Deel van de gemeenschap

We waren bij een bruiloft op de zoveelste zomeravond. Of misschien was het een besnijdenisfeest. Ze leken op elkaar: in plaats van de bruidsstoet trok de Shalabi van tent naar tent met zijn kleine leren koffer en een opgewonden menigte. Later zou ik Mohammad overhalen om onze zoons in het ziekenhuis te laten besnijden, maar dat was voordat ik besefte wat een snelle en slimme kunstenaar de Shalabi was. Een enkele keer kreeg ik kinderen in de kliniek die na de operatie behandeld moesten worden, maar dat was meestal omdat hun moeders ze uit de buurt van water hadden gehouden waardoor het verband vast was gaan kleven.

Wanneer het jongetje eenmaal besneden was en een mini-thaub gekregen had, werd hij gedurende de rest van het feest nagenoeg genegeerd omdat zijn familie het te druk had met de gasten. De meeste jongens waren dan hooguit een jaar of twee, dus hopelijk te jong om het zich te herinneren.

Hoe dan ook, dit besnijdenis- of huwelijksfeest werd gezamenlijk gevierd door drie families om de kosten te drukken. Ze hadden hun tenten naast elkaar opgezet op de Argoob Jmea-aan met uitzicht over Petra.

De fraaie hubble-m-wad-aa die aan de voorkant van de tent hing, was van mij. Nu ik vanuit huis werkte had ik mezelf geleerd hoe ik onderjurken moest naaien. Iedereen kwam met stof en de makeena werd nooit meer ingeklapt. Als het restant van een lap niet groot genoeg was voor een kinderjurk of een paar mouwen, dan gebruikte ik het voor mijn ‘feestslinger’. Stukje bij beetje vertelde hij mijn verhaal: sommige stoffen waren kleurrijker dan andere en kwamen net als sommige mensen vaker voor, andere lapjes waren geraffineerder en lieten zich minder vaak zien. Het was alsof ik door die slinger mensen aan elkaar verbond en ze liet stralen.

Ik leende mijn hubble-m-wad-aa uit aan iedereen die hem wilde gebruiken voor een feest. Ze brachten hem in de knoop en naar jeneverbesrook ruikend terug, maar met een doos Nashed Sweets als dank.

Het zingen en feesten ging zoals altijd door tot diep in de nacht. Voor de tenten stond een groep dansers suggestief heen en weer te wiegen. Een paar ontluikende nishaama voegden zich verlegen aan weerszijden van de rij, maar de meeste kinderen lagen intussen te slapen in de duisternis van de tenten. De poëtische coupletten van de traditionele samer weerklonken in de verder stille vallei.

Ik ging een tijdje bij Mohammad en de mannen zitten, en praatte met drie jonge Amerikaanse antropologen die bij Abu Sha-her logeerden zolang ze onderzoek deden naar de Bdoul van Petra. Ik keek toe hoe ze de gebeurtenissen observeerden en herinnerde me mijn eigen bruiloft en hoe ik op dezelfde manier naar de bedoeïenen had gekeken. Vol trots drong ineens tot me door dat ik ze nu allemaal kende. Mijn hart zwol op en voelde alsof het zou knappen toen ik naar de rij dansende mannen keek, hun gezichten oplichtend in de vlammen van het vuur. Awath, Ali-f, Sliman en Mufleh, al mijn vrienden waren hier. En het gevoel bleef toen ik naar de oude mannen rond het vuur keek, Eid en Huwaymil die heeshy deelden uit een stoffen buidel, en de vrouwen, Jidaya en Umm Mahmoud die het vuur opstookten om meer thee te kunnen zetten en hun gezichten die aangelicht werden door de grotere vlammen. Deze gewone mensen, goed en slecht, vrolijk en humeurig, dom en slim, waren de enige ‘inwoners van Petra’ van de hele wereld, en het waren mijn vrienden.

Ik zat vaak bij de mannen. Wanneer we in het begin ergens te eten werden uitgenodigd, ging ik altijd bij Mohammad zitten en at ik met de mannen mee, en pas toen ik de vrouwen wat beter leerde kennen en de taal een beetje sprak ging ik bij hen zitten. Maar tijdens bruiloften en andere langdurige feesten kwam Mohammad me meestal halen; hij wist dat ik het heerlijk vond om koffie met ze te drinken en achterover te leunen tegen de kussens. Ook als hij er niet was, liep ik altijd even binnen zodat ze me niet zouden vergeten. Dit, en mijn zelfverzekerdheid in elke omstandigheid, leverde me op termijn het compliment ‘tigool rajul’ op. Ze is als een man.

Later tijdens het feest veranderden de jongere mannen met hun opgemaakte ogen, thaubs en met franjes versierde mendeels van ritme en dansten ze de dub-ka rond en rond. Met snelle draaibewegingen van hun mendeel zongen ze Abu Saksooka na: ‘Reda ha, reda HA!’ en stampten ze met zijn allen op de grond. Stof vloog in het rond, de drum trommelde, arm in arm zwierden ze rond. Een uitbarsting van pistoolschoten in de lucht vroeg de aandacht. Pistolen werden uit holsters getrokken en uit mooi versierde zakdoeken gewikkeld. Zussen en echtgenotes werden weggestuurd om geweren uit stapels beddengoed achter in de tenten te halen. De pistolen werden omhoog gericht, pok pok, maar hun geluid verdronk in het t-r-r-a van Umm Gurin, de kalashnikov, vanwege zijn gebogen magazijn Moeder van de Toeter bijgenaamd, en de echo’s zongen rond in de vallei en overstemden zelfs het gezang voordat ze wegstierven.

Binnen, in de vrouwentent, wedijverden de jonge meisjes net zo hard om aandacht. Khatma en Khatma-h zongen samen een lied. Hun nasale stemmen, vreemd mooi en krachtig, richtten zich op hun helden die, zoals ik zelfs wist, aan de andere kant van het doek de dub-ka stonden te dansen. Dichter bij elkaar dan dit konden ze niet komen, ze konden elkaar niet zien maar wel van zich laten horen. ‘Yaabu jacket a ra ma di,’ jij met het grijze jasje. Andere meisjes met nieuwe mudraga’s en hoofdsjaals vielen in: ‘La ti-ta-masha bil wadi, al ain lag-eeni, al ain stan-eeni.’ Loop niet door de vallei, ontmoet me bij de bron, wacht op me bij de bron, zongen ze elkaar toe. Toen ze aan het einde van het eigenlijke lied waren beland, gingen ze verder met zelfbedachte coupletten. ‘Bokra b-yinzil a sarookh, ya yomaa!’ O moeder, morgen valt de raket, zongen ze, doelend op het Skylab-ruimtestation waar ze zich zorgen over maakten totdat hij na binnenkomst in de dampkring in de Indische Oceaan stortte.

Jidaya, Umm Awwad en nog een paar anderen van hun generatie zongen het bezadigder hejeeni, waarbij ze de woorden rekten en omkeerden om zinnen van gelijke lengte te krijgen. Meestal zongen beide groepen tegelijk, maar vanavond zwegen de jongere meisjes even zodat de anderen hun lied konden opnemen zonder al te veel achtergrondgeluiden. Basma had nieuwe batterijen voor haar cassetterecorder gekocht en een bijna leeg bandje van een van de nishaama afgetroggeld, en nog lang na deze avond zond ze haar opnames uit in de open lucht onder het Kruisvaarderskasteel, tot de batterijen het opgaven.

We hadden geen dekens meegenomen dus wandelden we na het feest naar huis. Het pad lag goed zichtbaar in het maanlicht, de samer en een enkel geweerschot echoden door de bergen, kleine lichtpuntjes wezen ons de huizen van bedoeïenen. Salwa hing diep in slaap op Mohammads schouder, Raami hing in zijn muzferr op mijn rug, en ik koesterde de wetenschap dat ik deel uitmaakte van dit alles.