindje verder in de straat.
‘Keine Ahnung,’ zei Rudy, de mand tegen zich aan klemmend. Hij had geen idee.
Van onder aan de heuvel keken zij hoe Otto opstond, zich op zijn hoofd en aan zijn kruis krabde en zich een ongeluk zocht naar de mand.
‘Stomme Scheisskopf,’ grinnikte Rudy. Samen bekeken ze de buit. Brood, kapotte eieren, en de hoofdprijs: Speck. Rudy hield de vette ham bij zijn neus en snoof de geur diep op. ‘Prachtig.’
Hoe verleidelijk het ook was om deze victorie voor zich te houden, toch werden ze overmand door een gevoel van loyaliteit jegens Arthur Berg. Ze begaven zich naar zijn armoedige huurkamer in de Kempf Strasse en toonden hem hun buit. Arthur stak zijn goedkeuring niet onder stoelen of banken.
‘Van wie hebben jullie dit gestolen?’
Het was Rudy die antwoord gaf. ‘Otto Sturm.’
‘Nou,’ knikte hij, ‘wie dat ook mag zijn, ik ben hem dankbaar.’ Hij liep naar binnen en kwam terug met een broodmes, een koekenpan en een jas en even later liepen de drie dieven door de gang van de appartementen.
‘We gaan de anderen halen,’ zei Arthur toen ze buiten stonden. ‘We mogen dan criminelen zijn, maar we zijn natuurlijk niet compleet verdorven.’ Net als de boekendief trok hij in elk geval nog ergens een grens.
Er werd nog op een paar deuren geklopt. Namen werden vanaf de straat omhoog geschreeuwd naar appartementen en enige tijd later was het hele conglomeraat van Arthur Bergs bende fruitdieven op weg naar de Amper. Op de open plek aan de overkant van de rivier werd een vuur aangelegd en werd wat er nog over was van de eieren bij elkaar geschraapt en gebakken. Het brood en spek werden gesneden. Met handen en messen werd Otto Sturms bestelling tot de laatste kruimel opgepeuzeld. Geen priester te zien.
Pas tegen het einde ontstond er wat onenigheid ten aanzien van de mand. Een meerderheid van de jongens wilde hem verbranden. Fritz Hammer en Andy Schmeikl wilden hem bewaren, maar Arthur Berg, met zijn ongerijmde morele inslag, had een beter idee.
‘Jullie twee,’ zei hij tegen Rudy en Liesel. ‘Misschien kunnen jullie hem beter terugbrengen naar die Sturm. Me dunkt dat we die arme drommel dat op z’n minst verschuldigd zijn.’
‘Ah joh, Arthur.’
‘Ik wil het niet horen, Andy.’
‘Jezus christus.’
‘Hij wil het ook niet horen.’
De hele groep lachte en Rudy Steiner pakte de mand op. ‘Ik breng hem wel terug en dan hang ik hem aan hun brievenbus.’
Hij had hooguit twintig meter gelopen toen het meisje hem inhaalde. Ze zou veel te laat thuiskomen, maar ze realiseerde zich heel goed dat ze met Rudy Steiner mee moest lopen naar de boerderij van de Sturms, helemaal aan de andere kant van de stad.
Een tijd lang liepen ze zwijgend naast elkaar.
‘Heb jij een rotgevoel?’ vroeg Liesel ten slotte. Ze waren inmiddels alweer op weg naar huis.
‘Waarover?’
‘Je weet wel.’
‘Natuurlijk wel, maar ik heb geen honger meer en ik wed dat hij dat ook niet heeft. Denk maar niet dat die priesters iets zouden krijgen als ze daar thuis niet genoeg te eten hadden.’
‘Maar hij viel zo hard op de grond.’
‘Herinner me daar nou niet aan.’ Maar Rudy Steiner kon een glimlach niet onderdrukken. In later jaren zou hij een gever zijn van brood, geen steler – alweer een bewijs van het tegenstrijdige in de mens. Een beetje goed, een beetje slecht. Alleen water toevoegen.
Vijf dagen na hun bitterzoete kleine overwinning dook Arthur Berg nog een laatste keer op om hen uit te nodigen voor zijn volgende project. Ze liepen hem op een woensdagmiddag tegen het lijf in de Münchenstraat, toen ze van school naar huis liepen. Hij had zich al omgekleed in zijn uniform van de Hitlerjeugd. ‘Morgenmiddag gaan we weer. Hebben jullie zin om mee te gaan?’
Ze konden het niet laten. ‘Waar?’
‘Waar ze al die aardappelen hebben.’
Vierentwintig uur later klommen Liesel en Rudy opnieuw over het prikkeldraadhek en vulden hun jutezak.
De problemen begonnen pas toen ze weer weg wilden.
‘Christus!’ riep Arthur. ‘De boer!’ Het was echter zijn volgende woord dat iedereen de meeste angst aanjoeg. Hij schreeuwde het alsof hij er al mee was aangevallen. Zijn mond scheurde open. Het woord vloog eruit en het woord was bijl.
En inderdaad, toen zij zich omdraaiden, kwam de boer met het wapen boven zijn hoofd geheven op hen af gestormd.
De hele groep rende naar het hek en klauterde er overheen. Rudy, die het verste weg was, haalde hen snel in, maar niet snel genoeg om te voorkomen dat hij de laatste was. Toen hij zijn been over het hek wilde trekken, raakte hij verstrikt in het prikkeldraad.
‘Hé!’
Het geluid van iemand die gestrand is.
De groep bleef staan.
Liesel rende instinctief terug.
‘Opschieten!’ riep Arthur. Zijn stem klonk ver weg, alsof hij was ingeslikt alvorens zijn mond te verlaten.
Witte lucht.
De anderen renden weg.
Toen Liesel bij hem was begon ze aan zijn broekspijp te trekken. Rudy’s ogen waren groot van angst. ‘Vlug,’ zei hij. ‘Hij komt eraan.’
In de verte hoorden zij nog steeds het geluid van vluchtende voeten toen een nieuwe hand het prikkeldraad vastpakte en lostrok uit Rudy Steiners broek. Er bleef een stukje aan de metalen knoop hangen, maar de jongen kon wel ontsnappen.
‘En nu rennen,’ zei Arthur tegen hen, slechts een ogenblik voordat de boer, vloekend en volledig buiten adem, arriveerde. Hij klemde de bijl inmiddels moeizaam tegen zijn been. Hij riep de nutteloze woorden van iemand die bestolen is:
‘Ik laat jullie arresteren! Ik krijg jullie wel! Ik kom er heus wel achter wie jullie zijn!’
Dat was het moment waarop Arthur Berg terugriep.
‘De naam is Owens!’ Hij sprong weg om Liesel en Rudy in te halen. ‘Jesse Owens!’
Toen ze zich weer op veilig terrein bevonden, worstelend om lucht in hun longen te zuigen, lieten zij zich op de grond vallen en kwam Arthur Berg naar hen toe. Rudy weigerde hem aan te kijken. ‘We hebben het allemaal meegemaakt,’ zei Arthur, zijn teleurstelling aanvoelend. Loog hij? Ze wisten het niet zeker en zouden er nooit achter komen.
Een paar weken later verhuisde Arthur Berg naar Keulen.
Ze zagen hem nog één keer, op een van Liesels wasrondes. In een smal zijstraatje van de Münchenstraat gaf hij Liesel een bruine papieren zak met een stuk of twaalf kastanjes erin. Hij grijnsde. ‘Contacten in de pofindustrie.’ Nadat hij hen van zijn vertrek op de hoogte had gesteld, schonk hij hen nog een laatste puisterige glimlach en een tik tegen hun hoofd. ‘Niet meteen allemaal opeten,’ zei hij en dat was de laatste keer dat ze Arthur Berg zagen.
Wat mij betreft, ik kan je vertellen dat ik hem nog wel heb gezien.
EEN KLEIN
EERBETOON AAN
ARTHUR BERG, EEN
NOG-LEVENDE MAN
De Keulse hemel was geel en
bedorven,
en schilferde aan de randen.
Hij zat, met zijn rug tegen een muur, met een kind
in zijn armen. Zijn zusje.
Toen zij ophield met ademen, bleef hij bij haar,
en ik wist meteen dat hij haar nog uren vast zou houden.
Er zaten twee gestolen appels in zijn zak.
Ditmaal pakten ze het handiger aan. Ze aten allebei één kastanje op en verkochten de rest langs de deuren.
‘Als u een paar pfennig overheeft,’ zei Liesel bij elk huis, ‘ik heb kastanjes.’ Op het laatst hadden ze zestien muntjes.
‘En nu,’ grijnsde Rudy, ‘wraak.’
Nog diezelfde middag gingen ze terug naar de winkel van Frau Diller, Heil Hitlerden en wachtten af.
‘Gemengde lolly’s maar weer?’ schmunzelde ze, waarop zij knikten. Ze gooiden het geld op de toonbank en Frau Dillers mond viel een eindje open.
‘Ja, Frau Diller,’ zeiden zij eenstemmig. ‘Gemengde lolly’s, alstublieft.’
De ingelijste Führer keek trots op hen neer.