3
Waar was ze? Mijn god, hield het dan nooit op?
Ze had de vaste telefoon over horen gaan, maar niet opgenomen, vastbesloten haar werk niet te laten onderbreken door de duizend dingen die elke dag leken samen te zweren om haar af te leiden. Toen begon haar mobieltje te piepen; zuchtend stond ze op van haar bureau en liep naar de plek waar ze het had neergelegd nadat Willow had gebeld. hollows high school, zei de display. Met een duister vermoeden nam ze op.
‘Mevrouw Graves, met Henry Ivy van Hollow’s High.’
Ze had hem ontmoet toen ze Willow kwam inschrijven. Hij was het onlangs aangestelde schoolhoofd en was op een lieve, oenige manier aantrekkelijk. Een aardige man.
‘Is er iets?’ Ze voelde hoe de ongerustheid zich van haar meester maakte.
‘Nou,’ zei hij. Hij schraapte zijn keel. ‘Willow is van school weggelopen. Ze is niet komen opdagen bij tekenen en iemand heeft haar ongeveer twintig minuten geleden het terrein af zien lopen.’
Ze wist niet of ze angstig of boos moest zijn.
‘Ze is gezien, maar er is niemand achter haar aan gegaan om haar tegen te houden?’ vroeg ze. Ze hoorde dat haar stem een schrille, verontwaardigde toon had. Ze was niet zo’n ouder die anderen de schuld gaf van de fouten en het wangedrag van haar kind. Maar iemand moest er toch voor waken dat die jongelui niet zomaar midden op de dag de school uit wandelden?
‘Een van onze leerlingen heeft haar gezien en dat bij mij gemeld,’ zei hij.
Bethany merkte dat dat haar wrevelig maakte. Klikspaan, dacht ze, terwijl ze haar achterhoofd masseerde. Ze haalde diep adem om haar paniek te onderdrukken en reikte naar een foto van de kleine Willow, die met een brede glimlach en vastberaden blik over een stoepkrijttekening in Central Park holde. Wat was het makkelijk geweest toen, hand in hand, nooit meer dan een paar passen van elkaar af, alleen maar zorgen over valpartijen en builen op haar hoofd. Inmiddels was Willow zelfstandig, opereerde ze op eigen houtje en maakte ze er een potje van.
Bethany liet zich op haar bed zakken en keek door het raam naar de bomen rondom het huis. ‘Was ze alleen?’
Als ze met Jolie Hayes zou zijn, de enige vriendin die haar dochter had, kon je er donder op zeggen dat het foute boel was. Bethany zag al voor zich hoe ze samen het bos in gingen om te drinken of te roken of wist zij veel wat tienermeisjes deden als ze zich onbespied waanden.
‘Voor zover ik weet was ze alleen, ja,’ zei meneer Ivy.
Ze probeerde te bedenken wat ze moest zeggen. Altijd maar weer moest ze iets bedenken om te zeggen als de school belde.
‘Ik zal haar gaan zoeken.’ Voor de zoveelste keer, dacht ze, maar ze zei het niet. Het was niet de eerste keer dat ze achter Willow aan moest.
‘U moet echt met haar langskomen om te praten, mevrouw Graves. En we moeten strafmaatregelen nemen.’ Hij klonk zacht en verontschuldigend. Niet bot en veroordelend. Hij had net zo goed kunnen zeggen: U bent een verschrikkelijke moeder, mevrouw Graves. En daarom bezorgt Willow ons allemaal zoveel problemen. Want dat was wat ze hoorde, dat was hoe ze zich voelde.
‘Natuurlijk,’ zei ze. ‘We komen morgen bij u langs.’
Voor ze de telefoon had neergelegd, had ze haar tas al en liep ze naar de buitendeur. Achter het stuur van hun nieuwe suv kreeg ze zichzelf onder controle en verdween het paniekerige gevoel dat ouders hebben die niet weten waar hun kind uithangt.
Bethany had een Land Cruiser gekocht omdat ze dacht dat ze, met die lange, onverharde weg naar hun huis, in de wintermaanden niet zonder vierwielaandrijving zouden kunnen. En omdat ze een dikke huls van metaal om zich heen wilde hebben, aangezien ze al dertien jaar niet meer had gereden.
Natuurlijk had het gedoe gegeven met Willow, want alles met Willow gaf gedoe.
‘En het milieu dan, mam? Je ecologische voetafdruk? Hallo-o!’
‘Dood heeft het milieu helemaal niets aan ons. In een Smart word je als een kever geplet.’
‘Jij maakt ook overal een drama van. Je kunt toch rijden?’
‘Genoeg, Willow.’
Terwijl ze de route naar school reed, belde Bethany twee keer het nummer van Willows mobieltje, maar ze kreeg geen reactie. Op de smalle, bochtige weg naar school en vervolgens weer terug naar huis namen haar onrust, angst en boosheid met de kilometer toe.
Waar zou Willow zitten? Je kon nergens heen in dit stadje. Willow wist dat als geen ander. Bethany had gevonden dat dit was wat ze nodig hadden na alles wat ze hadden meegemaakt – een rustige, vredige thuisbasis. Maar misschien was het wat Bethany nodig had. Of dacht nodig te hebben. Of misschien was de beslissing om van Manhattan naar The Hollows te verhuizen niet zo goed doordacht, iets waarvan Willow haar al snel had beschuldigd.
Ze was er vast van overtuigd Willow thuis aan treffen, onderuitgezakt op de bank voor een tetterende tv, haar hand in een zak chips. Maar nee, het grote oude huis was leeg. De ruimte waarin ze stond, leek uit te dijen van haar ongerustheid. Ze luisterde naar de stilte; geen sirenegeloei, geen getoeter van claxons, geen gedruis van verkeer, elektriciteit, liften in liftschachten, metrotunnels onder haar voeten.
Ze klom de krakende trap op, die met een zwierige draai van de muur naar de overloop afboog.
‘Willow!’ riep ze, tevergeefs.
Ze liep de lange gang door en keek de talloze kale kamers in, nog vol met verhuisdozen waaraan ze nog niet was toegekomen. Ze had over deze kamers gefantaseerd; de ene zou ze inrichten als fitnessruimte, de andere werd een bibliotheek. Het souterrain moest opgeknapt worden en omgetoverd in een mediaruimte. Maar die plannen, zo spannend toen ze nog aan het inpakken was in haar appartement in New York, leken nu te hoog gegrepen en onbereikbaar, of, beter nog, dwaas en naïef. Elk project op zich zou maanden duren en duizenden dollars kosten.
‘Iedereen vindt het o zo romantisch om naar het platteland te verhuizen. Die stilte en die eenzaamheid. En dan...’ Ongevraagd commentaar van haar vriend en agent Philip May.
‘En dan wat?’
‘En dan ben je op het platteland en mijn god... Wat een stilte! Wat een eenzaamheid!’
Ze duwde de deur van haar dochters reusachtige slaapkamer open en was verbaasd over de hoeveelheid rommel en zooi die zich er had opgehoopt in de korte tijd dat ze hier woonden. Willows kast zat zo vol kleren dat de deur niet meer dicht kon. De laden stonden open, uitpuilend van t-shirts, panty’s, sokken en ondergoed. Er lagen stapels en stapels boeken, bergen dvd’s en er stond een gigantische televisie. Willows bureaublad, gedomineerd door een computerscherm, ging volledig schuil onder hopen papier, tijdschriften, foto’s en schetsboeken. Ze hadden toch echt alleen haar oude rommel uit de veel kleinere kamer in Manhattan verhuisd. Blijkbaar had die zich aangepast aan de nieuwe kamer.
Ze ging op Willows bed zitten en moest zich inhouden om niet te gaan snuffelen. Ineens zag ze van alles voor zich: Willow in de trein naar New York, of in het bos, een joint rokend met Jolie of, erger nog, met een vreemde jongen. Bethany zag haar dochter rollebollen in de bladeren met een of andere knul met piercings en tatoeages. Haar fantasie ging nog verder: Willow, boos en kwetsbaar, die in het busje van een vreemde vent stapte. Bethany zag zijn handen, groot en sterk op het stuurwiel. Hij vroeg aan haar kleine meid waar ze heen ging. Bethany had geen idee wat Willow zou zeggen. Niet dat dat er iets toe deed. De chauffeur van het denkbeeldige busje was niet geïnteresseerd in waar Willow naartoe wilde, alleen in waar hij haar mee naartoe wilde nemen. In haar volgende fantasie viel Willow in een van de mijnschachten waarover ze veel had gehoord. Ze zag haar dochter lopen, opstandig en ellendig, keiharde muziek op haar iPod, en plotseling zakte de grond onder haar voeten weg. Willow was alleen, in het donker. Gewond, huilend. Bethany kon het hele verhaal uitschrijven, de zoektocht, de hotline, de persconferentie vol tranen. Ze voelde de wanhoop, het verdriet. Ze schoot door de zeven stadia van rouwverwerking.
De rijke en levendige verbeeldingskracht die haar zo goed van pas kwam bij het schrijven, kon in het echte leven een kwelling zijn, als ze zich door haar gedachten liet meeslepen. Maar dat liet ze nu niet gebeuren. Het lukte haar altijd weer met beide benen op de grond te blijven staan, vooral voor Willow. Ze kon het zich niet veroorloven hysterisch te worden. Ze ademde heel langzaam uit om wat tot rust te komen.
Ze liep door de rest van het huis, klom zelfs naar de zolder, die groot was en voorzien van veel dakramen. Ze was van plan hem ooit op te knappen en er haar werkkamer van te maken. Maar die gedachte was ver weg toen ze weer naar de begane grond afdaalde en door de schuifdeuren de veranda op stapte, vanwaar ze over de boomtoppen tot aan de bergen kon kijken. Het was echt haar droomhuis. Maar ze had het in de slechtste periode van haar leven gekocht, bijna als een soort troostprijs. En de mogelijkheden van het huis hadden haar ook getroost, alleen was het meer werk dan ze had gedacht. Het leek wel een huwelijk. Of het leven.
Ze liep net terug naar de keuken, toen ze de voordeur en de zware voetstappen van Willow in de gang hoorde. Zo’n tenger meisje, met benen rank als riet, een smal bovenlijf en ballerina-armen, en evengoed stampte ze als een olifant door het huis, dreunde ze de trappen af en liep ze rond te stommelen in haar kamer.
Bethany wist dat ze boos, woest, zou moeten zijn. Dat ze zou moeten razen en tieren. Maar ze had knikkende knieën van opluchting. Ze zette de telefoon terug in de oplader en legde haar hoofd even op haar armen op de keukenbar om kracht te verzamelen voor de slag die komen ging. Toen ze opkeek, stond haar dochter in de deuropening. Haar haren zaten verwilderd, haar gezicht was rood aangelopen.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Bethany. ‘Waar zat je?’
Ze wilde op haar dochter af rennen, haar in de armen nemen en tegen zich aan drukken, maar ze wist zich in te houden. Ze moest op zijn minst doen alsof ze boos was, en niet alleen bezorgd en verdrietig met het gevoel volledig als ouder gefaald te hebben. Willow liet haar tas met een klap op de vloer vallen, trok een stoel onder de tafel vandaan en plofte erop neer.
‘Die school...’ begon ze.
‘Nee, Willow.’ Met haar hand maande ze haar dochter tot zwijgen en ze was blij dat ze zich echt boos voelde worden. ‘Je hoeft niet aan te komen met een verhaal over hoe en waarom je van die verschrikkelijke school bent weggelopen. Ik wil het niet horen. Je mag niet zomaar weggaan, zonder toestemming. Nooit. Om geen enkele reden.’
‘Maar, mam...’
‘Hier is geen enkel excuus voor.’
Dat was niet krachtig genoeg, haar woorden klonken haar loos en slap in de oren. Eigenlijk zou ze haar dochter huisarrest moeten geven, maar ze had al zoveel moeite om hier vrienden te maken; bovendien ging ze sowieso al nergens heen. Bethany bracht haar hand naar haar voorhoofd en probeerde iets te bedenken dat effect zou hebben. ‘Een week lang geen internet,’ zei ze uiteindelijk. ‘En je mobieltje inleveren.’
‘Maar...’
‘Nee. Ik heb je gezegd dat ik je telefoon zou innemen als je niet opnam als ik belde.’
Willow hing in haar stoel en pufte enkele pieken haar weg die in haar ogen hingen. ‘Ik heb het verloren. Mijn mobieltje. Ik heb het ergens laten vallen.’
Bethany keek naar haar dochter die de gescheurde knieën van haar netpanty bestudeerde. Bethany zag dat haar knieën ontveld waren en dat haar blouse was gescheurd. Haar woede werd verdreven door bezorgdheid. ‘Wat is er gebeurd? Vertel eens.’
Willow rolde met haar ogen. ‘Ik ben door het bos naar huis gelopen.’
‘Jezus, Willow!’
‘Ik werd bang en ben gaan hollen,’ zei ze. Het leek alsof Willow in tranen zou uitbarsten. Ze leek plotseling weer het peutertje van vroeger, gevallen, maar net nog niet aan het huilen. ‘Ik struikelde en toen viel mijn mobieltje uit mijn hand. Ik durfde niet meer terug te gaan om het op te rapen.’
‘O, Willow.’ Bethany wist niet of ze haar wel of niet moest geloven. Dat stemde haar droevig. Ze wist niet meer intuïtief of haar dochter loog of niet. Bethany snakte naar een glas wijn. Ze wierp een snelle blik op de klok, het was net na drieën. Ze zeiden dat je een alcoholprobleem had als je steeds keek of het nog geen vijf uur was. Dat geloofde ze niet zo. Er was altijd wel iemand die je een probleem wilde aanpraten.
‘Echt?’ zei Bethany. ‘Je hebt het dus verloren.’ Ze greep de telefoon en koos het nummer van Willow.
‘Niet doen!’
Bethany observeerde haar dochter en hield de telefoon een eind van haar hoofd, tegen de oorverdovende muziek die als ringtone fungeerde. In tegenstelling tot wat ze had vermoed, hoorde ze het mobieltje echter niet overgaan in haar dochters rugzak of in haar broekzak of zo. Ze liet haar eigen toestel bijna vallen toen een mannenstem opnam. Een onde-finieerbare angst schoot door haar heen.
‘Met wie spreek ik?’ vroeg ze.
‘Met wie spreek ik?’ vroeg de stem aan de andere kant. Zijn stem klonk aardig, bijna sussend. ‘Ik heb deze telefoon in het bos gevonden.’
Willow was bleek en keek haar met ogen zo groot als schoteltjes aan.
‘Zeg niet wie je bent,’ zei Willow. Ze was opgestaan en greep Bethany bij de arm. ‘Mam, ophangen!’
Bethany keek haar dochter waarschuwend aan en Willow liet haar met een verslagen blik los. Toen sloeg ze haar handen voor haar gezicht. ‘Mam, alsjeblieft.’
‘Met Bethany Graves. Kan ik het mobieltje komen ophalen? Excuses voor de overlast. Mijn dochter heeft het verloren.’
‘Natuurlijk,’ zei de stem. Hij klonk alsof hij het gesprek wel leuk vond, wat enigszins irritant was. ‘Ik kan ook bij u langskomen.’
‘Laten we ergens afspreken.’ Aardige stem of niet, de New Yorker in haar vond het beter haar adres niet aan een vreemde man te geven en hem naar hun afgelegen huis, omgeven door vele hectaren bos, te laten komen. Vredig, ver weg van alles. Ideaal voor een schrijfster. ‘Ja, en niemand hoort je gillen,’ had Philip opgemerkt toen hij het afgelopen weekend was komen eten. Dat zinnetje was haar bijgebleven.
‘The Hollows Brew, over een uur?’ zei hij.
‘Perfect. Heel erg bedankt.’ Ze beëindigde het gesprek.
Toen wendde ze zich tot Willow. ‘Wat mankeert jou, meidje?’
Ze voelde haar maag samenknijpen toen ze Willows gezicht zag. Zo was het altijd geweest, toen Willow klein was al: wat de een voelde, voelde de ander ook. Als Bethany wakker was geworden, of het nu ochtend was of midden in de nacht, had ze de kleine Willow – zo kort en tegelijk zo lang geleden – ook horen woelen. Als Bethany zenuwachtig, bezorgd of van streek was, was Willow ook chagrijnig. Dat was nog steeds zo. Willow hoefde zich maar bedroefd of gestrest of angstig voelen, of Bethany voelde het.
‘Wie was dat?’ vroeg Willow. Haar wangen waren bleek, haar ogen wijd opengesperd. ‘De man uit het bos?’
‘Heb je een mán in het bos gezien?’
‘Ik wilde het niet vertellen. Je zou me toch niet geloofd hebben.’
Bethany wilde geërgerd uitvallen, maar haar schuldgevoel weerhield haar ervan. Willow had waarschijnlijk gelijk. Bethany zou haar vast niet hebben geloofd.
‘Probeer het toch maar,’ zei Bethany.
Willow ratelde het hele verhaal eruit, over haar leraar, over hoe gekwetst en beschaamd ze was geweest toen ze hem in zijn kamer had opgezocht, over hoe ze van school was weggelopen en wat ze in het bos had gezien. Ze liep druk gebarend heen en weer. Bethany keek ontzet toe en luisterde naar de manier waarop ze het verhaal vertelde, de details naar voren bracht: de vochtige bladeren, de hemel door de takken van de bomen. Haar dochter was een geboren verteller. En dat was niet altijd een goede eigenschap, althans niet op haar leeftijd. Toen Willow haar verhaal gedaan had, liet ze zich met een dramatische plof op haar stoel vallen, alsof de gebeurtenissen en het vertellen haar hadden uitgeput.
‘Nu weet hij wie we zijn,’ zei Willow. ‘Stel dat hij een lijk of zoiets aan het begraven was.’
Bethany trok een stoel bij, streek het rossige haar uit haar dochters gezicht en pakte haar bij haar frêle schoudertjes. Die donkerbruine ogen kende ze al haar hele leven. Het bijbehorende meisje was gegroeid en veranderd, maar haar ogen leken zo tijdloos als de maan.
‘Willow. Kom op, zeg! Waar komt die ongebreidelde fantasie vandaan?’
Willow keek haar doordringend, ongelovig aan en toen begonnen ze allebei te lachen. Ze huilden van het lachen, ze kregen er pijn van in hun zij. Bethany bedacht hoeveel ze van haar wilde, opstandige kind hield. In bijna alles was ze mislukt en ze had veel verloren, maar dat deed er allemaal niet toe, want dit ene in haar leven was goed.