2
Ze schreef langzaam. Met haar pen trok ze elke letter zo vaak over dat ze doordrukten in de onderliggende bladzijde. the hollows is een klotegat, in grote blokletters boven aan de bladzij van haar werkboek Engels. En zo was het. Echt. Ze haatte het. Daaronder schreef ze in een krullerig handschrift: Waarom ben ik hier? Waarom?
‘Willow? Juffrouw Graves? Zou u met ons mee willen doen?’
Ze schoot verschrikt overeind. Soms verdween ze in haar eigen hoofd en veranderde de wereld om haar heen in een vage ruis, en dan belandde ze op een verrassende en vaak gênante manier met een schok weer op aarde. Ze keken haar allemaal aan. Stelletje stomkoppen.
Ze sloeg haar ogen op naar meneer Vance, de leraar Engels, die haar verwachtingsvol aankeek. ‘Ik heb de vraag niet gehoord.’ Haar wangen begonnen te gloeien toen ze iemand achter in de klas hoorde giechelen.
‘De vraag was,’ zei hij, ‘of je me het verschil tussen een vergelijking en een metafoor kunt uitleggen.’
Ze had echt niet met haar ogen willen rollen. Maar soms hadden die een geheel eigen wil. Meneer Vance sloeg zijn armen over elkaar en rechtte zijn rug. Hij daagde haar uit.
‘Een vergelijking is een literair stijlfiguur waarin zaken vergeleken worden met gebruik van woorden als “als” en “zoals”. Zoals in: zijn ogen waren even blauw en verlokkend als de diepe, weidse oceaan. Een metafoor is een stijlfiguur die twee ongelijke zaken gelijkstelt. Voorbeeld: haar liefde voor hem was een rode, rode roos.’
Ze bracht het verleidelijk, flirterig, om haar gezicht te redden. Maar het pakte verkeerd uit. Van de kant van de zombies klonk nog meer nerveus gegiechel. Wat een trut. Dat waren de blowers achterin weer, hun woorden stegen als een wolkje rook boven alles uit. Meneer Vance was vuurrood geworden; van woede, gêne of misschien wel een beetje van allebei.
Willow was vaak genoeg gewaarschuwd door haar moeder: ‘Je moet je mond leren houden, meidje. Daar komt narigheid van.’ En: ‘Je bent veel te goed van de tongriem gesneden, Willow. Flap niet alles zomaar eruit.’ De laatste tijd moest haar moeder het zo vaak zeggen, dat ze het simpelweg had ingekort tot: ‘Mond!’
Meneer Vance had echt supermooie blauwe ogen. Hij was jongensachtig, vlot gekleed, hij had een leuke kop met haar en hij droeg zijn glimmende gouden trouwring met trots. Maar ze viel echt niet op hem. Ze vond hem aardig. De meeste leraren vonden dat ze veel aandacht eiste, dat ze snel was afgeleid, dat ze slim maar slordig was en moeilijk bij de les te betrekken. Het aantal omschrijvingen evenaarde het aantal oudergesprekken, en de meeste waren negatief.
Meneer Vance was anders. Hij liet haar praten en raakte niet gefrustreerd door haar vragen als: ‘Er zijn toch stemmen die beweren dat Shakespeare een vrouw was? Dat zijn zus alle stukken heeft geschreven, waar hij mee aan de haal is gegaan? Zijn er meer mensen die Hemingway niet boeiend en ontoegankelijk vinden? Of Moby Dick saaier dan saai?’ Tijdens de afgelopen ouderavond had meneer Vance tegen haar moeder gezegd dat hij Willow ‘begaafd’ vond, maar dat ze zich vaak verveelde en ‘veel uitdagingen en prikkels nodig had om uit te kunnen blinken’. Hij was de eerste leraar door wie ze zich begrepen voelde. En nu had ze het verkloot. Totaal verknald. Haar moeder vond het niet prettig als Willow ‘verkloot’ zei. ‘Je hebt fantasie genoeg, Willow. Vloeken is voor mensen met een beperkte woordenschat.’
‘Inderdaad, Willow,’ zei meneer Vance. Hij draaide zich om en liep naar voren. ‘Inderdaad.’
Hij ging verder met zijn les over stijlfiguren, maar Willow hoorde niets meer en zat de rest van de les te balen. Meestal bleef ze nog wat hangen om met hem te praten als de bel was gegaan, maar vandaag was hij al weg voor ze haar tas had ingepakt. Het was weer het oude liedje: ze had iets verkeerds gezegd en iemand afgestoten. Ze voelde zich wegzakken, vergeefs wensend dat ze beter op haar woorden had gelet.
..
Iemand had het woord ‘freak’ op haar legergroene locker gekrast. Het was al aan het begin van het jaar gebeurd, maar ze had er niet over geklaagd of geprobeerd het af te plakken. Ze vond het wel leuk. The Hollows was een sociaal en cultureel vacuüm, bevolkt door kleingeestige, bekrompen, fantasieloze mensen; zij was een freak hier, en daar was ze trots op. Ze wilde dat ze allemaal wisten dat zij anders was. In New York, waar ze haar hele leven had gewoond tot ze een halfjaar geleden naar The Hollows was verbannen, was ze geen freak geweest.
Ze rommelde in haar rugzak tot ze haar mobieltje had gevonden. Ze toetste het nummer in en klemde het toestel tussen schouder en oor terwijl ze vooroverboog om de veters van haar Doc Martens opnieuw te strikken en haar netpanty recht te trekken.
Haar moeder nam op met: ‘Hoe gaat het met je flitsende bestaan, meidje?’
‘Klote.’ Ze leunde met haar volle gewicht tegen haar locker en keek naar de zee van debielen die door de hal spoelde. Veel gegiechel en geschreeuw en geren, piepende sneakerzolen.
Haar moeder zuchtte. ‘Wat is er aan de hand?’
Ze vertelde haar over het voorval met meneer Vance. ‘Het was maar een grapje.’
‘En, wat doe je als je iemand om wie je geeft, hebt beledigd of in verlegenheid hebt gebracht?’
‘Dan probeer je het goed te maken,’ zei Willow. Waarom had ze in hemelsnaam gebeld? Ze had dit hele gesprek woord voor woord kunnen voorspellen.
‘Dat weet je dus.’
‘Mm,’ zei Willow. ‘Ja.’
Willow kroop tegen haar locker. Ze wilde vragen of haar moeder haar kon komen halen. In de eerste weken had ze haar gebeld en gesmeekt of ze opgehaald kon worden, en haar moeder had met de hand over het hart gestreken. Tot ze het wel welletjes vond en gezegd had dat Willow de hele schooldag maar moest uitzingen, hoe ellendig ze zich ook voelde. En als haar moeder zei dat het welletjes was, dan was dat ook zo.
‘Ik hou van je, mam.’
‘Ik ook van jou. En ik weet heus wel dat het moeilijk is, voor mij is het net zo. Maar het wordt beter, dat beloof ik. Probeer van kleine dingen te genieten.’
‘Ik zal het proberen.’
‘Je hebt nu tekenles, hè?’
‘Ja.’
‘Leuk!’
Willow haatte die gemaakte opgewektheid in de stem van haar moeder. Maar het wees haar er wel op dat haar moeder het ook zwaar had. ‘Joepie,’ zei ze.
‘Oké, wijsneus.’ Haar moeder lachte even. ‘Hou je goed daar.’
Na het gesprek beëindigd te hebben, legde Willow haar werkboeken in haar locker, pakte haar tekenspullen en klapte het deurtje dicht.
‘Leuke rugzak.’ Het gemene stemmetje galmde door de hele hal en weerkaatste tegen de muren. Willow draaide zich om en zag Becka Crim met haar popperige plastic klonen. Hun designertassen, Juicy Couture, Coach, Kate Spade, glansden kwaadaardig. Ze had de hare in een legerdump gekocht. Hij was cool. Veel te cool voor school. Willow stak haar middelvinger op en hoorde ze lachen terwijl ze wegliep.
‘Haar liefde voor hem was een rode, rode roos.’
Ze wist niet wie van de meidenkliek het zei. Het deed er niet toe. Geen van die randdebielen zat bij haar bij Engels, maar blijkbaar hadden ze al gehoord wat er tijdens de les was gebeurd. Heel fijn.
..
De deur van de kamer van meneer Vance was dicht. Door het matglas heen zag ze zijn silhouet. Ze was best zenuwachtig, maar toch hief ze haar hand om te kloppen.
‘Binnen.’
Ze duwde de deur open en hij keek kort op van de papieren op zijn bureau. Ze bleef in de deuropening staan, weifelend of ze naar binnen moest gaan.
‘Wat kan ik voor je doen, Willow?’ vroeg hij, toen ze maar bleef staan. Met vragend opgetrokken wenkbrauwen keek hij haar aan.
‘Ik kom mijn excuses aanbieden,’ zei ze uiteindelijk. ‘Het spijt me. Het was stom van me.’
Hij gebaarde naar de stoel voor zijn bureau. Toen ze ging zitten, ging net de bel; ze hoorde iemand een sprintje trekken, een deur dichtgaan. Ze zou te laat komen bij tekenen.
‘Laat me je iets uitleggen,’ zei meneer Vance. ‘We zijn toch vrienden? We kunnen het goed met elkaar vinden. We praten over boeken en we blijven na om onderwerpen te bediscussiëren die in de les aan de orde zijn gekomen.’
‘Klopt,’ zei ze. Op het bureau stond een foto van meneer Vance wang aan wang met een glimlachende vrouw, vast zijn echtgenote. Het was een malle, onscherpe foto, zo eentje die je van jezelf maakt. Om de een of andere reden had Willow een mooiere vrouw verwacht, lang en blond. Deze vrouw was nogal gewoontjes, met muizig haar en een bril. Ze zag er wel gelukkig uit. En aardig.
‘Dit soort dingen ligt gevoelig,’ zei meneer Vance. ‘De geringste verdenking dat er iets ongepasts gaande is en mijn carrière is naar de knoppen. Begrijp je dat? Ik heb een vrouw, er is een baby op komst. Mijn baan en mijn goede naam zijn me alles waard.’
Ze voelde het bloed naar haar wangen vliegen, de tranen prikken. ‘Het was niet mijn bedoeling...’ begon ze. ‘Het spijt me.’
‘Je hebt me in een lastig parket gebracht,’ zei hij.
Ze wilde zich opnieuw verontschuldigen, maar kreeg geen geluid uit haar keel. Als ze ook maar iets zou zeggen, zou ze gaan huilen. Het was warm in de kamer en de nabijheid van meneer Vance benauwde haar. Ze stond op, wilde weg van hem, van zijn afkeurende blik, zo anders dan zijn gebruikelijke glimlach en zijn ondeugende ogen. Zijn gezicht was bleek, zijn mond strak. Ze konden geen vrienden meer zijn, dat was wel duidelijk. Ze deed een stap naar achteren en stootte tegen de stoel, die met een luid schrapend geluid over de vloer schoof. Zijn gezichtsuitdrukking werd milder.
‘Oké,’ zei hij terwijl hij zijn handpalmen sussend hief. ‘Ik snap het wel. Mijn vraag kwam onverwacht. Je probeerde je gezicht te redden.’
Op de een of ander manier maakte het feit dat hij het door had, de zaak nog erger.
‘Het spijt me echt,’ zei ze, met moeite een snik onderdrukkend. Ze wilde niet huilen waar hij bij was. Hij strafte haar en ze hij mocht niet weten dat hij haar pijn deed, dat gunde ze hem niet. Ze liep zijn kamer uit en zette het op een lopen, waarbij haar rugzak onhandig tegen haar rug aan bonkte.
‘Willow...’ Zijn stem galmde door de gang. ‘Heb je een briefje nodig voor je volgende les?’
De muren, de schaamte, de pizzalucht uit de schoolkantine, alles kwam op haar af. Het werd haar te veel, het tl-licht, deze plek waar ze een freak was, waar ze haar ware aard niet kon tonen, waar ze niet werd begrepen. Zodra ze de hoek om was, ging ze langzamer lopen, tot ze bij haar klaslokaal was. Ze stond al op het punt naar binnen te gaan, toen ze de buitendeur aan het eind van de gang zag. Door de smalle, rechthoekige ramen viel het daglicht naar binnen. Zonder erbij na te denken liep ze door, de koele najaarslucht in. Even bleef ze staan, omkijkend naar het logge, bakstenen gebouw met zijn olijfgroene deuren. Toen liep ze snel achterom naar de weg die daar langs de school liep.
Ze verwachtte dat er iemand achter haar aan zou komen om te vragen waar ze heen ging. Er kwam niemand. Ze kon ongestoord doorlopen over de stille, met ruisende iepen omzoomde tweebaansweg. De stiekem verworven vrijheid maakte haar duizelig en gespannen. Ze liep in de berm, je kon erop wachten dat een passerende automobilist uit The Hollows haar zou zien lopen en alarm zou slaan over het feit dat hij een scholiere zag die ’m smeerde. En dan had je de poppen aan het dansen. Haar moeder zou helemaal van de rel zijn. Maar dat kon haar niet schelen. Ze wilde gewoon... weg. Dat gevoel was haar maar al te bekend.
Ze had geen plan, maar wou dat ze haar jas had meegenomen. Een stevige bries blies een wolk goudkleurige bladeren van de bomen, die zweefden en dansten en uiteindelijk op de grond dwarrelden, waar ze onder haar stevige, zwarte schoenen werden geplet.
Haar vorige leven was lichtjaren van haar verwijderd. Er waren nog wel mensen die ze kon bellen, haar vroegere vrienden. Sommigen hadden haar vergeven en er waren er een paar, onder wie Amelia, die af en toe belden of mailden en op haar Facebook-pagina reageerden. Maar wat moest ze met hen? Telkens als ze hen sprak of hun updates zag in haar nieuwsoverzicht of hun stomme tweets las, voelde ze zich verbannen. Ze wist dat er geen weg terug was, hoewel iedereen, zijzelf incluis, het tegenovergestelde volhield.
Haar moeder had haar vroeger een boek voorgelezen dat over een jongen ging die boos was op zijn ouders en van huis wegliep om bij het circus te gaan. Hij stak zijn hoofd in de bek van een leeuw en balanceerde op het koord. Hij vloog over het publiek aan een trapeze en danste met de clowns. Maar ’s avonds, als de lichten doofden en het publiek naar huis ging, zat hij alleen in zijn kleine, donkere tent. Dan sloot hij zijn ogen en huilde om zijn moeder, die eigenlijk zo slecht nog niet was; ze wilde alleen maar dat hij zijn broccoli opat. Toen hij zijn ogen opendeed, bleek het slechts een droom en lag hij veilig in zijn bedje, en boog zijn moeder zich over hem heen om hem een kus op zijn voorhoofd te geven.
‘Ik was weggelopen en bij het circus gegaan,’ zei hij. Hij vertelde haar over de leeuwen en de clown en de trapeze. ‘En toch wilde ik alleen maar thuis zijn.’
‘Je bent altijd thuis, want ik ben altijd bij je,’ zei de moeder uit het boek. ‘Je kunt de wereld in trekken en zijn wie je wilt of doen wat je wilt, maar bij mij heb je altijd een thuis.’
Willow wist nog hoe gek ze was geweest op dat boek en dat ze als het bijna uit was altijd tegen haar moeder aan kroop. Achteraf leek het een sentimenteel en gekunsteld verhaaltje, maar toch was het nog steeds een fijn idee dat thuis je bedje stond, in een veilige, liefdevolle omgeving, en dat alles uiteindelijk goed kwam. Vroeger geloofde ze dat het zo in elkaar zat, dat de wereld veilig was en dat haar moeder alles goed kon maken.
Ze hoorde een auto aankomen. Snel schoot ze het bos langs de weg in. Er filterde licht door het dunner wordende bladerdak, dat glanzende vlekjes op de vochtige grond toverde. De grond onder haar voeten was een zacht kussen van gevallen bladeren en takjes. De lucht was doordrongen van de geur van rottende planten. Ze besloot door te steken door het bos. Op de weg werd ze gezien, en ze wist dat ze na ruim een kilometer of zo door het bos bij de onverharde weg naar haar huis zou uitkomen. Ze had het eerder gedaan, ook al had ze beloofd het niet te doen. Ze had hier een keer een joint gerookt met Jolie Marsh, het enige meisje dat ze in The Hollows was tegengekomen dat wel cool was. Maar Jolie was geschorst omdat ze vorige week had gespijbeld en nu wilde haar moeder niet meer dat ze met Jolie omging.
Aan één aspect van The Hollows had Willow geen hekel: de stilte. Ze had nooit beseft hoe lawaaierig de stad was, dat haar hele bewustzijn van kabaal was doordrongen. ‘Hier kan ik nadenken,’ zei haar moeder, waarbij er een irritante, dromerige uitdrukking op haar gezicht verscheen. ‘Hier kan ik ademhalen.’ Willow wist wat ze bedoelde, ook al zou ze dat nooit toegeven. Ze werd altijd chagrijnig als haar moeder over The Hollows begon, over hoe mooi het was, hoe schilderachtig, over hoe dicht bij de natuur ze zich hier voelde en over hoe schoon de lucht was.
‘Jezus, mam, hou eens op. Het is gewoon een gat.’
‘Probeer het, Willow. Probeer het te zien.’
De zon verschool zich achter de wolken en de goudglans verdween. Het licht werd melkachtig grijs. De bladeren waren ineens gewoon bruin. Ze voelde spijt opkomen... over haar brutale antwoord in de klas, haar slappe excuses en haar roekeloze wegloopactie. Nu moest ze kilometers door de stilte lopen, en aan het eind stond haar niets vrolijks te wachten.
Met een schok van angst realiseerde ze zich dat haar moeder, als die gebeld zou worden door school, ongerust zou zijn, echt ongerust. Haar moeder kon vreselijk van streek raken; als schrijfster zag ze in haar ongebreidelde fantasie alle mogelijke vreselijke scenario’s als filmbeelden voorbijflitsen. En dat was wel het laatste wat haar moeder nu kon gebruiken.
Willow groef haar mobieltje op uit haar rugzak, maar toen ze het nummer wilde intoetsen, zag ze dat ze geen bereik had. In The Hollows had je op tal van locaties geen bereik, kon je mobieltje het onverwacht niet meer doen. Jolie had haar verteld dat dat kwam omdat er kilome-terslange verlaten schachten van ijzerertsmijnen onder de grond liepen. Willow begreep niet hoe dat een oorzaak kon zijn. Maar wist zij veel? Het stadje deed gewoon alles om haar een eenzaam en alleen gevoel te bezorgen, alleen maar om haar te pesten, om haar ellende te vergroten. Er was niet eens een Starbucks.
Ze stopte de telefoon in haar zak, want ze wist dat ze elk ogenblik weer een signaal kon krijgen. Terwijl ze stevig doorstapte, keek ze omhoog. Ze zag drie grote vogels rondcirkelen. Ze bleef staan om ernaar te kijken en zag hoe ze op de thermiek zweefden, met nauwelijks bewegende vleugels. Ze zag hier voortdurend dingen die ze nog nooit eerder had gezien: ree-en, in hun eigen, grote tuin nota bene, konijnen, blauwe gaaien, kardinalen, kraaien. Dat was ook een ding van The Hollows dat ze wel leuk vond. Maar die paar dingen, de vredige rust, de natuur, konden het gemis van de rest bij lange na niet compenseren.
Terwijl ze naar boven stond te kijken, drong er iets tot haar door wat ze al een poos hoorde. Een soort ritmisch gebonk in de verte, zo zacht en regelmatig dat het even had geduurd voor het haar bewustzijn was binnengesijpeld. Willow keek in de rondte om de herkomst van het geluid te bepalen, maar het kon net zo goed uit de grond als uit de lucht komen. Ze wist dat er huizen waren op percelen die zich uitstrekten tot aan de rand van het bos en dat geluid ver droeg.
Jolie zei dat de oudere generatie de vele hectaren bos Het Zwarte Woud noemden, ook al heette het officieel Hollows Wood. De Duitsers, die het stadje hadden gesticht, hadden hun eigen verhalen meegenomen, over sprookjesbossen vol met heksenhutjes en peperkoekhuisjes en grote, boze wolven. Blijkbaar deed dit bos hen daaraan denken. Het was een bijnaam die was blijven hangen.
Er stonden een paar gigantische, gloednieuwe huizen op de grote lappen grond aan de bosrand, waaronder het huis dat Willows moeder had gekocht. ‘Om stadsmensen het gevoel te geven dat ze buiten wonen,’ had Jolie gezegd, meer een reclamezinnetje dat ze had gehoord en nu inzette om cool over te komen. Willow had geen idee of Jolie wist dat zij, Willow, in een van die huizen woonde; misschien was het een steek onder water, maar het was ook mogelijk dat ze het niet wist. Daarbij was Jolie nog nooit in de grote stad geweest en wist ze al helemaal niets over stadsmensen. Maar dat zei Willow niet, want Jolie was haar enige vriendin.
Sommige stukken land waren al eeuwen in het bezit van een familie, enorme percelen met een bouwval erop. Bij de eerste sneeuw waren de wegen al onbegaanbaar. Veel van die mensen, ook de kinderen, waren onzichtbaar gedurende de winter. Dit alles volgens haar hasj rokende, geschorste vriendin, wier familie al vier generaties in The Hollows woonde en afstamde van de Duitsers die de stad nog als nederzetting hadden gesticht.
Ka-bonk. Ka-bonk. Stilte. Ka-bonk.
Tussen de bomen door kon ze de open plek zien. Zodra ze die had overgestoken, was het nog ongeveer een kilometer voor ze bij de weg naar haar huis was. Maar in plaats van in die richting te lopen, ging ze in de richting van het geluid dat ze hoorde, dieper het bos in. Haar nieuwsgierigheid was geprikkeld, ze moest weten wat het was. Niets heerlijker dan zichzelf even te vergeten en al haar problemen en narigheid achter zich te laten. Ze voelde de spanning stijgen en zette de pas erin, intussen kijkend of ze bereik had op haar mobieltje. Nog steeds niet.
Het geluid werd harder en ze vertraagde haar pas. Opeens bleef haar arm ergens in haken. Toen ze hem terugtrok, zwiepte er een oude, zwarte tak gemeen hard langs haar lijf. Omlaag kijkend zag ze dat het gebloemde katoen van haar Lucky Brand blouse was gescheurd. Ze voelde met haar hand aan haar arm en voelde bloed. Haar favoriete blouse, gekocht in SoHo, de laatste keer dat ze in New York was geweest. Het was alsof ze een stukje van de stad bij zich droeg, alsof zij iets had wat geen van die barbiepoppen op school had. Wat een stomkop was ze ook. Als je jezelf niet in dit soort situaties bracht, zou zoiets nooit gebeuren. Dat zou haar moeder zeggen. En gelijk had ze.
Ka-bonk. Ka-bonk.
De stekende pijn in haar arm was onmiddellijk vergeten en ze begon weer te lopen. Toen ze hem zag, bleef ze abrupt stilstaan. Ze had geen idee gehad wat de veroorzaker van het geluid zou kunnen zijn; een dier misschien, of een klapperende deur bij een ingang van een van die mijnschachten. Het laatste wat ze verwachtte was een man die een gat aan het graven was. Ka-bonk.
Hij was lang en ontzagwekkend, net als de boomstammen rondom, en zijn lange, donkere haar golfde als weglekkende olie over zijn grijze sweatshirt met capuchon. Hij stond tot aan de knieën van zijn donkerblauwe werkbroek in het gat en groef zonder opkijken. Ze stond als aan de grond genageld; haar adem stokte, maar ze bleef kijken. Neem alles in je op. De details vormen het verhaal. Zoom in.
Naast hem lag een grote, zwarte tas, vol gereedschap zo te zien. Een waas van zweet kleurde zijn rug donker. Ze hoorde blikkerige muziekklanken. Hij had oordopjes in en luisterde naar iets wat zo loeihard stond dat ze het op twintig meter afstand kon horen. De hemel werd donkerder en de temperatuur daalde. Ineens kreeg ze het ijskoud. Ze begon achterwaarts te lopen, zich bewust van het geluid van haar ademhaling.
Hij staakte zijn gegraaf, keek omhoog, haalde de oordopjes uit zijn oren en strekte en rekte zijn rug. Willow bleef achteruit lopen. Plotseling ging haar mobieltje. Een track van Lilly Allen verscheurde de stilte van de natuur. Erger nog, de stilte explodeerde, de rust werd opengereten. Hij draaide zich met een ruk om en ze zag zijn bleke huid, zijn intens donkere ogen.
‘Hé!’
Willow antwoordde niet, maar draaide zich om en rende weg. Ze tastte naar haar telefoon, die nog steeds overging, snerpend hard. Waarom had ze het volume zo hoog staan? Op het moment dat ze hem uit haar zak had gefrummeld, gleed hij uit haar vingers. Ze keerde zich om en zag hem staan. Hij keek hoe ze wegrende, zonder zelf in beweging te komen; hij volgde haar met zijn ogen, en met een vreemde, bijna spottende glimlach.
Ze stopte niet om haar telefoon op te rapen, keek niet meer om en rende zo hard ze kon weg, de open plek over, het bos door, tot het ineens lichter werd en ze zich op de weg bevond. Toen pas durfde ze stil te staan. Ze klapte dubbel van de verschrikkelijke kramp in haar zij en het benauwende gevoel op haar borst. Ze had geen goede conditie. Ze kon niet meer; als hij achter haar aan zou komen, als hij plotseling uit het bos zou opduiken, zou ze haar laatste krachten gebruiken om te slaan en te gillen, in de hoop dat iemand haar zou horen.
Maar ze keerde terug, de vredige stilte. Alleen het zingen van vogels en het ruisen van de koele wind door de bladeren was te horen. Ze keek het bos in, maar zag niemand. Ze was alleen, scheur in haar blouse, mobieltje weg, pijn op haar borst van de ongewone inspanning. Nu de angst een beetje begon te zakken, was er weinig van haar stoerheid over. Ze begon in de richting van haar huis te lopen. Ze zou niemand vertellen wat ze had gezien. Dat kon echt niet. Trouwens, niemand zou haar geloven. Want Willow Graves loog en dat wist iedereen; zelfs, of misschien vooral, haar moeder.