Raami’s geboorte, voetjes vooruit
Tijdens een van die avonden stelde Mohammad voor om de volgende dag iemand te zoeken die ons naar Akaba kon brengen om te zien hoe het ervoor stond. Tijdens mijn laatste bezoek, een paar maanden eerder, had de arts opgemerkt: ‘Alles lijkt prima in orde, tot nu toe. Het kan zijn dat de baby zich nog omdraait.’ Ik had geprobeerd zijn opmerking te vergeten, maar hij schoot me nu weer te binnen.
Later die nacht begonnen de weeën, en zodra het licht begon te worden maakte ik Mohammad wakker. Hij ging naar zijn vaders bewakerstent om hulp te halen. Abdallah had een vrije nacht, maar hij werd vervangen door Laafi en Neda. Laafi klom de Argoob Jmea-aan op om Ali-f te halen die intussen een kleine Datsun personenwagen had gekocht, en Neda rende op haar blote voeten naar huis om haar moeder te halen om met ons mee te gaan. Vrijwel meteen nadat Mohammad teruggekomen was, kwam Ali-f aangereden onder onze grot en verscheen Neda opgewonden trekkend aan haar moeders arm. ‘Ik let wel op Salwa en ik maak de boel vast voor je aan kant terwijl jullie weg zijn.’
Ik had Salwa al helemaal klaar voor vertrek. Ik was niet van plan geweest haar achter te laten en wilde niet van gedachten veranderen; zolang ze bij ons was hoefde ik me geen zorgen over haar te maken. En zelf was ik ook klaar. Ik had weken geleden al een tas met babykleren ingepakt, maar Umm Laafi bleef maar treuzelen. Ze weigerde te vertrekken voor ik haar een scheermes en koord had gegeven voor het noodgeval dat we zelf de navelstreng moesten doorsnijden, en toen pakte ze nog snel een deken om onder me te leggen voor we in de auto stapten.
Ik ademde en ontspande me rustig, maar de weeën volgden elkaar steeds sneller op en ik voelde een harde bult onder mijn ribben. Was het het hoofdje? ‘Misschien moeten we terug naar Wadi Musa,’ zei ik bezorgd toen we over de slingerweg over het Sh-rah-gebergte klommen.
‘Dat is geen goed plan,’ besloot de rest. ‘Daar is waarschijnlijk geen arts… en je haalt het toch wel tot Ma’an, of niet?’
Naarmate Ali-f verder racete over de weg aan de lijzijde van de Sh-rah, door het dorp Uth-ruh en over het plateau van Ma’an, betwijfelde ik dat steeds meer. En toen klapte een van zijn banden met een harde knal en zette hij zijn auto met een zenuwachtige grinnik aan de kant. ‘Ik heb geen reserveband.’
‘Ik zou niet eens meer kunnen wachten tot je hem had verwisseld,’ hapte ik naar adem terwijl we allemaal uitstapten op de koude en verlaten weg. We stonden onder een frisse helderblauwe hemel, tussen een waas van groen. Ik voelde de zon op mijn rug.
Mohammad zwaaide naar de twee auto’s die we even daarvoor hadden ingehaald. De eerste die stopte was een pick-uptruck, maar de andere auto stopte ook, en dat was een ruime, oude Mercedes met leren bekleding met daarin een man en twee vrouwen en genoeg ruimte over voor ons. We lieten Mohammad en Ali-f achter met de chauffeur van de pick-up om het probleem met de lekke band op te lossen en scheurden weg. De gezette, helemaal in het zwart geklede oudere vrouw ging achterstevoren zitten om met ons te kunnen praten. Ze kwamen uit Wadi Musa. De anderen waren haar zoon die bij de burgerbescherming werkte, en zijn vrouw. Ze hoorde mijn ademhaling en spoorde haar zoon aan nog harder te rijden.
Er zat nauwelijks meer tijd tussen mijn weeën en ik onderdrukte de neiging te roepen dat ze moesten stoppen. De weg was uitgestorven, het was weliswaar koud buiten, maar wel zonnig en droog, ik had een deken, Umm Laafi had het scheermes, en de andere twee vrouwen zouden vast ook wel weten wat ze moesten doen. Maar ik zou de rest van mijn leven moeten blijven aanhoren dat mijn kind was geboren in de auto van onbekenden.
En wat als er iets mis ging? De bobbel onder mijn ribben was keihard. Ik bleef weifelen tot we de buitenwijken van Ma’an inreden, en toen was er geen weg meer terug. De bestuurder zette zijn sirene aan, een ongelooflijk prettig voordeel van iemand die bij de burgerwacht werkte, en racete door de vroege ochtend. Een paar minuten later stonden we voor de ingang van het ziekenhuis.
Vriendelijke gezichten probeerden me te helpen maar ik negeerde ze en probeerde mijn ademhaling onder controle te krijgen terwijl er weer een wee wegebde. Even later rende ik door de gang, de trap op naar een gemakkelijke stoel in het kantoor van de kraamafdeling voor de volgende wee zich aandiende, en liet ik mijn reddende engelen en Umm Laafi en Salwa verbijsterd achter.
De verpleegster verspilde geen seconde en bracht me meteen naar de verloskamer om me te onderzoeken. Ik was blij dat het Naifa was omdat ik wist dat ze competent was, maar ik zag aan haar gezicht dat het niet goed was. Streng zei ze: ‘Niet persen voor ik terug ben met de dokter.’
‘O, nee. Wat is er mis?’
‘Het komt allemaal goed, maar het is een stuitligging en dat kan ik niet in mijn eentje. Dus, niet persen, ik ben zo terug.’ Ze liep weg en deed de deur achter zich dicht. Ik lag helemaal alleen.
Zie je wel, ik voelde zijn hoofdje, zei ik tegen mezelf.
En toen was ze terug met de arts en binnen een paar minuten zei hij: ‘Het is een jongen!’
Maar ik hoorde hem niet. Ik zag zijn kleine glibberige voetjes toen de arts hem ronddraaide, en nog een keer en nog een keer, om de navelstreng van zijn nek te wikkelen. Drie keer, en toen was alles goed. Raami huilde, de navelstreng werd doorgeknipt, en daarna stelde de arts me op mijn gemak en begon hij Engels met me te praten.
‘Ik begrijp dat u in Petra woont?’
Hier heb ik nu geen zin in, dacht ik bij mezelf. ‘Inderdaad,’ antwoordde ik beleefd… ik had geen keus.
‘U bent getrouwd met een bedoeïen, vertelde Naifa?’
‘Ja.’
‘Is uw dochter niet geboren in het al-Basheer ziekenhuis?’
Ik vroeg me af welke kant dit gesprek opging, en toen zei hij: ‘Dan heb ik uw dochter ook gehaald! Herkent u me nog, ik ben dokter Basaam?’
Wat kon ik zeggen? ‘Dokter Basaam, wat is de wereld toch klein! Salim-edaik!’ God zegene uw handen.
We kregen een paar uur rust voor Mohammad en Ali-f de band hadden vervangen en ons kwamen ophalen. De ochtendzon scheen op ons bed en de woestijn aan de andere kant van het raam strekte zich kalkwit en leeg uit, met uitzondering van een enkele zwarte berg. Al snel lag Raami te midden van dit dromerige plaatje tevreden te drinken aan mijn borst, en kreeg ik tijd om te bedenken hoe ik dit keer zou omgaan met de overname van mijn huishouden die weer van start zou gaan zodra we thuiskwamen.