35

De vrouw die achter de balie van het hotel stond was de veertig gepasseerd. Ze had een donkere bril op met dikke glazen, en haar strak naar achteren getrokken haren waaierden uit vanuit een opvallend witte plek midden op haar hoofd. De huid onder haar jukbeenderen was getekend door acnelittekentjes. Ze droeg geen ring, maar Kevin Carr zag dat ze de hoop nog niet had opgegeven. Dat was goed. Alle vrouwen reageren op een knappe kerel die een buitensporig grote bos rozen bij zich heeft, maar een vrouw als deze zou nog positiever reageren dan de rest.

Hij droeg zijn reistas over zijn schouder. Zijn colbert had hij expres niet aangehouden onder het rijden, waardoor hij nu strak in het pak zat. Hij droeg een felroze stropdas en had wat eau de toilette op. Hij was, zoals dat heet, dressed to impress. Voor het eerst sinds Paula’s vertrek had hij zich weer eens geschoren en zijn haren gestyled. Hij was niet naar zijn werk gegaan; hij had niet eens de moeite genomen af te bellen. Zijn partners waren in paniek, want hij was de enige die een cliënt onder zijn hoede had. En die cliënt was woest. Hij had zullen terugbellen, dagen geleden al. De pot op. Ze konden allemaal de pot op. Hij had zitten wachten tot dat klerewijf haar belofte zou nakomen. En natuurlijk had ze dat niet gedaan. Ze ging hem dat geld niet geven. Nou, dan ging hij het wel halen.

Amelia, zijn vriendin, begon argwaan te krijgen. Onlangs nog was in een restaurant zijn pasje geweigerd en had zij moeten betalen. Hij had een verhaal opgehangen over identiteitsdiefstal, maar hij had gezien dat ze er niet in trapte. Hij had gedaan alsof hij griep had en gezegd dat hij daarom een paar dagen niets van zich had laten horen. Maar hij betwijfelde of ze dat wel geloofde. Ze was niet zo slim als Paula. Dat vond hij het aantrekkelijke aan haar. Ze was mooi en wanhopig, niet bijster pienter. Maar zelfs zij begon iets te vermoeden.

‘Hallo,’ zei hij op de balie af lopend. Hij probeerde een beetje buiten adem te klinken en wierp de vrouw (welkom, ik ben caroline) een brede glimlach toe. En die blik: warme glimlach, vriendelijke oogopslag. Zo’n blik die zegt: Ik vind je erg aantrekkelijk, en de meeste vrouwen glimlachen dan terug. De vrouw achter de balie straalde helemaal.

‘Ik had met mijn vrouw en kinderen afgesproken, maar ik ben veel te laat,’ zei hij. ‘Ze vermoordt me.’

‘Hebben ze een kamer hier?’ vroeg ze, terwijl haar hand naar het hartvormige medaillon om haar hals ging.

‘Ze zijn een paar uur geleden aangekomen,’ zei hij. De stommeling. Hij wist dat ze dat pasje, haar oude American Express-card, op een gegeven moment zou gebruiken. Hij had het in de gaten gehouden en om het uur de nieuwste gegevens opgehaald. Hij wist dat ze de motels beu zou worden en iets beters zou zoeken. Ze was een verwend nest, vanaf de dag dat hij haar had leren kennen.

De receptioniste was te verlegen om hem lang in de ogen te kijken. Haar blik ging naar de rozen en toen omlaag, naar het beeldscherm voor haar. ‘Wat is hun kamernummer?’

‘Ik had gehoopt dat jij me dat zou kunnen vertellen.’ Hij trok zijn mondhoeken omlaag en zijn wenkbrauwen op. Hij ging voor de schaapachtige benadering. ‘Ze heeft het me verteld, maar ik ben het vergeten.’

‘Als u mij haar naam geeft, bel ik de kamer even en laat ik haar weten dat u hier beneden bent.’

‘Hm,’ zei hij. Hij trok een lichte frons in zijn voorhoofd. ‘Hoe laat is het?’

Hij keek op zijn horloge en zag dat zij het zag.

‘De kinderen slapen al,’ zei hij. ‘Als je belt, maak je ze wakker.’

‘Het spijt me, meneer,’ zei ze. ‘Ik mag u het kamernummer niet geven. Dat is ons beleid.’

‘Ach natuurlijk, dat snap ik,’ zei hij. Hij wendde voor naarstig naar een oplossing te zoeken en deed alsof hij zijn vrouw een sms’je stuurde. Ze wachtten. Hij kon zien dat ze hem een plezier wilde doen en hem uit de brand wilde helpen. Maar ze moest zich aan het beleid houden.

‘Je bent vast te jong om zelf kinderen te hebben,’ zei hij. Hij zag dat ze bloosde, ze kleurde rood vanuit haar hals, niet bepaald aantrekkelijk. ‘Maar als je ze wel zou hebben en ze zouden slapen? Ik weet zeker dat je hier aan terug zult denken. Echt, ik ga liever op die bank daar slapen dan dat ik ze wakker maak.’ Hij wees naar het zitje in de lobby.

‘Mijn zus heeft kinderen,’ zei ze. Ze probeerde haar zware, pluizige haar – vast haar grootste ergernis – glad te strijken. ‘Dus ik begrijp u wel.’

Hij keek weer op zijn gsm. ‘Arme meid,’ zei hij. ‘Ze is waarschijnlijk zelf ook in slaap gevallen. Ze is uitgeput. Ik maak me de laatste tijd veel zorgen over haar, ze heeft het zo druk met de kinderen.’ Hij keek met een verliefde blik naar de rozen. ‘We zijn vandaag tien jaar bij elkaar. Tien jaar, het is nauwelijks te geloven.’

‘O,’ zei ze. ‘Wat líéf...’

‘Ja,’ zei hij met een lachje. Hij rolde op een grappige manier met zijn ogen. ‘Als ze me niet vermoordt omdat ik zo laat ben.’

‘Wat is haar naam?’ vroeg ze. Hij was met opzet bij de balie blijven staan. Door er bovenop te zitten kon je de gang van zaken meestal bespoedigen. Niemand houdt van mensen om zich heen die op iets zitten te wachten. Deze vrouw was een te verlegen muisje om iets onaardigs te zeggen, of om de manager erbij te roepen.

‘Paula Carr,’ zei hij.

Ze draaide zich met een glimlach naar hem toe en legde een vinger op haar mond, terwijl ze een sleutelkaart voor hem maakte. ‘Kamer 206.’

Hij glimlachte breed en trok een roos uit het boeket, die hij haar overhandigde.

De vrouw giechelde, meisjesachtig en lief. ‘O!’

‘Ontzettend bedankt,’ zei hij. ‘Ik heb er geen woorden voor. Je hebt zojuist mijn leven gered.’

* * *

Het was stil op de gang; het enige geluid kwam van een televisie die te hard stond. Daar ergerde hij zich altijd aan, aan mensen die het geluid te hard zetten, net als aan mensen die in het vliegtuig de rugleuning helemaal achterover klapten. En aan mensen die in openbare gelegenheden de deur achter zich dicht lieten vallen, zonder te kijken of er misschien iemand achter hen liep. Wat mankeerde die mensen? Onverschilligheid was een nationale plaag.

Waarschijnlijk had ze de deur ook nog vergrendeld met de veiligheidsketting. Hij had op YouTube een filmpje gevonden over hoe je zo’n ketting met een postelastiek los kon maken. Er bestond ook een stuk gereedschap, een soort breekijzer, waarmee je de metalen vergrendeling makkelijk kon loswrikken. Hij had er zijn eigen versie van gefabriceerd, in de garage.

Hij had alles onder controle, want ze zou hem niets doen waar Claire en Cameron bij waren. Als ze de politie zou bellen, zou hij haar beschuldigen van ontvoering van de kinderen en hun vertellen dat ze depressief was en dat hij bang was dat ze zichzelf en de kleintjes wat zou aandoen. Waarop zij hysterisch zou worden en de politie hém zou geloven. Mensen geloofden hem altijd. Niet dat hij de kinderen wilde, die waren maar een blok aan het been. Hij gooide het puur en alleen over die boeg om Paula te grazen te nemen.

Bij de kamer aangekomen legde hij zijn oor tegen het koele deurpaneel. Hij hoorde niets dan stilte. Hij legde de rozen en zijn tas neer en haalde de sleutelkaart uit zijn zak.

‘Wat is hiervan de bedoeling?’

Hij herkende de man aan het eind van de gang niet.

‘Pardon?’

De man deed Kevin denken aan een enorme homp vlees, lang en stevig. Hij droeg een waxjas en een spijkerbroek met stevige, hoge bruine veterschoenen.

‘Ik vroeg: wat is hiervan de bedoeling?’

‘Ik denk niet dat dat u iets aangaat.’

De man glimlachte even. ‘Daar ben ik het niet mee eens.’

Kevin maakte een defensief gebaar. ‘Ik denk dat er sprake is van een misverstand.’

‘Ik denk het niet.’ De man kwam langzaam door de gang naar hem toe. ‘Ik wil dat u bij die deur weggaat en uw handen daar houdt waar ik ze kan zien.’

Het was zo’n type waar niet tegenaan te ouwehoeren was. Een man die zich niet liet inpakken of beïnvloeden, die geen ijdelheid bezat om te kietelen, die geen illusies in stand moest houden. Het was zo’n man voor wie het zinloos was een masker op te zetten. Kevin haatte dat soort mensen. Hij zag geen wapen. Was hij van de politie? Hoorde hij daar in de verte een politiesirene? Zijn hart begon te bonken. Hij deed een stap naar achteren.

‘Mijn naam is Jones Cooper. U heeft me gevraagd uw vrouw te zoeken,’ zei hij. ‘Nou, ik heb haar gevonden.’

Het duurde even voor Kevin de naam kon plaatsen. Hij had deze vent inderdaad gebeld. Het leek eeuwen geleden en hij was het helemaal vergeten.

‘Kijk,’ zei Kevin. Hij pakte de rozen op. ‘Bedankt, maar Paula en ik hebben het bijgelegd.’

‘Nee,’ zei Jones. Er verscheen een half sarcastisch lachje op zijn gezicht. ‘Niet waar.’

Kevin hoorde het geluid van een sirene aanzwellen en wegvallen. Toen ging de kamerdeur open. In de deuropening stond Paula.

‘Deze vrouw heeft mijn kinderen ontvoerd,’ zei hij. Zijn stem was een octaaf hoger dan gewoonlijk. ‘Ik kom ze ophalen. Ze heeft een postnatale depressie. Ik moet er niet aan denken wat ze zichzelf en de kleintjes aan kan doen.’

Paula keek hem alleen maar aan. ‘Je liegt, Kevin.’

‘Waar zijn mijn kinderen?’ schreeuwde hij. Hij slaagde er zelfs in er een paar tranen uit te persen. Verderop in de gang ging een deur open. Een mannenhoofd met een verwarde haardos verscheen, om onmiddellijk weer te verdwijnen.

‘Die zijn in veiligheid,’ zei ze. Haar stem was zacht, bijna fluisterend. ‘Ik heb een advocaat.’

Hij draaide zich om en keek haar aan – haar blik was glashard. ‘Ik heb niets misdaan,’ zei Kevin. Hij keek weer naar Jones. ‘U heeft geen reden om de politie erbij te halen.’

‘Je hebt mij met een pistool bedreigd,’ zei Paula. ‘Ik ben gevlucht omdat ik voor mijn leven vreesde. En je bent me achternagegaan.’

Iemand had haar duidelijk instructies gegeven en haar verteld wat ze moest zeggen. Sinds de kinderen er waren, was ze vaag en onsamenhangend geweest, maar daar was nu niets van te merken. Nu was ze meer zoals toen ze elkaar net kenden.

‘Ze liegt,’ zei hij. ‘Zij heeft het pistool.’

‘Ik heb een dossier aangelegd over je verhouding,’ zei ze. ‘Ik heb je e-mails naar je vriendin geprint, met daarin alle leugens die je over mij hebt verzonnen. Ik weet ook dat je geld van je bedrijf hebt verduisterd om je schulden af te lossen.’

Hoe kon ze dat weten?

‘Ondertussen heb ik vandaag een babbeltje gemaakt met Robin O’Conner,’ zei Jones. ‘Ik weet wat u haar hebt aangedaan.’

De liftdeur ging open en er stapten twee geüniformeerde agenten de gang in; een kale, slungelachtige zwarte man en een kleine, slanke blondine. Hun hand rustte op het semiautomatische wapen aan hun gordel. Achter hen dook de receptioniste op, samen met een man die eruitzag alsof hij de hotelmanager was.

‘Dat is hem,’ zei Caroline. Haar warme glimlach en zwijmelende oogopslag waren verdwenen.

Jones deed een stap opzij.

‘Iedereen houdt zijn handen daar waar wij ze kunnen zien,’ zei de vrouwelijke agent.

Kevin had eerder zulke momenten ervaren, lelijke, zwarte momenten, wanneer hij werd klemgezet. Diep in zijn binnenste opende zich het zwarte gat. Het was de plek waar alle personages die hij voor zichzelf schiep en ten tonele voerde één werden. En daar waar de echte Kevin Carr zou moeten zijn, was niets.