15
Die dag, zo lang geleden, was begonnen als iedere andere dag. Daar verbaasde Eloise zich nog steeds over. In haar leven ervoor had niets erop geduid dat ze was voorbestemd om het leven te leiden dat ze nu leidde. Ze was een gewoon meisje geweest, geboren uit gewone ouders uit de arbeidersklasse. Ze was getrouwd met haar schoolvriendje, Alfred Montgomery. Ze was als receptioniste bij een vervoersbedrijf gaan werken, terwijl Alfred zijn diploma haalde bij het plaatselijke college. Haar baan had ze zonder morren opgegeven toen hun eerste dochter werd geboren.
Alfred doceerde wiskunde op de middelbare school; veel verdiende hij niet. Maar met hun levensstijl konden ze ervan rondkomen. Het was toen nog niet zoals in de tegenwoordige tijd, waarin mensen pas gelukkig kunnen zijn als ze het leven van een beroemdheid kunnen leven. Ze waren domweg gelukkig, en daar hadden ze genoeg aan. Ze vond het geen enkel probleem om thuis te zijn, bij de kinderen. Haar moeder had het gedaan en zij wilde niet anders. Waarom zou ze klokken, haar tijd verkopen aan een bedrijf en iemand anders voor haar dochters laten zorgen? Wat was er mis met maaltijden bereiden, poetsen, kleuren en abc-versjes opzeggen? Wat is er zo fantastisch aan carrière maken? Ze had het nooit begrepen. Het dilemma van de werkende moeder? Triest.
‘Alfie, heb je je lunch bij je?’
‘Ja, ja.’ Een vluchtige zwaai. Aan de frons in zijn voorhoofd kon ze zien dat hij in gedachten al bij de dag was die voor hem lag. De meisjes zaten al in de auto. Emily had haar koptelefoon op. Amanda zat met haar neus in een boek.
Dat was wat ze zich nog van die ochtend herinnerde. Woorden die bleven hangen in lucht die koel aanvoelde, maar al de belofte van een warm voorjaar in zich droeg. Ze wist nog hoe hij met een glimlach naar haar omkeek, gegeneerd omdat zijn woorden kortaf konden overkomen op iemand die hem niet zo goed kende als zij.
‘Dank je, schat,’ zei hij. ‘Ja, heb ik bij me.’
‘Dat klinkt beter.’
Alfie. ‘Al’ voor iedereen behalve voor Eloise en Ruth, haar schoonmoeder. Alleen zij noemden hem nog steeds Alfie, omdat zij hem hadden gekend als de verlegen, altijd vriendelijke jongen, een stuudje, die echter nooit door stoere sportbinken werd gepest omdat hij... Hij hád iets. Iets onverzettelijks achter dat stalen brilletje. In plaats daarvan vroegen ze of hij hen wilde helpen met hun algebra.
En zo had het moeten gaan, zij drietjes, haar man en twee dochters, op weg naar school. Maar.
‘O, nee. Ik heb de auto nodig,’ riep ze.
‘Wat?’ zei hij. ‘Waarom?’
‘Ik moet straks naar mijn afspraak. Verdorie. Geef me één minuutje.’
Ze hadden altijd maar één auto gehad. Het was maar een kwartiertje naar zijn werk. Als zij de auto nodig had, bracht zij hem naar zijn werk, de kinderen naar school, en haalde ze aan het eind van de dag iedereen weer op. Dat gebeurde een paar maal per week, als ze wilde winkelen of boodschappen doen. Of als ze naar de dokter moest.
‘Opschieten, Eloise. Ik moet nog huiswerk nakijken voor de les.’
Tien minuten die haar leven veranderden. Het was verleidelijk om te zeggen verwoestten, beëindigden, ruïneerden, zinloos maakten. Maar nee, zo was het niet. Het leven van Alfie eindigde, het leven van Emily eindigde. Haar aanbeden en aanbiddende echtgenoot. Haar mooie, slimme, spitsvondige, grappige, vriendelijke dochtertje dat altijd glimlachte, zelfs al was ze verdrietig. Eloise bleef achter met Amanda, haar ernstige, liefhebbende, in zichzelf gekeerde, ongelooflijk creatieve jongere dochter. Juist de twee van wie je het minst zou verwachten dat ze de veerkracht hadden hun leven weer op te pakken, moesten precies dat doen. Juist de twee die liever dood hadden gewild na dit verlies, moesten samen verder.
Want Eloise was een tobber en Alfie lachte altijd alles weg. Emily droeg het hart op de tong en sliep als een blok, terwijl Amanda zich in stilte zorgen maakte, in bed lag te woelen en op haar tenen naar de ouderslaapkamer sloop om naast haar vader te kruipen. De verkeerde twee waren achtergebleven om elkaar tot steun te zijn. Maar het was niet anders. Na het ongeluk werd de wereld langzaamaan grijs. Eloise wist niet hoe ze de hemel weer kleur kon geven, niet voor haarzelf, niet voor Amanda.
In de zes weken dat Eloise in coma lag, overleden haar man en haar dochter en werden ze zonder haar begraven. Amanda had de minste verwondingen en werd door Ruth, haar grootmoeder, opgevangen. Als Eloise aan die zes weken dacht, haatte ze zichzelf. Omdat ze daar had gelegen en Emily en Alfie had laten sterven zonder dat zij aan hun zijde was geweest. Omdat ze Amanda helemaal alleen had gelaten met haar verschrikkelijke angst en haar verpletterende verdriet. Het was een onvergeeflijke plichtsverzaking.
Een paar maanden later waren de visioenen gekomen. Amanda ging weer naar school, waar ze het goed deed, naar omstandigheden. Eloise poetste en paste op bij mensen uit de buurt, die haar werk hadden aangeboden. Aanvankelijk uit medelijden, daar was Eloise zich van bewust. Maar ze maakte naam; ze kon goed overweg met kinderen en ze was een uitstekende huishoudster. Ze konden de eindjes redelijk aan elkaar knopen met Alfies levensverzekering en pensioen, en het geld dat ze tot dan toe hadden kunnen sparen. Eloise zorgde ervoor altijd thuis te zijn als Amanda uit school kwam, dat het eten in de oven stond en dat de lichten in huis brandden. Het was het minste wat ze kon doen. Ze wist dat het bij lange na niet genoeg was.
Op een van die middagen stond ze op de schoolbus te wachten en werd ze voor het eerst getroffen. Zo voelde het, alsof ze een klap op haar hoofd kreeg. Een klap die haar van bandbreedte deed wisselen, van wat er om haar heen gebeurde naar iets wat elders was, een andere plek, een andere tijd, een andere persoon.
Moeizame ademhaling, paniek. Donker. Het echoënd geluid van water dat op een steen drupte. En toen een afschuwelijke, jammerende gil. Help! Help! Help me! Telkens weer, als een naald die bleef hangen in de groef van een plaat. Ze wist niet hoe lang het had geduurd.
Toen ze weer bij bewustzijn kwam, lag ze op de grond; Amanda boog zich over haar heen, bleek en buiten zichzelf van angst.
‘Mam,’ zei Amanda. Haar stem was nauwelijks hoorbaar. ‘Mam.’
Het kostte Eloise de grootste moeite overeind te komen en terug te keren in het hier en nu. Dit was wel het laatste wat Amanda kon gebruiken.
‘Niets aan de hand, lieverd. Ik heb tussen de middag niets gegeten. Ik moet zijn flauwgevallen.’ Eloise probeerde een glimlach met zelfspot, maar kon het visioen en de angst niet van zich afschudden. Wat was er in vredesnaam met haar gebeurd?
Amanda keek met grote ogen naar Eloise. Alfie zei altijd dat ze als twee druppels water op elkaar leken. Maar dat was niet waar. Amanda was veel mooier, slimmer en liever dan Eloise zichzelf ooit had kunnen wensen. In haar smalle, bleke gezicht, in haar onrustige ogen, stond hun leed en verdriet, hun verschrikkelijk grote verlies te lezen. En nog iets anders: een sluimerende boosheid, een groeiende woede. Amanda was nog te jong om te weten hoe hard en oneerlijk de wereld kon zijn; ze had te veel pijn geleden voor haar vijftien jaar. En iets binnen in haar, het kind van wie geëist werd dat ze te snel moest opgroeien, was razend.
‘Alles in orde, liefje van me. Kijk maar. Niets aan de hand.’
Buiten klonk wild geklingel van de windgongen. Ze hoorde het koeren van de treurduiven die onder de dakrand waren komen wonen. Ze trok Amanda tegen zich aan en hield haar stevig vast. Ze voelde dat haar dochter haar armen om haar middel sloeg en zich aan haar vastklampte.
Wat was er met haar gebeurd? De meeste mensen zouden aan hun geestelijke gezondheid gaan twijfelen, meteen denken aan een posttraumatische stressstoornis of een soort psychose. Dat had zij natuurlijk ook gedaan. (De sombere diagnoses en de pillen in alle kleuren van de regenboog kwamen daarna.) Maar eigenlijk had ze het toen al geweten. Ze wist dat ze niet gek geworden was. Er was haar net zoiets overkomen als Alice, die het konijnenhol in gleed en in een andere wereld belandde, een plaats waarvan ze het bestaan nooit had vermoed, tot ze er was.
Nu had ze internet, het alomtegenwoordige informatienetwerk dat het hele universum overspande. Als ze nu een visioen had, ging ze achter haar computer zitten en begon ze met het intypen van een paar sleutelwoorden, zoals vrouw vermist of meisje vermist. Als ze in haar visioen een bepaalde vogel hoorde kwetteren of een soort plant of blad zag, of een accent of andere taal hoorde, dan zette ze dat in. Het had jaren geduurd, tientallen jaren van lering en ervaring, om opmerkzaam te kunnen zijn gedurende die periodes. In het begin had het haar alleen maar geduizeld en was ze doodsbenauwd geworden van de emoties en verschrikkingen die binnenkwamen. Ze kon niet helder meer denken, het duurde uren voordat ze haar evenwicht had hervonden. Het enige wat ze toen kon doen was wachten op het nieuws van zes en elf uur, in de hoop dat wat ze gezien had het nationale nieuws had gehaald. Er was toen nog niet eens kabeltelevisie, er waren geen zenders die met één druk op de afstandsbediening het wereldnieuws dag en nacht in beeld brachten.
Die eerste avond kon ze het niet van zich afschudden. Nadat Amanda naar bed was gegaan, keek ze naar het nieuws. Ze kon niet zeggen waarom, maar ze wist dat ze het moest doen. En daar was het, een vermist meisje in Pennsylvania. Een groots opgezette zoekactie, een huilende moeder die iedereen die informatie had smeekte zich te melden. Ze zit in een put. Als je nu niet belt, is het te laat. Ze is uitgedroogd en koud tot op het bot. Ze haalt de nacht niet. Het was niet een stem, maar ook weer wel een stem. Het was een soort weten dat vanuit de ether haar bewustzijn binnen sijpelde. Het had een bepaald geluid, maar ook weer niet.
Ze pakte de telefoon en belde de hotline.
Een jonge vrouw nam op. ‘Hebt u informatie over Katie?’
‘Ik denk het.’
‘Wilt u uw naam geven?’
‘Nee.’ Ze zei het te snel. Ze wist dat ze overkwam als een zonderling of als iemand die iets te verbergen had. Misschien wel allebei.
‘Oké.’
‘Ik heb een visioen gehad.’ Eloise stond te beven als een rietje. Zelfs haar stem beefde mee. Het voelde meer als rillen, alsof ze diep vanbinnen huiverde van de kou. De adrenaline golfde door haar heen.
‘Een visioen.’ Het was de eerste keer dat ze dat toontje hoorde: ongeloof vermengd met ergernis en hoop. Ze zou het nog vele, vele malen nadien horen.
‘Katie zit in een put. Ze is erin gevallen. Ze heeft het koud en is uitgedroogd. Ze haalt de nacht niet. Het is niet ver van haar huis. Ik vraag u niet me te geloven. Ik vraag alleen maar het na te trekken.’
‘Oké.’
‘Ze draagt een spijkerbroek en sneakers.’ Eloise was zich daar niet van bewust geweest in haar visioen. Ze wist dan ook niet waarom ze het nu zei. ‘En een T-shirt met lange mouwen, groen met wit. Met het opschrift Daddy’s Girl.’ Ze wist niet eens hoe ze dit wist. Maar toen ze het zei, wist ze zeker dat het klopte.
Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Ze hoorde de gedempte stem van iemand die sprak met de hand op de hoorn.
‘Hallo?’ Ditmaal was het een mannenstem. ‘Met rechercheur Jameson. Kunt u herhalen wat u zojuist tegen de telefoniste hebt gezegd?’
Ze herhaalde de informatie.
‘U moet opschieten. Alstublieft,’ zei ze toen ze klaar was. Ze hoorde hem nog praten toen ze ophing. Meer viel er niet te zeggen en ze wilde haar naam niet noemen. Ze was te naïef om te bedenken dat ze haar telefoontje al getraceerd hadden, dat de hotline daarop was ingesteld.
Toen de telefoon weer op de haak lag, ging er een siddering van opluchting door haar heen. Pas toen besefte ze hoezeer ze had geleden onder het angstgevoel dat de hele tijd op de achtergrond had gezoemd. Toen ze opkeek, zag ze Amanda in de deuropening van de woonkamer staan.
‘Is het waar?’ vroeg ze. ‘Is dat wat er vandaag aan de hand was?’
Amanda ging naast haar op de bank zitten. Ze droeg een nachtpon van haar zusje. Sinds haar dood had Amanda in Emily’s pyjama’s geslapen. Dan voel ik me dicht bij haar. Eloise vond het niet erg. Ze vond het fijn als Emily’s spullen tot leven kwamen, zo was ze nog een beetje bij hen. Alfies spullen waren nog onaangeroerd: zijn scheermes, zijn tandenborstel, zijn pantoffels onder het nachtkastje. Het was alsof Emily en Alfie er nog waren, nog bij hen waren, zolang hun spullen er nog waren. De dingen die ze dagelijks gebruikten, zinderden nog van hun energie. De meeste dagen waadde ze door een tot haar heupen reikend moeras van verdriet, maar de aanblik van iets wat Alfie of Emily hadden aangeraakt, kon haar doen glimlachen.
‘Ik denk het. Ik moest bellen. Dat is wat ik weet.’
Amanda observeerde haar moeder met de ernstige blik die haar eigen was. ‘Wat als je het verkeerd hebt?’
‘Wat als ik het goed heb?’ Het antwoord daarop was beangstigender. Ze beseften het allebei zonder het uit te spreken.
Ze zaten in het stille duister. De televisie stond aan, zonder geluid, en wierp een flikkerend licht door de kamer. Alfie en Emily zouden druk hebben gepraat en alles tot in het kleinste detail uit haar hebben willen trekken. Er zou geen stille, wetende aanvaarding van het bizarre zijn. Zij zouden sceptisch zijn en de advocaat van de duivel spelen. Maar Alfie en Emily waren er niet meer. En op de een of ander manier wist Eloise dat dit niet zou zijn gebeurd als ze er nog waren geweest.
‘Het is niet eerlijk. Het is zó niet eerlijk. Niets is eerlijk,’ zei Amanda.
Eloise wist niet of Amanda het had over Alfie en Emily of over het visioen dat Eloise had gehad, of over het feit dat er een meisje in een put was gevallen en dat niemand haar kon vinden. Ze vermoedde dat ze alles bij elkaar bedoelde. En ze had heel erg gelijk.
‘Nee, het leven is niet eerlijk. We doen gewoon ons best, oké? We hebben elkaar nog.’
‘Nog wel.’
Amanda was te slim om zich te laten sussen.
Maar toch zei Eloise: ‘Voor altijd. We blijven altijd bij elkaar. Wij allemaal.’
Dat zei ze, ook al wist ze niet of het waar was. Er was hun niets beloofd. Het hier en nu was het enige geschenk waar iedereen zeker van kon zijn. Ze benijdde mensen die geloofden in de verhalen die bij een religie hoorden, geloofden in een hemel waar alle goede zielen met hun geliefden werden herenigd. Het leven zou zo veel makkelijker zijn als ze daarin kon geloven, zo veel eenvoudiger aan haar dochter uit te leggen. Maar dat soort geloof had ze niet.
Die nacht sliepen ze samen in Eloises bed, wat ze hadden gedaan sinds ze uit het ziekenhuis was. Die nacht sliep ze voor het eerst goed. Ze werd niet wakker, zoals vaak gebeurde, van de pijn in haar rug, heup of nek. Ze hoefde geen pillen te slikken om door te slapen. Amanda sliep ook goed. Zonder de nachtmerries waarin ze het afschuwelijke ongeluk keer op keer beleefde, hoewel ze zich geen van beiden konden herinneren wat er was gebeurd toen Alfie van de oprit af draaide. Ze hadden geen van beiden de truck met oplegger gezien die hun auto schampte omdat de chauffeur achter het stuur in slaap was gevallen en tegen het tegemoetkomende verkeer in reed. Ze konden zich geen van beiden herinneren dat de auto vijf maal over de kop was geslagen voor hij tegen een grote eik tot stilstand was gekomen. Gelukkig konden ze zich niet meer voor de geest halen wat er gebeurde. Behalve Amanda, in haar dromen.
De volgende morgen zetten ze in de keuken de televisie aan om te kijken naar The Today Show, terloops, alsof ze niet op een bericht over het vermiste meisje wachtten. Zodra de televisie tot leven was gekomen, zagen ze beelden van de kleine Katie die op een reddingsbrancard naar boven werd gehesen terwijl haar ouders op haar af renden. En Eloise voelde blijdschap, echte blijdschap. Ze had nooit gedacht dat ze dat ooit nog zou kunnen voelen. En ze bleef het voelen tot Amanda zich naar haar toe keerde.
‘Heeft Hij ze hiervoor tot zich genomen?’
‘Wie? Wie tot zich genomen?’
‘Heeft God hiervoor pap en Emily tot zich genomen?’
‘Amanda...’ Ze wist niet wat ze moest zeggen.
‘Denk je niet dat dat de reden is? Misschien vertellen zij jou wel wat ze zien. Je weet wel, van gene zijde.’ Amanda’s ogen vulden zich met tranen. ‘Denk je dat, mam? Zou dat kunnen?’
‘Ik weet het niet, lieverd. Ik begrijp nog niet wat er met me is gebeurd.’
‘Maar het kan toch? Emily wilde toch altijd mensen helpen? Ze was zo’n goed mens.’
‘Dat is waar.’
‘Dan zou het toch nog ergens goed voor zijn.’ Toen stortte haar dochter in en begon te huilen.
Eloise liep naar haar toe en ze klampten zich aan elkaar vast en huilden zoals ze dat nog niet samen hadden gedaan. De tranenstroom voelde als een reiniging. Terwijl ze daar zo stonden, begon de telefoon te rinkelen. Om nooit meer op te houden.
..
Dat was een eeuwigheid geleden, zo voelde het tenminste. Jones Cooper was vertrokken en Eloise zat achter haar computer, zoekend naar informatie over vrouwen die op dit moment werden vermist. Oliver zat tevreden op haar schoot. Hoewel dat niet echt handig was – ze moest haar ellebogen optillen en in een rare stand houden om over zijn dikke lijf bij het toetsenbord te kunnen komen – kon ze het niet over haar hart verkrijgen hem weg te sturen. Ze bekeek de gebruikelijke nieuwssites en de site van het National Center for Missing and Exploited Children. De laatste jaren had ze ook veel gehad aan de site van Amber Alert. Maar vandaag werd haar golflengte niet opgezocht, ze bleef halsstarrig op het heden afgestemd.
Na een krachtig visioen als dat van gisteren zocht ze vaak die sites af en vond ze een gezicht dat ze herkende. Soms kreeg ze dan nog een visioen. Ze hoopte dat dat nu weer zou gebeuren, dat de figuur die ze had zien rennen iemand anders was dan Marla Holt. Want die had ze gedacht dat het was, en Ray leek het ook te denken. Maar misschien was ze het ook wel niet. Om de een of andere reden hoopte Eloise dat het niet Marla Holt was. Ze had deze zaak niet gewild en ze had geprobeerd Michael ervan te overtuigen zijn moeder los te laten. Maar hij wilde niet luisteren. Hij leek door een of andere macht te worden gedreven. Ze had een slecht gevoel over de hele zaak. Ze scrolde langs de gezichten van de vermiste personen, maar zag niemand die ze herkende.
Ze bezocht de sites dagelijks. Soms kreeg ze enige tijd later een visioen, of hoorde ze iets, alsof het internet haar kon verbinden met de energie die haar haar bijzondere gaven schonk. Dan belde ze alvast met de politie, want tegenwoordig waren ze meer geneigd tot samenwerken dan in het begin. Ze had een reputatie opgebouwd. Bovendien werden spiritistische gaven niet langer als afwijkend beschouwd, maar waren ze iets wat algemeen werd geaccepteerd. Men achtte het mogelijk en stelde zich ervoor open. Af en toe had ze het zwaar te verduren en was men ronduit beledigend. Het deerde haar niet, ze deed gewoon wat ze moest doen.
Soms werd ze gebeld door mensen die haar via via of op internet hadden gevonden. Soms kreeg ze dan een visioen, bijna alsof er een behoefte bevredigd moest worden. Maar net zo vaak kreeg ze geen visioen. Dan waren ze teleurgesteld in haar, en boos. Eloise begreep dat wel.
Zelf was ze ook ooit boos geweest, toen Alfie en Emily haar ontnomen werden. Ze had iemand de schuld willen geven, ze had genoegdoening gezocht. Haar boosheid was als een worm die aan haar keel knaagde en door haar ingewanden kronkelde. Ze had gewild dat de chauffeur van de truck met oplegger zou betalen. Hij was verslaafd aan pillen; hij slikte amfetamine om wakker te blijven en daarna kalmeringsmiddelen om te kunnen slapen. Die ochtend werd zijn verslaving hem de baas. Hij was zijn bewustzijn verloren achter het stuur en tegen het tegemoetkomend verkeer in gereden, waardoor hun auto over de kop sloeg. Zelf had hij geen schrammetje gehad.
Eloise had hem dood gewenst; hij moest alles verliezen waarvan hij hield: zijn gezin, zijn geld, zijn hele bestaan. Hij moest haar pijn voelen, een tienvoud ervan. Ze kon er niet van slapen. Voor het proces begon, had ze zelfs overwogen een pistool te kopen om mee naar de rechtszaal te nemen en hem daar dood te schieten. Het enige wat haar tegenhield, was Amanda, haar bleke engeltje. De enige die ze verder nog had, was haar moeder. Eloise bedacht hoe haar dochter zich met stoïcijnse aanvaarding door alles heen had geslagen. Dat zou ze dus ook dapper dragen. Maar op een gegeven moment zou ze suïcidaal worden en dan zou er niemand meer zijn om haar tegen te houden.
Toen ontmoette Eloise hem: Barney Croft, de man die haar gezin kapot had gemaakt. Toen ze hem aankeek, zag ze hoe gebroken hij was, hoe verslagen – door zijn pillenverslaving, zijn berouw, zijn bij elkaar geschraapte bestaan. Ze zag hem voor de rechtbank staan met zijn advocaat. De hand van de advocaat lag op Crofts schouder. Croft rookte een sigaret. Eloise had net een huilbui gehad in de auto en kwam om de rest van het verhoor te horen. Ze liep op hem af, ze kon het niet helpen. Ze wilde dat hij haar zag. Ze wilde dat hij zou zien wat hij haar had aangedaan.
De advocaat zag haar als eerste en hief zijn hand alsof hij haar wilde afweren. Toen draaide Croft zich om. Ze zag dat alle kleur uit zijn gezicht wegtrok en voelde dat haar hart begon te bonzen en dat haar keel werd dichtgeknepen.
‘O, god,’ zei hij. Ze rook zijn sigaret en zijn ellende. ‘Vergeef me. In godsnaam, vergeef me, alstublieft.’ Met zijn sigaret nog steeds tussen zijn dikke vingers geklemd, sloeg hij zijn handen voor zijn gezicht en begon te huilen; zijn hele lijf schokte ervan.
Misschien was het toen begonnen. Kijkend naar hem zág ze hoe het leven hem had vermorzeld. Het zat hem in zijn roodachtige huid en in de diepe rimpels rond zijn ogen, in de smalle spleet tussen zijn smalle lippen. Ze zág dat hij vracht vervoerde om zijn gezin te onderhouden, dat hij pillen nam om langer te kunnen rijden en dus meer te verdienen. En dat hij ook weer pillen nodig had om te kunnen slapen. En dat het menselijk lichaam niet bestand is tegen pillen en ongezond eten en oneindige ritten op donkere snelwegen. Ze zag heel duidelijk waarom mensen verkeerde keuzes maken om goede redenen en evengoed anderen in het ongeluk storten.
‘Ik vergeef u,’ zei ze. ‘Echt.’
Ze meende het. De worm in haar ingewanden verschrompelde. Tijdens het proces verzocht ze om clementie en schonk ze hem voor het oog van de rechter en de televisiecamera’s vergiffenis. De worm werd nog kleiner. Maar toen begon ze Amanda kwijt te raken.
..
Op haar bureau stond een foto van haar dochter, volwassen nu, met haar twee kinderen, Alfie en Emily. Eloise had vergeefs geprotesteerd, want ze zag er niets in levenden naar doden te vernoemen. Amanda was gelukkig getrouwd; ze was een succesvolle accountant en een geweldige moeder en woonde zo ver van Eloise vandaan als maar kon. In Seattle.
Ze hoorde de deur beneden open- en dichtgaan, waarna zware voetstappen op de trap klonken. Ray had zijn eigen manier om haar huis binnen te komen als ze vergeten was de deur af te sluiten, alsof kloppen beneden zijn waardigheid was.
‘Eloise?’
Oliver sprong van haar schoot, geërgerd door de inbreuk. Ze passeerden elkaar in de deuropening.
‘Ik haat die kat,’ zei Ray.
‘Hij is ook niet bijster op jou gesteld.’
Hij ging aan de andere kant van het bureau zitten, zette de papieren zak neer die hij bij zich had en plaatste zijn vingertoppen tegen elkaar. ‘Oké.’
‘In alle ernst, Ray. Wat heb je toch? Denk je dat ik je niet gebeld zou hebben?’
‘Laten we beginnen.’
Ze slaakte een diepe zucht. Ze wist dat hij haar zou vragen dit te doen. Ze had er een hekel aan. Het was pijnlijk en uitputtend. Eerlijk gezegd wist ze niet hoeveel langer ze het nog kon doen, dit alles. Ray ontkende het hardnekkig, maar Eloise wist dat het einde in zicht was.
‘Wat heb je bij je?’
‘Schoenen.’
Schoenen waren goed, heel goed. De voeten maakten het meeste contact met de aarde, waarbij alle energie door de zolen ging.
‘Je zou dat huis eens moeten zien,’ zei Ray. ‘Holts vader kon niets wegdoen. Je weet niet wat je ziet.’
‘Heeft hij haar schoenen daar gevonden?’
‘Ja, die ouwe heeft alles bewaard.’
‘Weet je dat de politie van The Hollows Jones Cooper heeft gevraagd de zaak opnieuw te bekijken?’
Ray fronste zijn wenkbrauwen. ‘Niets over gehoord.’
‘Hij heeft het me vandaag verteld. Ik had verwacht dat hij daarna naar jou zou gaan.’
‘Wat was de reden van zijn bezoek aan jou?’
‘Hij wist nog dat ik bij haar schoonmaakte en soms op de kinderen paste. Hij wilde weten wat mijn indrukken zoal waren.’ Dat was niet helemaal waar, maar ze wilde het hele gesprek niet herhalen. En ze wilde niet vertellen dat ze Jones haar visioen had toevertrouwd. Ze wist niet eens waarom niet.
Ray zweeg en richtte zijn blik op het plafond. Ze keek naar de zak die hij op het bureau had gezet.
‘We weten niet of mijn visioen van gisteren iets te maken heeft met de zaak-Marla Holt,’ zei ze. ‘Het kan iedereen geweest zijn. Ik heb net nog even op het internet gekeken. Het kan iemand anders geweest zijn.’
‘Heb je iets gevonden?’
‘Nee,’ bekende ze.
Zijn geestdrift was uitgedoofd, hij leek even moe als zij. Hij zag er de laatste tijd niet zo goed uit. Zijn vrouw had hem bijna twee jaar geleden verlaten. Zijn kinderen, allebei woonachtig en werkzaam in Manhattan, leken weinig tijd voor hem te hebben. Dat krijg je als je niet meedoet met de levenden. Te laat voor het avondeten, afwezig als je wel aan tafel zit. Ray dronk te veel; hij werd somber van al het lelijks dat hij had gezien, waar hij niets aan kon doen. Zijn vrouw wilde golfen en op vakantie naar de Bahama’s. Ray wilde lijken opgraven. Wie kan het de arme vrouw kwalijk nemen dat ze weg wilde?
‘Ik heb bericht gehad van Karen,’ zei Ray. Ze konden elkaars gedachten lezen. Dat was nog steeds zo, zelfs nadat ze hun verhouding hadden be-eindigd.
‘O?’ zei Eloise.
‘Ze gaat weer trouwen.’
Eloise lachte kort. ‘Is ze gek geworden?’
Ray moest ook lachen. ‘Ze is een gepensioneerde arts tegengekomen. En raad eens: ze heeft hem ontmoet tijdens haar cursus stijldansen.’
Karen had Ray altijd mee naar dansles proberen te krijgen. Hij had er nooit de tijd voor gehad en, zoals hij Eloise had toevertrouwd, er ook totaal geen zin in gehad.
‘Het spijt me, Ray,’ zei Eloise.
Hij wuifde het weg. ‘Ik ben blij voor haar. Ze verdient het.’
Karin had inderdaad recht op geluk. Ze was een goede echtgenote geweest voor Ray en een liefhebbende moeder voor hun kinderen. Ze was mooi en levenslustig, een aardig persoon. Ray had haar slecht behandeld; Eloise trouwens ook. Eloise kon op zondag bij de Muldunes gaan eten en de woensdag erop met Ray in bed kruipen. Het was niet smakeloos of vunzig geweest, maar wanhopig en triest. Dat was alweer lang geleden. Ze waren allemaal erg veranderd.
Eloise kon zien dat het Ray verdriet deed. Dat was begrijpelijk. Ray had de verkeerde keuzes gemaakt en alle voorspelbare gevolgen hadden voor hem in de rij gestaan. Daar was nu niets meer aan te doen. Schuif de grendel van de deur en laat ze allemaal maar binnen – eenzaamheid, spijt, een verpletterend soort vermoeidheid.
‘Oké, laten we beginnen,’ zei Eloise, misschien uit medelijden. Dit kon ze hem tenminste geven.
‘Weet je het zeker?’ vroeg hij.
‘Ja, heel zeker.’
Ze stond op vanachter haar bureau en liep langs hem heen. Ze ging de slaapkamer binnen en ging op het piepende oude bed zitten. Met eerst de ene en dan de andere voet duwde ze haar schoenen uit. Ze ging op haar rug liggen. Ray bleef even in de deuropening staan en ze dacht aan hoe het tussen hen was geweest. Dat hij ’s avonds naar haar toe kwam en dat ze dan de liefde bedreven met alle lichten aan, zodat ze elkaars onvolkomenheden konden zien. Ze zagen elkaar en begrepen elkaar. Als ze bij elkaar waren, werden de doden en vermisten, alle mensen waar ze achteraan jaagden, al het bloed en de gruwelen die hen in beslag namen, even naar de achtergrond gedreven en beleefden ze een kort moment van plezier en troost in een wereld die voor ieder ander te grijs was geworden.
Hij liep naar haar toe en boog zich over haar heen. Even dacht ze dat hij verder zou gaan. En ze zou hem laten begaan; ze zou hem nemen en hem haar laten nemen. Ze zag dat hij erover nadacht, hoe het zou zijn na al die tijd. Toen wendde hij zijn ogen van haar gezicht af en richtte ze op haar voeten. Hij haalde de schoenen uit de bruine papieren zak; het was een paar oude sneakers. Met een teder gebaar deed hij ze een voor een aan haar voeten. Hij nam plaats op de stoel in de hoek. Ze wachtten af.