DE HEMELSTELER
Die eerste luchtaanval, zo bleek later, was helemaal geen aanval. Als de mensen waren blijven wachten tot ze de vliegtuigen zagen, hadden ze daar de hele nacht kunnen blijven staan. Dat verklaarde ook het feit dat er geen koekoek uit de radio had geklonken. De Molchinger Zeitung meldde dat iemand in een luchtafweertoren ietwat overspannen had gereageerd. Hij had gezworen dat hij het geluid van vliegtuigen had gehoord en dat hij ze aan de horizon had gezien. Hij had alarm geslagen.
‘Misschien heeft hij het wel expres gedaan,’ merkte Hans Hubermann op. ‘Zou jij graag in zo’n toren zitten om op bommenwerpers te schieten?’
Toen Max verder las, bleek inderdaad dat de man met de levendige fantasie van zijn oorspronkelijke taak was ontheven.
‘Ik wens hem het allerbeste,’ zei Max. Hij leek er wel begrip voor te hebben en ging verder met de kruiswoordpuzzel.
De volgende luchtaanval was echt.
Op de avond van 19 september klonk de koekoek door de radio, gevolgd door een zware stem die de luisteraars op de hoogte bracht van het nieuws. Molching werd genoemd als mogelijk doelwit.
Opnieuw vormde zich een stoet van mensen in de Himmelstraat en opnieuw liet Papa zijn accordeon achter. Rosa herinnerde hem eraan hem mee te nemen, maar hij weigerde. ‘De vorige keer heb ik hem ook niet meegenomen,’ zei hij, ‘en toen hebben we het overleefd.’ Kennelijk vervaagde de oorlog het onderscheid tussen logica en bijgeloof.
Een onheilspellende sfeer volgde hen naar de kelder van de Fiedlers. ‘Ik denk dat het nu menens is,’ zei meneer Fiedler en de kinderen kregen al snel door dat hun ouders deze keer nog veel banger waren. De allerjongsten reageerden op de enige manier die zij kenden en begonnen te jammeren en te huilen.
Zelfs vanuit de kelder konden zij in de verte het geluid van de bommen horen. De luchtdruk stortte omlaag als een plafond, alsof hij de aarde wilde verpletteren. Er werd een lelijke hap genomen uit Molchings verlaten straten.
Rosa hield Liesels hand stevig vast.
Het geluid van huilende kinderen schopte en sloeg.
Zelfs Rudy bleef kaarsrecht staan, veinsde onverschilligheid en spande zijn lichaam tegen de spanning. Armen en benen vochten om ruimte. Sommige volwassenen trachtten de kleintjes te kalmeren. Anderen slaagden er niet eens in zelf kalm te blijven.
‘Laat dat kind zijn mond nu eens houden!’ klaagde Frau Holtzapfel, maar haar uitroep was slechts een van de vele ongelukkige stemmen in de warme chaos van de schuilkelder. Groezelige tranen rolden uit kinderoogjes en de geur van nachtelijke adem, okselzweet en te lang gedragen kleren werd nog eens omgeroerd in wat inmiddels een ketel was die tot aan de rand gevuld was met half gesmoorde mensen.
Hoewel ze vlak naast elkaar stonden, moest Liesel haar stem verheffen: ‘Mama?’ En nog een keer: ‘Mama, je knijpt mijn hand bijna fijn!’
‘Wat?’
‘Mijn hand!’
Rosa liet haar los en om troost te zoeken, en de chaos in de kelder buiten te sluiten, sloeg Liesel een van haar boeken open en begon te lezen. Het bovenste boek van de stapel was De Fluiter en om zich te kunnen concentreren las ze hardop. De eerste alinea drong niet eens door in haar oren.
‘Wat zei je?’ brulde Mama, maar Liesel negeerde haar. Ze had alleen nog maar oog voor de eerste bladzijde.
Toen ze de pagina omsloeg, kreeg Rudy het in de gaten. Hij luisterde naar wat Liesel voorlas en gaf zijn broer en zusjes een por om hetzelfde te doen. Hans Hubermann kwam wat dichterbij en riep iets en even later begon een stilte binnen te sijpelen in de volle kelderruimte. Bij bladzijde drie hield iedereen zijn mond behalve Liesel.
Ze durfde niet op te kijken, maar ze voelde hun angstige blikken op zich rusten terwijl zij de woorden binnenhaalde en weer uitademde. Een stem speelde de noten in haar. Dit, zei de stem, is jouw accordeon.
Het geluid van de bladzijde die werd omgeslagen sneed hen doormidden.
Liesel las verder.
Minstens twintig minuten lang draagt zij het verhaal voor. De jongste kinderen werden gekalmeerd door haar stem en alle anderen zagen voor zich hoe de fluiter wist te ontsnappen van de plek van het misdrijf. Liesel zag dat niet. De boekendief zag alleen de techniek van de woorden – hun lichamen gestrand op het papier, neergeslagen opdat zij er overheen kon lopen. Bovendien was daar ook ergens, in de spaties tussen een punt en de eerstvolgende hoofdletter, Max. Ze herinnerde zich hoe ze hem had voorgelezen toen hij zo ziek was. Zit hij nog in de kelder? vroeg zij zich af. Of steelt hij weer een glimp van de hemel?
EEN MOOIE
GEDACHTE
De één was een boekendief.
De ander stal de hemel.
Iedereen wachtte tot de aarde zou gaan trillen.
Dat was nog steeds een onveranderlijk feit, maar in elk geval werden ze nu afgeleid, door het meisje met het boek. Een van de kleine jongens overwoog weer te gaan huilen, maar op dat moment stopte Liesel even en imiteerde haar papa, of zelfs Rudy. Ze knipoogde naar hem en las verder.
Pas toen de sirenes in de kelder doordrongen viel iemand haar in de rede. ‘We zijn veilig,’ zei meneer Jenson.
‘Sst!’ zei Frau Holtzapfel.
Liesel keek op. ‘Nog maar twee alinea’s tot het einde van het hoofdstuk,’ zei ze en ging door met lezen, zonder ophef en niet langzamer of sneller dan eerst. Alleen de woorden.
DUDEN WOORDENBOEK
BETEKENIS 4
Wort – woord:
Een betekenisvolle eenheid
van taal / een belofte,
een korte opmerking of bewering.
Gerelateerde woorden:
term,
uitdrukking.
Uit respect hielden de volwassenen iedereen stil, en zo las Liesel hoofdstuk een van De Fluiter uit.
Toen zij naar boven liepen, renden de kinderen langs haar heen, maar veel van de oudere mensen – zelfs Frau Holtzapfel, zelfs Pfiffikus (heel toepasselijk, gezien de titel van het boek waaruit zij had voorgelezen) – bedankten het meisje voor de geboden afleiding. Dit deden ze terwijl ze haastig het huis uitliepen om te zien of de Himmelstraat schade had geleden.
De Himmelstraat was nog helemaal intact.
Het enige teken dat het oorlog was, was een enorme stofwolk die van oost naar west dreef. Hij gluurde door ramen, probeerde een weg naar binnen te vinden en terwijl hij tegelijkertijd dichter werd en zich verspreidde, veranderde hij de stoet mensen in geestverschijningen.
Er liepen geen mensen meer op straat.
Alleen nog maar geruchten die met tassen sjouwden.
Eenmaal thuis vertelde Papa Max wat er allemaal was gebeurd. ‘Het is een en al nevel en as – volgens mij hebben ze ons er te vroeg uit gelaten.’ Hij keek naar Rosa. ‘Wat denk jij? Zal ik gaan kijken of ze hulp nodig hebben waar de bommen zijn gevallen?’
Rosa was niet onder de indruk. ‘Doe niet zo achterlijk,’ zei ze. ‘Straks stik je nog in al dat stof. Nee, nee, Saukerl, jij blijft hier.’ Opeens dacht ze aan iets anders. Ze keek Hans heel ernstig aan. Sterker nog, een blik vol trots leek op haar gezicht geschilderd. ‘Je moet hier blijven om hem over het kind te vertellen.’ Ze sprak nu iets luider. ‘Over het boek.’
Max keek belangstellend op.
‘De Fluiter,’ zei Rosa tegen hem. ‘Hoofdstuk een.’ Ze vertelde hem precies wat er in de schuilkelder was gebeurd.
Terwijl Liesel in een hoek van de kelder stond, keek Max naar haar en wreef met een hand over zijn kaak. Persoonlijk denk ik dat dit het moment was waarop het volgende onderwerp voor zijn schetsboek ontstond.
De Woordschudder.
Hij zag voor zich hoe het meisje in de schuilkelder had staan voorlezen. Hij moet hebben gezien hoe zij de woorden letterlijk uitdeelde. Hij moet echter, zoals altijd, ook de schaduw van Hitler hebben gezien. Waarschijnlijk hoorde hij zijn voetstappen al in de richting van de Himmelstraat en de kelder komen.
Na een lange stilte stond hij op het punt om iets te zeggen, maar Liesel was hem net voor.
‘Heb je vanavond de hemel nog gezien?’
‘Nee.’ Max keek naar de muur en wees. Op de muur zagen ze de woorden en de tekening die hij er meer dan een jaar eerder op had gemaakt – het touw en de druipende zon. ‘Vanavond heb ik alleen die hemel gezien’, en vanaf dat moment werd er niets meer gezegd. Alleen maar gedacht.
Van Max, Hans en Rosa weet ik het niet, maar ik weet wel dat Liesel Meminger op dat moment dacht dat als er ooit bommen zouden vallen op de Himmelstraat, Max niet alleen minder kans had om het te overleven dan alle anderen, maar ook helemaal alleen zou sterven.