4
‘Hoe voel je je, Jones?’
Nutteloos, doelloos, gebroken, doc. Zeg maar gerust ellendig. Was dat waar? Nee, niet helemaal. Maar dat antwoord zou meer in het straatje van dr. Dahl passen, dacht Jones.
‘Goed, hoor,’ zei Jones. ‘Druk met van alles en nog wat.’
‘Waarmee precies?’ Dr. Dahl had iets ernstigs over zich. Zijn vragen gingen altijd gepaard met een hoopvol, onderzoekend optrekken van zijn gitzwarte wenkbrauwen.
Jones haalde zijn schouders op en nam een slok van de koffie die hij mee naar binnen had genomen. Hij had ook koffie voor dr. Dahl meegebracht, maar die had bedankt. ‘Ik drink geen koffie meer,’ had hij gezegd. ‘Maar evengoed aardig van je.’ Op de een of andere manier had Jones zijn weigering kleingeestig en arrogant gevonden, het had zijn sympathie voor de man geen goed gedaan. Jones had dr. Dahl eigenlijk van begin af aan al niet bijster gemogen.
‘Vooral met het huis,’ zei Jones. ‘Een oud huis als het onze behoeft heel wat onderhoud.’ Hij liet een stilte vallen, maar dr. Dahl zei niets. Jones voelde zich verplicht door te gaan. ‘Mijn buren doen de laatste tijd vaak een beroep op me. Ik houd een oogje op hun huis als ze weg zijn, haal de post uit de brievenbus en ik help wat oudere mensen met klussen in de tuin. Dat soort dingen.’ Waarom klonk het zo futloos?
Dr. Dahl keek nadenkend. Jones vond hem een beetje te mooi, met zijn meisjesachtige wimpers en een gave huid. Te goed verzorgd. Zijn nagels glansden zacht, alsof hij ze liet manicuren. Jones wist niet waarom hij er last van had dat de man aandacht aan zijn uiterlijk besteedde. Maar het was wel zo.
‘Je werkt nu al een jaar niet meer,’ zei dr. Dahl. De toon waarop hij het zei, suggereerde een vraag, maar Jones wist dat hij niets vroeg. Hij stelde iets vast.
‘Zoiets, ja.’ De behoefte zich te moeten verdedigen maakte de spanning in zijn schouders alleen maar erger. Maar hij ging er niet op door. Dr. Dahl leek te wachten tot Jones verderging. Toen dat niet gebeurde, zei hij: ‘Je bent nog betrekkelijk jong. Heb je erover nagedacht wat je volgende stap zou kunnen zijn? Zou je iets nieuws willen beginnen?’
Jones’ blik dwaalde door de kamer en bleef rusten op een primitief masker dat aan de wand hing. Het was hier het enige wat authentiek, wat persoonlijk was. Aan de goud- en crèmekleurige muren hingen verder de meest banale voorstellingen: een zeilboot bij zonsondergang en een stilleven met bloemen en een met fruit. Het masker was het enige waarvan Jones zeker wist dat het niet uit een of andere catalogus kwam. Hij merkte dat hij tijdens de sessies in de holle ogen staarde, of dat zijn blik zich vastzoog aan de snerende mond.
‘Ik heb er nog niet zo over nagedacht,’ zei Jones. De waarheid was dat hij er niet over wílde nadenken. Er niet over kón nadenken. Hij was politieman, dat was hij altijd geweest. Hij kon zich simpelweg niet voorstellen dat hij iets anders ging doen. Wat moest hij gaan doen? Op een of ander kantoor gaan werken, bij de watercooler hangen en dan zijn werkplek weer opzoeken? Wat kon hij eigenlijk met zijn kwalificaties? Maar dat zei hij allemaal niet.
‘Waar had je belangstelling voor vóór je bij de politie ging?’ vroeg dr. Dahl.
‘Voor ik bij de politie ging, was ik scholier. Ik ben rechtstreeks van college naar de academie gegaan. Ik liep mijn rondes voor ik 23 was.’
‘Er was dus niets waar je belangstelling voor had?’
‘Sport.’ Hij was zich bewust van het feit dat hij zijn armen voor zijn borst over elkaar geslagen had en zo gespannen was dat zijn schouders pijn begonnen te doen. Hij probeerde zich te ontspannen en liet zijn armen hangen. ‘Ik heb lacrosse gespeeld.’
Hij had voor meer zaken belangstelling gehad. Hij had altijd graag met zijn handen gewerkt, met hout. Hij had hoge cijfers gehaald voor handvaardigheid en had best naar het beroepsonderwijs kunnen gaan als hij geen belangstelling had gekregen voor de politie en had gehoord dat je daar betere vooruitzichten had met een ba. Zijn beslissing had natuurlijk te maken met zijn verlammende schuldgevoel, zijn verziekte verhouding met zijn moeder en zijn verlatingsangst. Allemaal zaken die in deze kamer tot hoofdpijn aan toe waren uitgemolken.
Hij kwam nu al bijna een jaar bij dr. Dahl, deels (vooral) omdat zijn vrouw erop aandrong, deels omdat hij echt worstelde met de gebeurtenissen die hem gedwongen hadden vervroegd te stoppen met het enige werk dat hij ooit had willen doen, en deels omdat hij wist dat er iets met hem aan de hand was wat hem geen goed deed. Maar had hij er wat aan? Voelde hij zich beter dan een jaar geleden? Hij zou het niet kunnen zeggen.
‘En verder?’ Jones vroeg zich af hoe lang dr. Dahl had zitten wachten.
‘Houtbewerking vond ik leuk. Ik was er best goed in.’
Dr. Dahl ging vol belangstelling overeind zitten en keek bijna opgelucht. Voor het eerst drong het tot Jones door dat hij misschien wel een lastige cliënt was.
‘Hij kan je niet helpen als je hem niet aardig vindt, Jones. Vertrouw hem en geef jezelf bloot,’ had Maggie gisteren nog tegen hem gezegd.
‘En als ik nou eens geen hulp nodig heb?’
Een meewarige glimlach, een hand op zijn arm. ‘En als je die wel nodig hebt?’
‘Aangezien je er nu de tijd en de ruimte voor hebt, zou je kunnen overwegen een cursus te gaan volgen,’ zei dr. Dahl. ‘Dat biedt misschien nieuwe kansen.’
‘Misschien,’ zei Jones.
Het idee een cursus te gaan volgen voelde niet goed. Hij zei iets in die richting en dr. Dahl hapte meteen.
‘Waaraan ligt dat?’ De arme man zat bijna op het puntje van zijn stoel.
Jones keek door het grote raam naar buiten, naar het parkeerterrein aan de rand van het bos. In het licht van de late namiddag kleurden de bomen in de vallei vurig oranje, goud, geel en bruin. De waarheid was dat hij zich niet wilde aansluiten bij een groep die iets wilde uitproberen, bij mensen die zoekende waren. Hij wilde niet opgezadeld zijn met mensen die hun vraag wilden laten beantwoorden door één persoon. Nu hij erover nadacht, therapie was net zoiets. Waar haal jij het recht vandaan mij iets bij te brengen, was een gedachte die vaak bij hem opkwam.
Maar hij kon niet de juiste woorden vinden om dat duidelijk te maken. Hij wist dat het boos en arrogant klonk. En dat was het misschien ook. Maar hij vond het een zwaktebod om zich op te geven voor een cursus en in een lokaal te gaan zitten met een groep zielenpoten van middelbare leeftijd die op drift waren geraakt. Want dat soort mensen was het, pensionado’s, lijders aan het lege-nestsyndroom, net gescheiden.
‘Het lijkt me tijdverspilling,’ zei hij.
Heel even zag hij iets oplichten in de ogen van dr. Dahl; teleurstelling, bezorgdheid, iets in die geest. Toen knikte hij kort. Dr. Dahl legde het notitieblok dat hij op schoot had op het tafeltje naast zich, leunde achter-over in zijn stoel en sloeg zijn benen over elkaar. Jones herkende de lichaamstaal van berusting en overgave. En daar was hij weer, de hoofdpijn vanuit zijn nek, omhoog klauwend over zijn hele schedel om uiteindelijk genadeloos op zijn ogen te gaan drukken.
‘Luister, Jones.’ Dr. Dahls stem was zacht en Jones merkte op, niet voor het eerst, hoe jong hij was. Misschien begin dertig. ‘Voor onze volgende sessie kun je misschien nadenken over de reden waarom je hier komt.’
‘Hoe bedoelt u?’ Maar Jones wist precies wat hij bedoelde, het voelde zelfs als een soort duistere overwinning, alsof hij een spel had gewonnen waarvan hij niet eens wist dat hij het had gespeeld.
Dr. Dahl wreef met zijn rechterduim en -wijsvinger in zijn ogen. ‘Ik bedoel dat je je volgens mij alleen maar verzet, dat je opzettelijk niet vooruit wilt kijken, dat je geen manier wilt vinden om met je trauma’s om te gaan, laat staan dat je ervan wilt leren om een betere toekomst te creëren.’
‘Ik zit hier toch?’
Dr. Dahl forceerde een lachje en hield zijn hoofd een beetje schuin. ‘Fysiek, ja, zit je hier steeds. En je hebt je duidelijk uitgelaten over alles wat er met je is gebeurd, je verhouding tot je moeder, je vader die je in de steek heeft gelaten, hoe je je werk bent kwijtgeraakt. En dat is fantastisch. Dat is vooruitgang. Maar nu, op het moment dat je een weg moet vinden naar de volgende fase in je leven, voelt het alsof je dichtklapt.’
Jones voelde dat zijn schouders zich ontspanden toen hij naar voren schoof, klaar om op te staan en weg te gaan. Het klonk alsof dokterlief op het punt stond het eind van de sessie aan te kondigen, een gedachte die hem opluchtte.
‘Ik weet niet wat ik hierop moet zeggen, doc. Ik doe echt mijn best.’ De leugen bleef tussen hen in hangen, kaatste terug van de muren. ‘Als u denkt dat u me niet kunt helpen...’ Hij maakte zijn zin niet af, zodat dr. Dahl de kans had hem af te maken en Jones uit de gevangenis te ontslaan, om iets te zeggen als: Misschien moet je een andere therapeut zoeken of Misschien moet je een poosje geen therapie meer volgen.
Maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan keek hij Jones even aan. Jones zag wat hij al wist, dat dr. Dahl een goed mens was, een vriendelijk en meelevend iemand die van zijn werk hield, net als Maggie. En Jones voelde zich een hufter, maar hij zei niets.
‘Ik verzoek je over één ding na te denken voor onze volgende sessie,’ zei dr. Dahl. ‘Het is niet mijn taak antwoorden op te hoesten, je te zeggen welk pad je moet inslaan of wat je moet doen. Ik hoor je te helpen die antwoorden in jezelf te vinden. Als je hier binnenstapt, wil ik niet dat je je aan mij overgeeft. Je moet je eigen kracht vinden, hier.’ Hij zweeg even en klopte op zijn borst. ‘En die gebruiken om je leven te maken tot iets wat je zelf wilt.’
Jones keek weg, verlegen door ’s mans gepassioneerdheid. Hij voelde zijn wangen gloeien en wilde niets liever dan weggaan en nooit meer terugkomen.
‘Goed,’ zei Jones. Hij wist dat zijn stem koud en professioneel klonk, bijna sarcastisch, vanwege het gebrek aan gevoel. ‘Ik zal erover nadenken.’
Even was het stil, terwijl Jones verlangend naar zijn jas keek die aan de kapstok bij de deur hing. Maar hij kon zichzelf er niet toe brengen op te staan.
‘Mooi,’ zei dr. Dahl. Maar zijn stem verried zijn teleurstelling. Jones keek hem niet meer aan, mompelde een groet, griste zijn jas van de haak en ging weg.
..
Een paar kilometer verderop was een Burger King, waar hij een berg eten bestelde: een Whopper met kaas, een grote Mountain Dew, uienringen, frietjes en een chocolademilkshake. De jongen die hem zijn zak overhandigde, had zwart gelakte nagels en een gezicht vol piercings, in neus, oren, wenkbrauwen en tong. Jones gooide zijn wisselgeld in het bekraste fooienbakje.
‘Hartstikke bedankt,’ zei het joch. Zijn vriendelijke glimlach en monterheid brachten Jones uit balans, alsof er op subtiele manier de spot met hem werd gedreven. Toen hij de weg weer op ging, vulde de auto zich met een vertrouwde zoutige, hartige geur, die hem deed watertanden. Hij voelde de spanning letterlijk van zich af glijden toen hij de burger uit zijn papiertje haalde en er een hap van nam. Gedachteloos, zonder het echt te proeven, werkte hij onder het rijden alles naar binnen en, zoals altijd na het eten van zo’n vette hap, raakte hij in no time in een fastfoodcoma. Tegen de tijd dat hij thuis was, voelde hij zich licht misselijk, maar verrukkelijk afgestompt.