6

‘Waarom wordt het hier toch zo vroeg donker?’ Willows houding drukte een en al ellende uit, een kunst die ze tot in de puntjes beheerste. Haar hele lichaam deed mee: smalle bovenlijf weggezakt, schouders opgetrokken, hoofd gebogen.

Bethany deed alsof ze het niet zag. ‘Het wordt hier echt niet eerder donker dan in de stad.’

‘Echt wel.’

‘Nee, echt niet.’ Ze probeerde geen ergernis in haar stem te laten doorklinken als ze met Willow sprak, maar die maakte het haar niet gemakkelijk. Alles was aanleiding voor ruzie. ‘Er is hier minder omgevingslicht,’ legde ze uit. ‘Minder straatverlichting, gebouwen, auto’s.’

‘Vertel mij wat.’ Haar dochter keek met een hopeloze blik door de voorruit, als een personage uit De weg, uitkijkend over het apocalyptisch barre land.

Bethany had zich ook voorgenomen geen acht meer te slaan op Willows commentaar op The Hollows. Ze woonden hier nu, en daarmee uit. Willow zou het op de duur leren accepteren, zelfs ervan leren houden. ‘Ik weet het niet. Ik heb het in ieder geval nooit geaccepteerd toen mijn ouders in de jaren tachtig naar een voorstadje verhuisden,’ had Philip gezegd. ‘Ik hoorde er gewoon niet en ben er gillend weggelopen na mijn middelbare school.’ Ze moest niet meer met haar agent over dit soort zaken praten; hij had geen kinderen en zou Manhattan uitsluitend verruilen voor een urn.

Ze reden Main Street op. Nog voor ze het huis had gezien, was ze al verkocht geweest. Het levendige stadscentrum met het schattige bistro-tje, de bakkerij, de yogastudio, de kleine galerie – het was een plaatje. Vlak bij het plein stonden een mooie kerk en een fatsoenlijke bibliotheek. Tussen de grappige boetiekjes en The Hollows Brew stonden filialen van grotere winkelketens, zoals Crate & Barrel en Gap. Maar alles paste mooi bij elkaar, het was een goede mix van grote en kleine zaken, allemaal gehuisvest in gerestaureerde historische panden.

Maar het belangrijkste was dat het leven er rustig en kalm was. Zelfs nu het in de hoofdstraat een drukte van belang was met mensen die van het station naar huis liepen, die nog even snel de laatste boodschappen deden, de kinderen ophaalden van naschoolse activiteiten, had het stadje een harmonische sfeer. Er was niets te bespeuren van de gejaagde energie die je rond dit tijdstip in de grote stad tegenkwam. En daaraan had Bethany grote behoefte gehad toen ze besloot te verhuizen: rust, harmonie, terugschakelen naar een lager leeftempo. Ze was er vast van overtuigd geweest dat ze dat allebei nodig hadden na de chaos van de afgelopen anderhalf jaar. Willow was het daar totaal niet mee eens.

Bethany vond een parkeerplaats voor de koffiebar en zette de motor uit. Haar dochter maakte geen aanstalten om uit te stappen, zag ze, maar bleef koppig zitten, met haar hoofd tegen het raampje.

‘Kom, we gaan,’ zei Bethany. Ze maakte een aansporend gebaar met haar armen.

‘Ik dacht het niet,’ zei Willow. Ze draaide haar lichaam de andere kant op. Bethany zag dat ze naar het raam van de koffiebar keek. ‘Ik ga daar niet naar binnen.’

‘Willow.’

‘Als jij per se koffie wilt drinken met de aardige plaatselijke bijlmoordenaar, ga gerust.’ Maar haar blik zei dat ze er helemaal niet gerust op was. Wat ze in het bos had gezien, beangstigde haar, maar het was niet cool om dat toe te geven.

Bethany nam aan dat ze het aan zichzelf te wijten had dat haar dochter er geen enkele moeite mee had dingen op de spits te drijven. Een generatie geleden zou haar moeder gezegd hebben: Waag het niet me tegen te spreken. De auto uit, en gauw! En Bethany zou gehoorzaamd hebben, dat lag in haar aard.

Maar dat was niet de manier waarop zij met Willow sprak; geen van haar vriendinnen sprak zo tegen de kinderen. Tegenwoordig moest je communiceren en onderhandelen, zolang het tenminste om zaken ging zoals in de auto blijven wachten of niet.

Willow en zij hadden een hechte band, te hecht wellicht. Hun verhouding was bijna zusterlijk, omdat ze meestal met zijn tweetjes waren geweest en ze haar liefde en aandacht niet had hoeven te verdelen. Bovendien had ze geen enkele schroom gehad om bij Willow op de grond te gaan zitten kleuren of dieren te kleien. Ze was geen strenge opvoeder. Die rol had haar man gehad, vroeger. Bethany kaartte alleen iets aan als ze het ook echt de moeite vond.

‘Zoals je wilt,’ zei ze. ‘Maar ga onder geen beding de auto uit. Begrepen? Ik ben zo terug. Ik ga alleen maar de telefoon ophalen die jij verloren hebt.’

Willow vormde een W met haar duimen en bewoog haar vingers. Bethany was net hip genoeg om te weten wat het gebaar betekende: what-ever. Maar Willow glimlachte er zo lief bij dat het niet echt naar bedoeld leek.

‘Ik meen het.’ Bethany haalde de sleutels uit het contact en stapte uit.

‘Hé, het is koud,’ zei Willow. ‘Laat de motor draaien.’

‘Ha!’ zei Bethany. ‘Dat zou je wel willen. Als je het koud hebt, ga je maar mee naar binnen.’

‘Mam!’

Bethany sloot het portier om haar tirade voor te zijn. Toen ze achterom keek zat Willow aanstellerig te rillen in haar stoel. Ze sloot de auto af met haar afstandsbediening, hoewel Willow de auto natuurlijk van binnenuit kon openmaken. Het zou niet lang duren, hooguit een paar minuten. Ze keek nog een keer achterom voor ze de koffiebar binnen ging. Willow keek haar na, maar wendde haar blik snel af.

..

Er rinkelde een belletje toen ze vanuit de vochtige kou de warmte binnenstapte. Het rook er naar koffie, warmgele lampen gloeiden en de melkstomer siste. Ze keek de ruimte rond en besefte dat ze niet precies wist wie ze zocht. Er stelletje jonge meiden zat te giebelen bij de haard, een stapel boeken en schriften ongeopend op de tafel tussen hen in. Een jonge moeder voerde haar peuter yoghurt. Willow had de man die ze had gezien als fors beschreven (gigagantisch), met lang, donker haar (een soort Vlad de Spietser, zeg maar). Er zat een man aan de uiterste hoek van de bar, het hoofd over een boek gebogen. Hij had lang haar dat in een staart was gebonden. Maar met zijn stalen brilletje en potlood in zijn hand zag hij er niet bepaald dreigend uit.

‘Ha, Beth,’ zei de man achter de counter. Hoe heette hij ook alweer? Todd, ja , dat was het. ‘Hoe vlot het schrijven?’

‘Goed. Aardig van je dat je ernaar vraagt,’ zei ze. Ze liep naar de counter.

‘Hetzelfde als anders?’ vroeg Todd. Daar was ze nog steeds niet aan gewend. Ze woonden hier pas een halfjaar, maar iedereen scheen te weten hoe ze heette en op de hoogte te zijn van haar doen en laten en haar werk. ‘Duh,’ zei Willow. ‘Ze lezen je blog en bezoeken je website.’ Bethany vond dat verrassend, maar zo vreemd was het niet. Zij was de anonimiteit van New York gewend, waar ze je niet herkenden in de koffietent om de hoek, waar het niemand iets kon schelen wie je was. Hier in The Hollows leken de mensen elkaar in de gaten te houden. Was dat normaal of abnormaal? Vond ze het prettig of vervelend dat mensen wisten wie ze was? Ze kon het nog niet zeggen.

‘Doe maar. Lekker,’ zei ze. Todd leek te denken dat ‘hetzelfde als anders’ een dubbele espresso was met een scheutje halfvolle melk tegen de bittere nasmaak. Dat leek haar voor deze gelegenheid precies goed.

‘Bethany Graves?’

De man met het stalen brilletje was naast haar komen staan. Willow had gelijk gehad. Hij was flink uit de kluiten gewassen, meer dan een meter tachtig lang. Daarbij leek hij behoorlijk sterk, hij had brede schouders en stevige armen. In zijn hand had hij het mobieltje van Willow. Ze nam het van hem aan.

‘Bedankt,’ zei ze. ‘Dit waardeer ik echt.’ Ze liet de telefoon in haar tas glijden. Toen ze opkeek, zag ze dat hij glimlachte. Zijn gezicht lichtte ervan op. Ze merkte dat ze zelf ook glimlachte. ‘Ik heb je naam niet meegekregen aan de telefoon,’ zei ze.

‘Michael Holt.’ Hij stak zijn hand uit en ze schudde hem. Zijn greep was warm en stevig. Niet zo krachtig dat het leek alsof hij iets te bewijzen had. Ze had een hekel aan mensen die een slap handje gaven, of het nu een man was of een vrouw. Een slap handje betekende een zwakke geest. En zwakke geesten waren niet te vertrouwen. Sommige mannen echter knepen je hand bijna fijn, maakten er een hele show van je te laten zien hoe sterk ze waren. Achteraf beschouwd was dat het eerste onheilsteken geweest in haar vorige relatie. De eerste keer dat ze haar ex de hand had geschud, had ze hem krimpend van de pijn teruggetrokken. Michael stak zijn handen in zijn zakken en wiebelde een beetje op zijn hakken. Dat maakte hem jongensachtig, hoewel hij het stadium van de eerste grijze haren al gepasseerd was en hij rimpeltjes rond zijn ogen had. Ze schatte hem eind dertig.

‘Ik geloof dat ik die kleine meid van je heb laten schrikken,’ zei hij. ‘Je dochter, bedoel ik. Ze wil waarschijnlijk geen kleine meid meer genoemd worden.’

‘Heb jij kinderen?’ vroeg ze.

Hij schudde het hoofd en sloeg zijn ogen neer. ‘Nichtjes. Een tweeling van ongeveer haar leeftijd. Dertien op weg naar dertig.’

Willow zag er erg jong uit voor haar vijftien jaar. Ze werd er helemaal gek van dat de meeste mensen haar jonger schatten. ‘Maak geen haast met volwassen worden, Willow,’ zei Bethany altijd. ‘Kun jij makkelijk zeggen; jij bent al volwassen. Niemand vertelt jou wat je moet doen.’ Want dat is wat kinderen denken dat volwassenheid inhoudt, dat niemand je vertelt wat je moet doen. En je kreeg ze niet aan het verstand gepeuterd dat die vrijheid een prijs had.

‘Bedankt, in ieder geval,’ zei ze.

‘Een dubbele espresso met een scheutje halfvolle melk. Twee dollar en negen cent,’ zei Todd.

Ze haalde een biljet van twintig dollar uit haar zak en gaf het hem. ‘Ik betaal ook voor deze meneer.’

‘Dat hoeft niet,’ zei Michael snel.

‘Ik sta erop,’ zei ze. ‘Ik wil het graag.’

Even leek het erop dat hij er weer iets tegenin zou brengen, maar nee, daar was zijn grijns weer.

‘Dank je,’ zei hij.

Toen Todd Bethany haar wisselgeld had gegeven en ze op het punt stond afscheid te nemen, wees Michael naar zijn tafel. ‘Kom je even bij me zitten?’

Ze voelde dat hij beleefd wilde zijn, dat hij verwachtte dat ze zijn aanbod zou afslaan. Bethany wierp een blik naar buiten en zag Willow in haar stoel hangen. Ze had haar oordopjes in. Haar hoofd bewoog licht op het ritme van de muziek op haar iPod. Maar ze hield de boel goed in de gaten en staarde naar Michael Holt. Bethany was verbaasd dat ze in de auto bleef zitten. Ze had eerder verwacht haar dochter ergens buiten in de buurt van het grote raam op de loer te zien liggen.

‘Mijn dochter zit in de auto te wachten,’ zei ze. Ze wilde niet onbeschoft lijken. Maar eigenlijk wilde ze gewoon niet met mannen praten; ze had besloten dat ze daar voorlopig klaar mee was. Daar stond tegenover dat hij wel iets interessants had. Ze voelde zich niet tot hem aangetrokken, helemaal niet. Ze was eerder nieuwsgierig. Hij had iets eigenaardigs. Ze wist niet precies wat het was. Ze hield van eigenaardige mensen.

Ze bleven even schutterig tegenover elkaar staan – hij naar zijn voeten starend, zij om zich heen kijkend. Door de manier waarop Todd bij de gootsteen bleef rondhangen zonder dat hij daar iets te doen leek te hebben, kreeg ze het idee dat hij meeluisterde. De peuter in de verre hoek kraaide van plezier. ‘Zachtjes,’ fluisterde zijn moeder.

‘Wat was je daar in het bos aan het doen?’ vroeg ze. Ze was niet naar de tafel gelopen. Ze nam een slokje van haar espresso en keek hem over de rand van het kopje aan. ‘Willow is ervan overtuigd dat je een lijk aan het begraven was.’

Hij liet een nerveus lachje horen, dat iets liefs had. Hij nam zijn bril af en gebruikte de zoom van zijn sweatshirt om de glazen schoon te poetsen. Bethany lachte van de weeromstuit mee.

‘Typisch de dochter van een schrijfster van detectiveromans,’ zei hij.

Bethany hield meteen op met lachen. ‘Hoe weet je dat?’ vroeg ze. Ze nam nog een slokje koffie en keek instinctief naar de deur. Willow zat nog in de auto, zag ze.

‘Sorry,’ zei hij. Hij keek schaapachtig en wees naar zijn tafeltje, waarop een laptop stond die haar eerder niet was opgevallen. ‘Ik heb je gegoogeld. Ik had al van je gehoord. In The Hollows blijft niets onbesproken. Zeker niet een schrijfster die hier komt wonen. En ik woon hier niet eens meer.’

Bethany voelde dat ze rood werd. Dus er werd echt over haar gepraat. Ze besloot onmiddellijk dat dat niet normaal was en dat ze het helemaal niet leuk vond. Maar wat kon ze doen? Misschien was het de prijs voor de stilte die ze zo waardeerde. Bethany knikte bedachtzaam.

‘Sorry,’ zei hij opnieuw. Hij leek het te menen.

Ze overwoog hem nogmaals te bedanken en zich te excuseren. Maar ze bleef staan, haar nieuwsgierigheid kreeg de overhand. ‘Wat was je dan wel aan het doen?’

‘Geen lijk aan het begraven, echt niet.’

Bethany observeerde hem, terwijl hij in zijn inmiddels lege kop staarde. Ze vond de grijze lokken in zijn haar, de rimpels in zijn voorhoofd leuk. Zelfs de eeltplekken op zijn handen en zijn vuile nagels vond ze leuk. Hij was echt, degelijk, aards, als The Hollows zelf. Toen hij opkeek, zag ze iets in zijn gezicht waar ze van schrok. Ze kon niet zeggen wat het was: pijn, droefheid, angst? Maar het was meteen weg. Daar was zijn grijns weer, maar het oprechte en jongensachtige was er vanaf.

‘Juist tegenovergestelde. Ik was er een aan het opgraven.’