8

Michael Holt reed de oprit op van zijn ouderlijk huis en zette de motor af. De ramen waren donker en het gazon zag er verwilderd uit. Een van de luiken op de begane grond hing scheef uit zijn scharnier gezakt. Hij zat in de warme auto en overwoog terug te rijden naar de stad en een hotelkamer te boeken. De Super 8 vlak bij de snelweg had kamers voor 69 dollar per nacht, inclusief kabeltelevisie en een traditioneel ontbijt met pancakes. Op het reclamebord hadden wervende kreten gestaan als schoon! en veilig!; misschien niet wervend genoeg voor iedereen, maar meer dan genoeg voor Michael, vooral gezien de plek waar hij nu toefde.

Hij dacht aan zijn slinkende bankrekening en aan het feit dat het huis, slecht onderhouden en zonder enig modern comfort, in deze moeilijke economische tijden wellicht maanden, misschien wel jaren, te koop zou kunnen staan.

‘Oké,’ had de makelaar gezegd die hij had ingehuurd om het huis te verkopen. Komend van haar mooie, glanzende lippen had het woord bijna een zucht geleken. ‘We zullen zien wat we kunnen doen. Er zijn mensen die speciaal op zoek zijn naar uitgewoonde opknappertjes.’ Op het kantoor was ze een en al glimlach geweest. Ter plekke, toen hij haar het huis liet zien, was ze stug geworden, was haar glimlach bevroren tot een soort grimas, een blik van montere verdraagzaamheid. Ze had de obligate geluidjes van ontsteltenis gemaakt. ‘Hm,’ had ze in de badkamer gemompeld. ‘O jee,’ had ze op zolder gezegd. ‘Zó,’ had ze in zijn vaders kamer geroepen. In de keuken had ze haar zelfbeheersing verloren. ‘Mijn god. Hoe heeft hij hier kunnen wonen?’

‘Ik weet het niet,’ had Michael gezegd. ‘We hadden weinig contact.’

‘Michael.’ Ze waren weer in de hal en ze liep achteruit naar de voordeur, een zorgvuldig gemanicuurde hand tegen haar voorhoofd. ‘Je moet die zooi echt een beetje opruimen. Zoals het nu is, kan ik geen bezichtigingen doen.’

Zooi. Interessante woordkeus. Zooi leek zo onschuldig: een berg papier op een bureau of een kast met nooit weggegooide afdankertjes, of oude rommel in de garage. Zooi was bijna grappig, iets wat je fluitend opruimde. Maar het woord had geen enkele betrekking op zijn vaders huis. Daar was het een grote, onoverzichtelijke klerenbende. In alle gangen overvolle dozen, stapels kranten, en tijdschriften in het toilet; Michaels oude kamer stond vol computeronderdelen en oude telefoons; op onverklaarbare wijze was het een laatste rustplaats geworden voor defecte elektronische apparaten. Er was ook een kast in huis waarin ooit de kattenbak had gestaan. De kat was al lang dood, maar de stank van zijn urine en uitwerpselen was niet verdwenen. Het opendoen van de kastdeur was een aanslag op je reukorgaan, je sloeg er bijna van achterover.

In elke kamer stonden kasten boordevol boeken, en als je een boek pakte, vloog er een cartooneske stofwolk op. De keuken was het donkerste deel van het huis; er hing een ondraaglijke stank van bederf en het gezoem van de vliegen was er zo zenuwslopend dat hij er nog geen stap over de drempel had gezet. En dat was alleen nog maar de benedenverdieping.

Bij de buren bewoog iets, wat Michaels aandacht trok. Hij zag mevrouw Miller op haar veranda staan, met de armen over elkaar. Het was donker, maar hij wist dat ze in zijn richting stond te kijken en zich afvroeg wat hij daar deed, en ook hoe het zat met het bord dat de makelaar vandaag in de tuin had gezet. Hij had gedacht dat het hem zou opluchten, maar nog steeds had hij dat nare, holle gevoel, die verschrikkelijke leegte die binnen in hem zat sinds zijn moeder weg was. Het begon net onder zijn navel en breidde zich uit als een rode wijnvlek op een wit tafelkleed.

‘Waar is mama?’ Het leek een eeuwigheid geleden dat hij die vraag voor het eerst had gesteld, de vraag die hij zich sedertdien in welke vorm dan ook elke dag had gesteld.

Mack, zijn vader, had in de keuken gestaan; hij was roerei aan het maken in een bekraste gele pan op het fornuis. Het leek wel alsof hij verstijfde, zijn adem inhield toen Michael binnenkwam en op zijn vaste plek aan de keukentafel ging zitten. Michael kon zich elk detail van die ochtend in de keuken nog herinneren. Hoe de zon door het raam boven de gootsteen naar binnen viel; dat hij door dat raam de autobandschommel kon zien die er al jaren onaangeroerd bij hing. De stoelpoot die altijd bleef haken achter een losgelaten punt van een vinyl vloertegel. De schroeivlek van een sigaret die in het rood en wit geblokte tafelkleed zat. Hij rook de eieren nog, ze waren aangebakken. Zijn moeder zou de koffie die zijn vader had gezet, niet lekker vinden, veel te slap. Er zou wel weer ruzie van komen. Als je mijn koffie niet lekker vindt, dan zet je hem voortaan zelf maar.

‘Wat bedoel je met “waar is mama”?’

De stem van zijn vader klonk vreemd, gespannen en anders, en zijn schouders schokten licht. Hij had zich nog niet naar hem toe gekeerd. Michael keek naar de achterkant van zijn vaders hoofd, naar het donkerbruine haar waar grijs doorheen schemerde, het eeuwige geruite overhemd en de katoenen broek met de bruinleren schoenen. Wat heb je nu toch weer aan, Mack? De eeuwige vraag van zijn moeder was geen vraag, maar een schimpscheut.

Michael had die ochtend een knallende koppijn, niet te harden. Hij deed zijn uiterste best zich iets van de vorige avond te herinneren, maar het lukte hem niet. Hij zou de afgelopen nacht bij een vriendje gaan slapen, maar eenmaal daar wilde hij naar huis. Hij herinnerde zich dat hij op zijn fiets door de stille straten had gereden. Hij herinnerde zich dat hij zijn fiets op de oprit had gegooid, dat hij de veranda op was gelopen en zijn hand op de voordeurknop had gelegd. Meer kon hij zich niet herinneren. Hoe levendig die ochtend hem nog voor de geest stond, de avond ervoor leek, ook nu nog, zoveel jaar later, totaal gewist.

‘Waar is ze?’ vroeg hij nogmaals.

‘Ze is weg, jongen. Dat weet je toch?’ Zijn vader had zich omgedraaid en zag eruit alsof hij in één dag tien jaar ouder was geworden.

‘Waarheen dan?’

Ik haat je. Ik haat dit huis. Ik haat dit leven. Haar woorden kwamen terug, haar wanhopige geschreeuw werd nog weerkaatst door het plafond en de muren. Dat was het begin geweest van de gapende afgrond van wanhoop in zijn binnenste.

..

Een harde klop op het zijraampje van zijn auto bracht hem met een schok terug in het heden. Mevrouw Miller. Hij draaide het met tegenzin naar beneden.

‘Michael,’ zei ze. ‘Wat zit je hier te zitten?’

‘Sorry,’ zei hij. ‘Ik zit gewoon een beetje voor me uit te suffen. Lange dag gehad.’

‘Je hebt helemaal niet gezegd dat je het huis ging verkopen.’ Haar adem rook onfris. Het was moeilijk te zien in het donker, maar hij wist dat ze haar haren in een idiote oranje kleur had geverfd en dat haar gezicht een diep gegroefd masker van rimpels was.

Hij had altijd een hekel gehad aan mevrouw Miller. Ze was de archetypische gemene oude buurvrouw geweest die je ballen niet teruggaf, die zeurde, een vermanend vingertje opstak, je ouders opbelde. Zou ze nog een keer doodgaan? Of zou ze nog honderden jaren rond haar huis blijven hobbelen om generaties buurtkinderen dwars te zitten?

‘Zo is het toch, mevrouw Miller,’ zei hij. Hij probeerde altijd beleefd te blijven. ‘Het staat te koop.’

Ze snoof minachtend. ‘Nou, als je de boel niet opruimt, trek je alleen maar rapalje aan.’

Rapalje? Waren er mensen die dat woord nog gebruikten? Wat betekende het trouwens? Hij zag een verlopen gezin voor zich, blootsvoets, gekleed in lompen, hun bezittingen in vuilniszakken.

‘Er wordt aan gewerkt, mevrouw Miller.’

Mevrouw Miller keek naar het huis en hij volgde haar blik.

‘Voor hij ziek werd, onderhield hij het nog,’ zei ze. Het was een verholen beschuldiging. Maar Michael kende het type Claudia Miller, dus deed hij net alsof hij het onderliggende verwijt niet had gehoord. Ze wist niets van hem. En ze wist zeker niets van zijn vader. Niemand wist iets van hen.

Hij opende zijn portier en terwijl ze achteruitdeinsde zag hij haar ogen groot worden – vanwege zijn lengte, veronderstelde hij. Hij torende boven haar uit. Ze sloeg haar armen beschermend om zich heen. Hij zag hoe de versleten stof van haar duster om haar kleine, verschrompelde lichaam hing en wendde zijn blik af. Ze had iets weerzinwekkends, en dat lag niet alleen aan haar fysieke verschijning. Het onbehaaglijke gevoel dat hij vaker had als hij met iemand oog in oog stond stak de kop weer op en hij kreeg de aanvechting het huis in te vluchten en de deur op slot te doen. Maar hij bleef staan, en zij ook.

‘Mevrouw Miller, herinnert u zich mijn moeder nog?’ Hij moest de woorden eruit persen.

Ze keek hem verschrikt aan. Een bruine papieren zak danste lawaaierig door de straat, omhoog schietend en omlaag zwevend en weer omhoog op een volgende windvlaag. Verder was het stil in de buurt, zoals altijd. Geen schetterende muziek of blaffende honden. De mensen kwamen thuis en gingen naar hun werk en deden wat klusjes in het weekend. De dingen die hij zich uit zijn jeugd herinnerde, de buurtfeesten, groepen jongens en meisjes die op hun fiets rondreden en bij elkaar in de tuin speelden, dat was allemaal niet meer. Ieder huis was een cocon, iedereen richtte zich op zichzelf tegenwoordig.

‘Natuurlijk kan ik me haar herinneren.’ Wat hoorde hij in haar stem? Minachting? Veroordeling? Die vrouw die haar gezin in de steek liet, die sloerie? En of ik me haar herinner.

‘Kunt u zich iets herinneren van de avond dat ze verdween?’

Claudia keek naar haar voeten en begon achteruit te schuifelen. ‘Het is lang geleden.’

Maar Claudia herinnerde zich het nog goed. Iedereen herinnerde zich Marla Holt. Iedere zoon vindt zijn moeder mooi. Maar Marla Holt was echt opvallend mooi geweest. Met haar kastanjebruine haar dat als een rivier om haar schouders golfde, haar donkere ogen en haar zandloperfiguur trok ze ieders aandacht als ze ergens binnenkwam. Mannen staar-den en glimlachten, vrouwen bestudeerden hun nagels. Ze was niet su-perslank, ze was geen glamour girl. Haar gezicht was niet volmaakt. Haar schoonheid was iets wat van binnenuit opwelde, een soort stralende warmte. Zelfs op de kiekjes die Michael van haar had, kon je het zien. De contrasten in haar gezicht, haar zwarte wenkbrauwen en haar rode lippen tegen haar bleke huid maakten haar fotogeniek. Ze klaagde continu over haar te dikke achterwerk en de voortdurende onderhoudswerkzaamheden aan haar lijf: epileren, waxen, hydrateren en sporten. Hij reed altijd op zijn fiets achter haar aan als ze haar rondjes door de buurt liep.

‘Ik ben gemaakt om in weelde te baden, niet in zweet,’ hijgde ze dan.

‘Kom op, mam, nog één kilometer. Je kunt het.’

Als jongen was hij uiteraard ook gek op zijn vader. Maar zijn moeder was alles voor hem.

‘U hebt tegen de politie gezegd dat u haar weg hebt zien gaan,’ drong hij aan. ‘Dat ze in een zwarte personenwagen stapte die voor het huis geparkeerd stond; dat iemand haar stond op te wachten en dat ze samen wegreden. U hebt gezegd dat ze een koffer bij zich had.’

Ze stond stil en knikte kort. ‘Als ik dat aan de politie heb verteld, dan is dat wat ik heb gezien.’ Hij zag dat haar rechterhand trilde.

‘Kunt u zich nog iets anders herinneren?’

‘Ze hadden altijd ruzie,’ zei ze. ‘Er klonk altijd geschreeuw uit dat huis. Ik werd er gek van.’

Het was waar. Hij was altijd diep onder de dekens gekropen, wachtend tot zijn moeder huilend de trap op kwam en de deur van de slaapkamer achter zich dichttrok. Dat was de bel voor de laatste ronde; het gevecht was voorbij en weer had ze verloren. Zijn vader kwam haar nooit achterna. Michael hoorde hen nooit zachtjes praten om het bij te leggen. Als ze het goedmaakten, deden ze het in stilte.

‘Hebt u gezien wie er achter het stuur zat?’

‘Het is zo lang geleden, Michael,’ zei ze. Triest schudde ze haar hoofd. ‘Ik ben een oude vrouw. Dat onthoud ik toch niet allemaal?’

Maar ze wist het nog, hij zag het. Ze wilde hem niet meer aankijken en schuifelde van hem af naar de veiligheid van haar huis. Uiteindelijk draaide ze zich om en liep ze snel langs de heg die hun tuinen scheidde. Vanachter de heg riep ze nog: ‘Als je het maar niet aan onverkwikkelijke types verkoopt. Denk aan de buurt.’

Eigenlijk zou hij achter haar aan moest gaan om te proberen meer uit haar los te krijgen. Maar dat liet hij aan Ray Muldune over, want de privédetective was niet goedkoop. En Michael had voldoende sociale contacten gehad voor een dag; eerst dat meisje in het bos en daarna haar moeder. Hij had dat lege en uitgeputte gevoel waar hij altijd last van had als hij te lang bovengronds was geweest.

Ondergronds voelde Michael zich een stuk gelukkiger. De door de zon verlichte wereld hierboven, daar waar het gewone leven werd geleefd, die was pas eng; dat was de plek van monsters en nachtmerries. De moderne wereld en de mensen die hem bevolkten, gaven hem een onbehaaglijk gevoel. De mensen die hij kende, vrienden en kennissen – als je ze al zo kon noemen – leken gemotiveerd door zaken die hij niet begreep. Ze zeiden één ding, maar leken iets anders te denken, en hun glimlach bleef beperkt tot hun mond. De mensen die hij niet kende, degenen die hij observeerde, waren verslaafd aan wat hij ‘druk doen’ noemde: iets doen, maar met je hoofd ergens anders zijn: boodschappen doen en in je mobieltje praten, autorijden en tegelijkertijd sms’en. Multitasking noemden ze dat. Sinds wanneer mocht je je op de borst slaan als je het drukker dan druk had, als je te veel te doen had?

De wereld had angstaanjagend veel haast, hij had het nooit kunnen bijbenen. Michael voelde zich vaak verward en hij had het vage gevoel dat er iets heel erg mis was met hem. Hij wilde de tijd nemen om naar de lucht en de bomen te kijken, hij wilde praten met de mensen die hij kende of tegenkwam. Maar iedereen leek zich langs hem heen te spoeden, om hem heen te bewegen. Hij was een obstakel op de meerbaansweg van het bestaan. En dat was op goede dagen. Op slechte dagen had hij het gevoel dat er elk moment een onbekende kon gaan wijzen en schreeuwen om hem als ongewenst persoon te brandmerken. Soms was hij zo zenuwachtig dat het zweet hem uitbrak, zelfs in de meest alledaagse situaties: in de rij bij de kassa in de supermarkt of in de file voor het loket op de tolweg.

Onder de grond lag een andere wereld. In de druppende duisternis van de mijnen was het eenzaam en stil. Daar voelde hij zich losser en kreeg hij lucht, kon hij meer zichzelf zijn. In die levende duisternis kwamen al zijn zintuigen tot leven.

Hij hoorde Claudia de deur dichtdoen en richtte zijn aandacht weer op het huis van zijn vader. Even nog overwoog hij het hotel, maar toen liep hij het gebarsten, overwoekerde pad op. Hij bleef even op de stoep staan en nam de roestige brievenbus en de flikkerende buitenlamp in zich op. Daarna ging hij naar binnen, bukkend, want dat deed hij altijd als hij door een deuropening liep, hoewel hij met zijn ruim één meter negentig niet eens extreem lang was. Hij had zijn hoofd echter al zo vaak gestoten aan kozijnen waar anderen met gemak onderdoor liepen, dat het een gewoonte was geworden om zijn hoofd in te trekken of voorover te buigen.

Hij liet de deur achter zich dichtvallen. Nog steeds hoorde hij haar stem: haar enthousiaste, maar valse gezang, haar ik-probeer-streng-te-zijn-toontje, haar honingzoete lach. Nog tot lang na haar verdwijning had hij haar gehoord als hij van school kwam.

Ben jij dat, lieverd? Wil je iets eten?

Het geluid van die stem had hem pijn gedaan. Haar geest had in het huis rondgewaard en daardoor was het een spookhuis geworden: met echo’s en herinneringen, ingekapselde energie die resoneerde op muren en kraakte in de vloerplanken. Hij had er niet tegen gekund. Om die reden had hij huis en haard verlaten, had hij zijn vader aan zijn lot overgelaten, oud en ziek laten worden en laten wegrotten, net als het afval op de vuilnisbelt die zijn vader van hun huis had gemaakt.

Langs beide wanden van de gang lagen de kranten tot aan het plafond opgestapeld, wat de doorgang meer dan een halve meter smaller maakte. Om de enige bewoonbare kamer in het huis te bereiken moest Michael zijn buik inhouden en zijwaarts door de gang manoeuvreren om de krantenmuur niet uit balans te brengen

De woonkamer was nog net zoals in zijn herinnering: haar televisietoestel, haar boekenkast, de koffietafel die ze van haar moeder had geërfd en zelf geschilderde en ingelijste landschapjes aan de muur. In tegenstelling tot de rest van het huis was deze kamer schoon. De sofa en de tweezitter waren vlekvrij, het oudroze tapijt was nog fris en helder. Zelfs op de boeken lag geen stof. De verpleegkundige van de thuiszorg had Michael verteld dat zijn vader elke avond de slaapbank had opgemaakt en ’s morgens weer had opgeruimd, tot hij er te zwak voor was geworden. Hun trouwfoto (zelfs toen al leken ze stijf en ongelukkig) stond op een laag tafeltje, onder haar geliefde lamp, porselein, met blauwe en witte bloemen erop geschilderd. Toen hij uit het ziekenhuis kwam, waar zijn vader lag, had deze oase in de chaos, dit oog van de storm, hem overrompeld. Michael had gedacht dat de oude man haar vergeten zou zijn, of zou hebben geprobeerd haar te vergeten, maar de kamer lag er nog net zo bij als ze hem had achtergelaten.

Hij ging op de chintz bank zitten en probeerde de zieke oudemannenlucht te negeren. Die hing er nog steeds, ondanks alle andere rivaliserende geuren. Het was een mengeling van medicijnen, natte washandjes, ontsmettingsmiddel en nog iets, iets wat van binnenuit aan het rotten was. Maar misschien was dat verbeelding.

Hij moest aan Bethany Graves denken. Hij vond dat ze een soort kalme energie uitstraalde, een beetje zoals hij. Ze was voorzichtig; ze luisterde en wachtte even voor ze antwoord gaf, alsof ze alles wat hij zei, en wellicht wat hij niet zei, eerst verwerkte.

‘Wat bedoel je?’ had ze gevraagd toen hij had gezegd dat hij een lijk aan het opgraven was geweest. Hij had eerder nieuwsgierigheid dan behoedzaamheid in haar ogen zien schitteren.

‘Dat is mijn werk,’ had hij haar verteld. ‘Ik graaf het verleden op. Ik ben speleoloog. The Hollows was oorspronkelijk een mijnwerkersnederzetting. Overal liggen gangen en schachten, waaronder ook proefschachten.’

‘Wat zijn dat?’

‘Dat zijn schachten die om de een of andere reden zijn verlaten. Als je er een vindt, is het alsof je een graf opent. Alsof je terugreist in de tijd.’

‘Ik heb erover gehoord,’ zei ze. ‘Over de mijnen hier in de buurt. IJzererts, toch?’

Ze leek geïnteresseerd. Maar hij was niet goed in het doorgronden van gevoelens. ‘Magnetiet en wat hematiet,’ zei hij. ‘Dit stadje heeft een behoorlijk rijke geschiedenis. En aan de ader waarnaar ik op zoek ben, is een verhaal verbonden. Over twee broers, die allebei hoopten hem te vinden en rijk te worden. Een van hen had succes. De ander is verdwenen.’

Wat Michael haar verteld had was waar. Hij wilde echt de verlaten schacht vinden waarvan werd beweerd dat er misschien een lichaam in begraven lag. Hij had het verhaal van Mack gehoord, die er mogelijk op gestuit was bij zijn research. Michael had er nooit iets over kunnen vinden in het handjevol publicaties over de ijzerertsindustrie en de regio. Volgens de berekeningen van zijn vader bevond de schacht zich ergens waar Michael vandaag aan het graven was geweest. Hij wist dat zijn vader erover had geschreven in een van zijn artikelen, maar Michael had het stuk niet kunnen vinden in de berg papieren in zijn vaders werkkamer.

Zijn vader, professor in de geologie, had zich bijzonder geïnteresseerd voor de plaatselijke mijnen en hun geschiedenis. Hij had het mijnverleden willen documenteren door oude kompels die nog in The Hollows woonden, te interviewen, talloze foto’s te maken en alle oude documenten te verzamelen die hij had kunnen vinden. Hij had bijdragen geleverd aan geschiedenisperiodieken en tijdschriften, en hij had er ooit een boek over willen schrijven. Maar het was niet bepaald een sexy onderwerp. Hij had er nooit een uitgever voor kunnen vinden en zelfs de belangstelling voor zijn artikelen was in de loop van de tijd gaan tanen. Maar hij was blijven schrijven.

Michael wist zeker dat hij die artikelen – die hij altijd met graagte had gelezen – zou kunnen vinden als hij zich door de stapels reclamefolders en circulaires en catalogi en rekeningen, rekeningen en nog eens rekeningen heen zou ploegen. Ze vormden letterlijk een muur rond het bureau, maar ze moesten daar ergens liggen, want zijn vader had nooit iets weggegooid, zoveel was wel duidelijk.

Natuurlijk moest hij ook de nalatenschap van zijn vader afhandelen. Hij had een afspraak geregeld met de notaris, Hank Barrow, een oude vriend van zijn vader. Hun laatste telefoongesprek was niet aangenaam geweest.

‘Je vader was een goed mens, Michael,’ had Hank gezegd. ‘Maar met geldzaken was hij een ramp. Beschouw mijn werk als een vriendendienst. Alleen, als de ziekenhuiskosten zijn betaald weet ik niet of er veel overblijft voor jou en je zus.’

Toch was dat het niet wat hem in The Hollows hield. Hij was al veel langer in meer of mindere mate in die schacht geïnteresseerd. En de nalatenschap van zijn vader kon op afstand geregeld worden. Maar nadat hij van zijn zus had gehoord dat zijn vader ziek was en niet lang meer te leven had, en dat zij vanwege haar twee kinderen niet naar hem toe kon (wilde) gaan om hem bij te staan, had iets sterks hem teruggedreven.

Zowel Michael als zijn zus hadden zich van Mack afgekeerd, om uiteenlopende redenen. Michael was niet teruggekeerd omdat hij iets goed te maken had of om rust te vinden. Hij wilde antwoorden krijgen op vragen met betrekking tot de verdwijning van zijn moeder, vragen die hij nooit eerder had durven stellen.

‘Wat is er met haar gebeurd, pa?’ had hij gevraagd in de ziekenhuiskamer waar zijn vader op sterven lag.

Mack had hem aangekeken alsof hij de mist in tuurde. De ziekenhuiskamer was donker geweest, op het licht na dat uit de gang naar binnen viel. De man in het andere bed lag te snurken. Zijn vader werd palliatief behandeld, alleen zijn pijn werd bestreden. Er was geen behandeling voor een lichaam waar de kanker in voortwoekerde.

‘Dat weet je,’ zei hij. ‘Dat weet je.’

‘Nee, dat weet ik niet,’ zei Michael. ‘Ze is die avond weggegaan en we hebben sindsdien nooit meer iets van haar vernomen. Geen telefoontje. Geen kaart. Ik ben al jaren naar haar op zoek, pa. Ze is niet weggelopen. Ze is nooit van je gescheiden en heeft haar naam nooit veranderd. Ze is nooit gaan werken. Cara heeft haar ook gezocht. We hebben mensen in de arm genomen om haar op te sporen.’

Hij keek zijn vader in de ogen, maar was er niet zeker van dat de oude man hem zag. Zijn blik was vaag en waterig.

‘Misschien hield ze niet meer van je,’ zei Michael. ‘Misschien wilde ze bij je weg. Maar ze hield wel van ons, van Cara en mij. Van ons hield ze wel.’

‘Van ons hield ze wel,’ zei zijn vader. Maar het was niet meer dan een echo, een betekenisloze herhaling van Michaels woorden.

Michael wist niet meer hoe lang hij daar had gezeten, bij zijn vader met zijn ingevallen, verschrompelde gezicht. Hoe lang had hij naar zijn reutelende ademhaling zitten luisteren? Michael was weggedoezeld, had de nachtzuster even zien binnenkomen, die hem een meewarige glimlach had toegeworpen. Ze had hem vast een plichtsgetrouwe zoon gevonden zoals hij daar aan het sterfbed van zijn vader had gezeten.

Dat was hij echter niet. Hij was een grafschenner, die wachtte tot hij zeker wist dat de nachtwaker niet meer terugkwam. Dan, en alleen dan, kon hij met zijn vingers in de aarde wroeten en de waarheid opdelven.