Op avontuur om te genezen

Ondanks een incidentele lift naar huis, had ik nog maar weinig ezelrijervaring toen Mohammad me op pad stuurde naar Wadi Araba. Zijn stiefmoeder Umm Laafi, die hij ‘tante’ noemde, ging een pelgrimstocht maken en zijn broer Salem zou haar vergezellen. Als ik wilde en zin had in het avontuur konden ze voor mij ook een ezel zadelen.

Het leek me geweldig en ik dacht niet na over mijn gebrek aan rijervaring. Ik blijf mezelf vertellen dat Mohammad daar ook niet aan dacht.

Derri-baalki,’ gaf hij me alleen nog mee toen ik vertrok. Doe voorzichtig.

Ik had Umm Laafi sinds onze bruiloft niet vaak gezien. Ze waren verhuisd naar een grot in de vallei achter het Paleisgraf, twintig minuten van ons vandaan, en alleen de grotere kinderen kwamen weleens bij ons langs. Blijkbaar was ze haar stem kwijt. Het was erger geworden sinds al dat zingen op de bruiloft, en ze had zonder resultaat al allerlei kruidendrankjes en pillen van een andere vrouw geprobeerd. Het leek mij dat ze moest proberen haar stem rust te gunnen, maar ze had besloten dat het tijd was voor een daad van verzoening: een bezoek aan de voorouders Ayal Awwad. Ze was zeven maanden zwanger, maar dat was kennelijk geen belemmering.

Het maken van een pelgrimstocht naar de begraafplaats van Ayal Awwad, de Zonen van Awwad, was een vrij nieuwe traditie. Het was geen graf van een Bijbels of Korans figuur, maar de laatste rustplaats van Salim-ibn-Awwad, een sjeik van een Amareense stam uit de vroeg-twintigste eeuw. Intussen geloofden alle stammen in de buurt dat hij krachten bezat en zijn graf was een heiligdom geworden. Als ze regelmatig pelgrimstochten naar zijn graf maakten of maaltijden of mensef aan hem wijdden, dan zou hij tevreden gestemd worden en geluk brengen. Als ze hem vergaten zou hij onheil, ziekte en dood over hen afroepen. De gelukkigen onder ons werden aan hem herinnerd in dromen, maar soms kwam het onheil onaangekondigd en Umm Laafi wilde zich aan alle kanten indekken.

We vertrokken bij het eerste ochtendlicht, ieder van ons op een eigen ezel. Umm Laafi bereed haar dier in amazonezit met haar bruine aba om haar heen gewikkeld. Het was koud en ik was blij met mijn jack voor we in de zon kwamen. We volgden het zandpad naar de voet van de rotsen in het westen en vandaar reden we door de vallei naar het zuiden. Lukraak verspreide rode grotten keken vanuit de rotsen op ons neer en links van ons lag een kloof met onderin een droge rivierbedding.

De ezels leken de weg te weten en stapten snel en zelfverzekerd voort. De mijne was precies goed: grijs en rustig, niet te groot en stabiel op hooggehoefde poten. Ik zat best lekker. Ik hield de teugel losjes rond de houten zadelboog en mijn benen rustten tegen de deken die tegen de houten zijbalken gevouwen zat.

Na een tijdje klikklakten de ezels omhoog over een slingerend paadje tussen witte rotsen en we kwamen uit bij een hoogvlakte. Het land was geploegd en in lappen verdeeld door rotslagen en droge, stenige beddingen van beekjes. Ploegsporen krinkelden rond rattam- en jeneverbesstruiken en stapels stenen. Af en toe spoorde Salem de ezels aan met een ‘hhhrrrwl’ en een armgebaar, maar we probeerden niet te praten. Jabal Haroon kwam in zicht met haar moskee die wit oplichtte in de ochtendzon. Een paar helder gekleurde vlekken tegen de bergwand verraadden zichzelf door naar hun geiten te roepen. Vogels kwetterden. Geschrokken steenpatrijzen fladderden weg. We cirkelden om de berg heen over stoffige witte paden en door kleine rivierbeddingen tot we bij een klein zandstenen ravijn kwamen waar een koele bries waaide en we tussen de omlijsting van zijn wanden een glimp op Wadi Araba konden opvangen.

We stopten aan het eind van de bergen. De hemel was strak blauw. Ik nam het uitzicht onder me, waar de witte zandheuvels naar het westen afliepen en de rivierbeddingen breder werden, in me op. Daarachter, ver weg aan de andere kant van de vallei in Israël, zag ik de omtrekken van een bergketen. Salem en Umm Laafi hielden zich bezig met een meer praktische blik op de enorme kiezelhelling die recht voor ons lag. In mijn ogen zag hij er onbegaanbaar uit, maar dat was hij kennelijk niet, want ze stapten van hun ezels en maakten zich op voor de afdaling.

Umm Laafi sjorde haar mudraga bij de zoom op en bond hem boven haar buik. Ze had er nog een andere jurk en een stretchbroek onder aan. Ze rolde haar aba op en knoopte hem boven op haar hoofd vast. Ze droeg zachte plastic schoenen.

Ik had het liefst gewoon een spijkerbroek en een T-shirt aangetrokken voor mijn ezelrit, maar ik behoorde intussen tot een stam en ik probeerde me aan te passen aan de bedoeïenen. Dit was een pelgrimstocht, en ik vond dat ik netjes bedekt moest zijn. Buiten mijn hoofdsjaal had ik over een katoenen broek mijn mudraga aangetrokken, die ik nu net als Umm Laafi om mijn taille vastknoopte, maar ik was blij dat ik sportschoenen aan had.

Salem stopte zijn broek zorgvuldig in zijn witte sokken. Hij was klein en net zo knap als Mohammad, en hij had de passende bijnaam Abu Kohl-el omdat hij zijn ogen altijd prachtig met kohl opmaakte. Hij had een spierwitte mendeel aan over zijn zwarte corduroy mirreer die hij als een knipoog scheef had zitten. Over zijn strakke witte bloes en coltrui had hij een donker jasje aan. Laag op zijn heup droeg hij een zwartleren holster met pistool en volgens mij had hij zijn schoenen gepoetst voor we vertrokken waren. Wat een ijdeltuit! Ik vroeg me af of hij hoopte dat hij iemand zou ontmoeten. Tot nu toe waren we niemand tegengekomen en ik betwijfelde of het zou gebeuren; je kon nauwelijks verder weg zijn van de bewoonde wereld dan waar wij naartoe onderweg waren.

‘Yallah, derru-baalku,’ zei hij terwijl hij voor ons uit ging over een vage inkeping in de zwarte kiezels. Ik volgde en Umm Laafi kwam als laatste. We schopten losse stenen tegen elkaars benen terwijl we zigzaggend naar beneden gleden. Soms moesten we de ezels meetrekken en andere keren hield ik me maar gewoon stevig vast aan het touw en hoopte ik dat de ezel vaste voet aan de grond had en dat ik niet onderaan zou eindigen met de ezel boven op me. Tegen de tijd dat we op de begane grond waren hadden we het warm en nadat Salem zijn schoenen afgeveegd had reden we verder noordwaarts langs de vlakke brede wadi.

De bergen aan onze rechterhand torenden in ongastvrije zwart granieten kliffen boven ons uit, hier en daar volhardde een groene plant in zijn groei, helderder van kleur als de zon erop viel. Midden in de donkere rots viel ineens een gat, dat gevuld was met bamboe en oleander die in helder water stonden. Ik was verrast. Salem wees naar het water en zei: ‘Wadi Siyyagh.’ Daarna wees hij naar het oosten. ‘Wadi Musa, Petra.’ Het had ons de hele ochtend gekost om aan de andere kant te komen en nu stonden we net onder de plek waar we begonnen waren. Maar dit was het eindpunt van het water. Het kwam uit de bescherming van de smalle rotsvallei en sijpelde het zand in.

We zagen een paar meisjes water scheppen met gedeukte blikjes. Ik kon niet bedenken waar ze vandaan kwamen. Ze zagen ons aankomen en beantwoordden ons ‘Salaam’ verlegen voor ze snel verder gingen met hun werk, het vullen van grote rubberen zwarte ballonnen die aan de zijkanten van hun ezels hingen. We vulden onze waterflessen, lieten onze ezels drinken en wasten ons gezicht en onze voeten. De lucht was warm, het water koel en verfrissend.

Naarmate we verder noordwaarts reden werd de wadi vlakker en breder. Er kwamen ook steeds meer struiken: grote takkenbossen die uit het zand omhoog groeiden en doorbogen onder het gewicht van hun naaldachtige bladeren, dode en vergeelde struiken met opgetrokken wortels op de plekken waar harde waterstromen het zand hadden weggespoeld, een enkele acacia met de belofte van schaduw, en gras op de plek waar de wortels houvast konden vinden. We kwamen langs twee zwarte vachttenten, waarschijnlijk de woningen van de twee kleine meisjes, maar we zagen geen mens. Ten slotte verscheen het graf eindelijk als een kleine bolling in het vlakke, met struikgewas bezaaide zand.

Salem zadelde de ezels af en tuide ze zo dat ze konden grazen aan de onderkant van de struiken maar zeker niet los konden raken. Ik was blij dat ik uit het zadel was, maar zonder ezel naar huis moeten lopen leek me toch te ver.

De lage terpen waren gemaakt van aarde en steen. Ze wezen allemaal dezelfde kant op. Zelfs Salem-ibn-Awwads tombe had geen grafsteen met inscriptie, maar hij was makkelijk te herkennen aan de grove stenen muur die er omheen lag en de verteerde restanten groene stof die tussen de stenen gedrukt zaten.

Umm Laafi ging er pas naartoe nadat ze de zadeltassen had leeggemaakt en de theepot op het vuur had gezet. Daarna deed ze haar wathuw, haar rituele wassing, voordat ze over de muur klom. Ik bereidde me voor op een tijdrovende ceremonie, maar het was zo voorbij. Nadat ze een vers uit de koran had opgezegd en een ‘votiefkaars’ gemaakt van een in samin gedrenkt stuk stof had aangestoken en tussen de stenen gewrikt, klauterde ze weer naar buiten en begon ze aan onze lunch.

Salem en ik namen niet eens de moeite om over de muur te stappen. Ik wilde dat ik me niet zo druk had gemaakt over mijn hoofdsjaal en jurk.

Na een waarschuwende fluittoon uit de ketel, viste Salem hem snel met een stok van het vuur, en daarna zette hij hem kort terug om de suiker te laten oplossen en de thee te laten trekken.

Ik zat met mijn rug tegen de muur te kijken hoe Umm Laafi het zachtgele bloem kneedde voor onze lunch; we hadden uiteraard geen gesmeerde broodjes bij ons. We kregen verse fatteh. Niet met shraak en rishoof, maar met brood-in-het-vuur en laban. Toen het hout verbrand was gebruikte Salem een lange stok om de kooltjes te verspreiden en Umm Laafi legde het dikke pizzagrote deegwiel er gewoon bovenop. Salem bedekte het brood voorzichtig met kooltjes en toen hij zich ervan had vergewist dat de korst helemaal dichtgeschroeid was, begroef hij het brood in het hete zand onder het vuur.

Umm Laafi stak me de kom water toe waarin een gedeukte yoghurtbal lag te weken en zei: ‘Ummrussi.’ Dit was iets waarmee ik me nuttig kon maken: een bijdrage aan de maaltijd waarvan ik wist hoe het heette en hoe ik het kon maken. Naast samin waren yoghurtballen het belangrijkste product en de grootste inkomstenbron uit geiten- en schapenmelk. Als de boter eenmaal gekarnd en weggeschept was, bleef de yoghurt over om tot rust te komen. De waterige vloeistof werd afgegoten en de rest werd in een mousseline suikerzak overgegoten om verder uit te lekken. Wanneer het geheel kneedbaar was, werd er zout toegevoegd en werden er vuistgrote ballen van gerold. Ze werden op het dak van de vachttent gelegd tot ze uitgehard waren als gedroogde klei. Zo bleven ze jarenlang houdbaar. Nu drukte ik de bol stuk tot het water helemaal wit was en er nog maar een paar kleine klontjes aan de bodem kleefden. Umm Laafi trok het deksel van een Nido-blikje en zette het bij het vuur zodat de samin die erin zat kon smelten.

Toen Salem op het brood tikte en het goed hol klonk, haalde hij het uit het laatste beetje vuur, schudde het schoon, en sloeg er toen met de lege bloemzak tegenaan om de laatste korrels eraf te slaan. We gingen zitten en braken het brood in stukken in de schaal. De korst was hard en de binnenkant geel en zwaar. Umm Laafi goot de yoghurt eroverheen en we mengden het geheel, met onze handen, tot we een heerlijk romige en krokante substantie hadden. In het midden maakten ze een gat ter grootte van een kom en daar werd de gesmolten samin, helder en botergeel, ingegoten. We zeiden: ‘Bis-mallah,’ en genoten daar in het zand naast de begraafplaats onder de enorme heldere hemel scheppend en dippend van ons maal.

We namen dezelfde weg terug. Mijn rug en dijen begonnen pijn te doen, maar dat wilde ik niet toegeven en ging daarom af en toe net als Umm Laafi in amazonezit zitten.

Op een bepaald punt in de wadi bleven we staan en Salem riep iets de bergen in. Ik speurde de berg af en zag dat het antwoord van een nauwelijks zichtbare geitenherder hoog in de bergen kwam. Het was niet zomaar een groet, met echo’s en al werd een heel gesprek gevoerd. Umm Laafi had haar aba op de stenen muur laten liggen en Salem deed aangifte van verlies. (Toen ik een paar maanden later een keer bij Umm Laafi op bezoek was, kwam een oude man die onderweg was naar Wadi Musa naar haar tent om de aba terug te brengen.)

Mijn benen deden verschrikkelijk pijn tegen de tijd dat we de kiezelhelling bereikten en het lukte me niet meer om te doen alsof het niet zo was. Ik zwoegde naar boven. Toen ze me uitnodigden had ik geen moment nagedacht over de inspanning die deze trip zou kosten, ik had me alleen maar verheugd op een nieuwe ervaring. Nou ja, zadelpijn was een nieuwe ervaring. ‘Yallah,’ moedigde Salem me aan. Umm Laafi bleef ondanks haar zwangerschap gestaag doorklimmen. Ik was blij dat we even pauze hielden toen we boven kwamen, maar ik wist niet hoe ik moest zitten en ze lachten toen ze beseften wat mijn probleem was. Het begon al te schemeren toen we verder trokken.

Ik voelde me een echte toerist. Ik besloot een stuk te gaan lopen en was dat graag blijven doen, maar al snel was het te donker om nog te kunnen zien waar ik liep op het hobbelige pad. Ik hield ons allemaal op. Ik wist toen nog niet dat de tocht normaal gesproken nooit zo lang duurde en dat Mohammad en zijn vader zich zorgen begonnen te maken. De ezels hadden totaal geen moeite met het donker, ze liepen gestaag verder en we moesten door. Salem bleef lachen: ‘Yallah,’ en ik moest weer in dat pijnlijke zadel.

Ik voelde grote opluchting toen ik lichtpuntjes van bedoeïenenwoningen zag. Plotseling verschenen er overal fakkels en stemmen. Het was Mohammad met een paar anderen, die ons waren gaan zoeken.

Lish toweltu? Waar bleven jullie?’

‘Het is mijn schuld. Een pijnlijk achterwerk.’ Dit was hun sein om in lachen uit te barsten, ook uit opluchting dat Umm Laafi op wonderbaarlijke wijze geen miskraam had gehad.

De rest trok vooruit om alvast te melden dat alles in orde was en Mohammad en ik liepen langzaam, heel langzaam, naar hun rokerige grot. Daar stonden zijn opgewonden zusjes, met ogen die fonkelden in het licht van het vuur, rond de pot waarin de offergeit stond te koken. We aten mensef en bleven slapen, ik kon het niet opbrengen om nog naar huis te moeten lopen.

Umm Laafi’s stem genas niet in de dagen daarna, maar ze was tevreden dat ze in ieder geval alles had gedaan wat ze kon, en misschien maakte die wetenschap dat ze rustiger werd en minder behoefte had om te praten. In ieder geval was haar stem weer in orde tegen de tijd dat de baby geboren werd.