29
Op de schooladministratie ging het gerucht dat de politie menselijke beenderen had gevonden bij de Kapel en dat het vermoedelijk het stoffelijk overschot van Marla Holt was. Het nieuwtje scheen Henry Ivy aanvankelijk weinig te doen. Het leek een praatje dat gemakkelijk ontkend en weggeduwd kon worden. Maar toen het gerucht zich in de loop van de dag verspreidde en wel vijf verschillende mensen aan hem vroegen: ‘Heb je het al gehoord?’, kreeg hij het gevoel dat er betonnen blokken op hem werden gestapeld waaronder hij levend werd begraven. Tegen het eind van de middag was het gewicht verpletterend. Lag ze daar echt? Had ze daar al die jaren gelegen? Terwijl hij en iedereen met hem het slechtste van haar hadden gedacht? Was ze weggerot in een ondiep graf op anderhalve kilometer van de plek waar hij werkte? Als hij die avond bij haar was gebleven, wat ze hem had gevraagd, zou ze dan nu nog in leven zijn?
De dag verliep als gebruikelijk: ochtendmededelingen, absentielijsten bekijken, straf uitdelen aan de notoir lastige leerlingen en kletsen met zijn secretaresse. Maar de hele tijd zat die vreselijke zoem in zijn achterhoofd. Hij had die avond een afspraak met Bethany Graves. Het leek wel alsof hij gestraft werd voor het feit dat hij geluk probeerde te vinden. Het was blijkbaar niet voor hem weggelegd.
‘Ik kan echt niet weg,’ had Bethany gezegd. ‘Niet met al die toestanden met Willow. Niet nu ze zo ongelukkig is.’
‘Ik begrijp het,’ had hij gezegd en hij had geprobeerd niet teleurgesteld te klinken. Hij had het als een beleefde afwijzing opgevat.
‘Maar je kunt wel hier komen,’ had ze gezegd. ‘Morgenavond, om te eten?’
Zijn hart maakte een sprongetje en hij kreeg weer hoop. ‘’Vind je het niet... ongepast?’
‘Nee,’ had ze gezegd, met een besliste en vrolijke klank in haar stem. ‘Ik vind het helemaal niet ongepast. Ik vind het leuk.’
Bij het ontwaken de volgende dag, had hij zich licht en blij gevoeld. Hij schoot door zijn ochtendoefeningen, nuttigde een stevig ontbijt van gebakken eiwitten en een smoothie, en ging vroeg naar zijn werk om alvast een aantal docentenevaluaties weg te werken. Tegen halftien, toen de administratie vol was gedruppeld en dat praatje de ronde begon te doen, was het alsof er een grauwsluier van verdriet en pijn over hem neerdaalde.
Wat hij hun nooit had verteld, was dat hij van haar had gehouden – op een bepaalde manier. Niet zoals hij van Maggie Cooper had gehouden, bij wie hij ooit de hoop had gehad dat ze ook van hem zou gaan houden. Tijdens hun tienerjaren had hij zich voorgesteld dat wat ze met elkaar hadden, op een dag verder zou gaan dan vriendschap, dat ze zouden trouwen en kinderen krijgen. Dat was uiteraard nooit gebeurd, maar hun vriendschap had standgehouden. Hij had het als een soort troostprijs aanvaard.
Van Marla Holt had hij gehouden zoals je van een filmster houdt, zonder te denken dat er iets tussen hen zou kunnen opbloeien. Ze was ouder dan hij en leek wijzer en mondainer. En ze was zo mooi dat hij bijna niet kon geloven dat ze echt was. Zelfs haar onvolmaaktheden, de kleine lachrimpeltjes bij haar ogen, het schoonheidsvlekje aan de onderkant van haar linkerwang (een heksenvlek, noemde ze die zelf), maakten haar alleen maar adembenemender. Als ze tegen hem sprak, pakte ze hem helemaal in met de beweging van haar lippen, met haar handen die naar haar hals dansten, met haar stralende ogen.
Op de avond dat ze verdween, zouden ze gaan joggen. Hij had haar gebeld om te vragen hoe laat ze zouden gaan en ze had gezegd dat ze niet kon. Dat Michael uit logeren was en dat ze voor Cara moest zorgen. Mack moest overwerken. Kon hij niet even langskomen? Gewoon, om wat te kletsen, want dat deden ze tijdens het joggen. Ze praatten aan één stuk door, over van alles en nog wat.
Eerst had hij geaarzeld, want het leek ongepast. Maar ze had gezegd: ‘Alsjeblieft, Henry, ik verheug me altijd zo op dat uurtje.’ Toen had hij toegestemd, want ook hij verheugde zich altijd op dat uurtje, ook al wist hij dat ze niet voor hem was, dat ze te hoog gegrepen was. Elk vezeltje in hem zond het signaal uit niet te gaan, dat het verkeerd was, dat het tot onbetamelijke toestanden kon leiden. Maar hij ging toch, omdat ze het had gevraagd en omdat ze zo verdrietig had geklonken.
Die avond in het bos had hij het aan Jones willen vertellen, toen ze misschien maar een paar meter van de plek af waren waar haar beenderen waren gevonden. Hij had willen zeggen: Ik was die avond bij haar, Jones. Ik heb haar in mijn armen gehouden. Ze was zo ongelukkig met Mack, met zichzelf, met het leven dat ze leidde. Ze zei dat ze fouten had gemaakt, dat ze op bepaalde manieren ontrouw was geweest. Ik hield haar vast en verlangde vreselijk naar haar. Ik had haar kunnen nemen. Het kon me niet schelen dat er iemand anders was, iemand die niet haar echtgenoot was. Ze stelde zich voor me open, als een bloem.
Henry had Jones willen vertellen dat hij al zijn zelfbeheersing nodig had gehad om haar niet te kussen, niet haar zachte lippen op de zijne te voelen. Zijn hele lijf had pijn gedaan van verlangen terwijl ze in zijn armen lag te huilen. Wat zou er gebeurd zijn als Michael niet was thuisgekomen, als hij hen niet zo had aangetroffen, elkaar zachtjes wiegend in het schemerige licht van de woonkamer? Zou hij in staat zijn geweest zich in te houden? Zou hij in staat zijn geweest naar huis te gaan? Hij wist dat niemand hem beschouwde als iemand met dezelfde verlangens en behoeften als andere mannen. Henry is zo aardig. Henry is zo vriendelijk. Henry is zo’n goede vriend. Maar hij had die behoeften en verlangens wel degelijk, alleen werden ze altijd genegeerd en onderdrukt. En hij was al zo lang alleen.
‘Mam?’
Het woord had een elektrische schok veroorzaakt waardoor ze uit elkaar waren geschoten.
‘Michael,’ zei ze. Het klonk meer als een ademtocht, geschrokken en bang. ‘Wat doe jij hier?’
‘Mam,’ zei de jongen. ‘Wat ben je aan het doen?’
Het moment had een vreemde geladenheid gehad.
‘Het is niets, liefje,’ fluisterde Marla. ‘Henry is een vriend van me, meer niet.’
Henry is een vriend van me, meer niet. De woorden sneden door zijn ziel, al wist hij in het diepst van zijn hart dat het waar was. Dat was hij voor vrouwen. Een vriend, meer niet. Hij had in lichterlaaie gestaan, zij had slechts troost gezocht in haar ellende.
‘Het spijt me,’ zei hij. ‘Het spijt me heel erg.’
Het voelde alsof hij in brand stond en hij was snel langs de jongen gelopen, die toen al langer en steviger gebouwd was dan Henry. Het joch had als een dier staan hijgen. Hij was pas dertien, of misschien al veertien. Hij zat nog niet op Hollows High.
‘Niet weggaan, Henry.’ Haar woorden volgden hem de voordeur uit. En toen was hij gaan rennen. Hij was in zijn joggingkleren gegaan omdat hij niet had verwacht lang te zullen blijven en omdat hij niet had gewild dat iemand hem naar binnen zag gaan in zijn gewone kleren. Hij rende en rende, liep lange, zweterige kilometers, de wijk uit naar de weg die naar het buitengebied van The Hollows leidde, langs weiden en melkveeboerderijen. Toen er later vragen werden gesteld, hadden de mensen hem zien rennen, zoals wel vaker ’s avonds. Ze hadden hem alleen zien lopen, niet samen met Marla Holt. Toen hij weer bij zijn huis was, zag hij dat het donker was bij de Holts. De auto van Mack stond op de oprit. Dat was het moment geweest dat Henry Claudia Miller boven voor het raam had zien staan, een donker silhouet tegen het zacht gloeiende gelige licht; kijkend, almaar kijkend.
..
De bel ging en met een schok belandde hij weer in het heden. Hij vroeg zich af of hij Bethany Graves moest afzeggen. Wat had ze aan zijn gezelschap met al dat gepieker van hem? Hij maalde al zo lang over die avond met Marla. Wat zou er zijn gebeurd als hij was gebleven en niet als een lafaard was weggelopen? Misschien zou ze dan nu bij hem zijn, zíjn vrouw zijn, en was ze er niet vandoor gegaan met wie dan ook.
En echt, hij had nooit geloofd dat haar iets was overkomen. Net als ieder ander had hij gedacht dat ze het leven in The Hollows beu was geweest en opnieuw was begonnen, zonder haar kinderen. Ze had hem min of meer toevertrouwd dat er iemand anders was. Claudia Miller had haar met een koffer in een zwarte auto zien stappen.
Misschien was die avond wel de spreekwoordelijke druppel geweest. Michael had Mack verteld dat er een man in huis was geweest en dat ze ruzie hadden gekregen. Misschien had Marla haar vriend gebeld en had ze eindelijk haar biezen gepakt, wat ze al zo lang wilde. Met medeneming van al haar schoonheid en charme had ze haar burgerlijke hel verlaten. Als Henry een ander soort man was geweest, was hij degene geweest die haar daar had weggehaald. Als hij niet Henry Ivy was geweest, het gepeste jongetje dat docent was geworden en nog altijd in zijn ouderlijk huis woonde, was hij misschien de man geweest die haar had meegenomen naar New York of naar Hollywood. Maar hij was Henry Ivy, en hij kon doen wat hij wilde, maar iemand anders werd hij niet.
Nu moest hij de confrontatie aangaan met het idee dat hij haar leven had kunnen redden als hij die avond niet was weggegaan. Hij wist niet of hij dat aankon.
Hij focuste zijn blik op het scherm voor hem. Hij scrolde door de namen van de afwezige leerlingen die op de spreadsheet stonden en zag dat zowel Cole Carr als Jolie Marsh al twee dagen niet op school was geweest. Willow Graves was er wel geweest, geconcentreerd en aandachtig, maar opvallend stil, volgens haar leraren. Daar was hij blij om. Henry wist dat Willow een moeilijke periode doormaakte, omdat ze moeite had met de scheiding van haar ouders en het aanpassen aan haar nieuwe school. Hij dacht echter niet dat er iets fundamenteel mis was met haar; ze was geen risicojongere, zoals Jolie Marsh. Jolie zou wel eens een drop-out kunnen worden, net als haar broer, Jeb. Hij zou de ouders van beide afwezigen bellen, want geen van de twee absenties was telefonisch of via de e-mail gemeld.
Denkend aan dat drietal kwam de middag in het bos hem weer voor de geest. Jones en hij hadden het gehad over dat verhaal waar Michael Holt mee was gekomen. Henry had aangeboden er iets over uit te zoeken, maar hij was nog niet verder gekomen dan wat vluchtig speurwerk op het internet dat – niet verrassend – niets had opgeleverd. Hij had ook Mack Holt online opgezocht; het zou kunnen dat er artikelen of onderzoeksresultaten door de universiteit waren gedigitaliseerd, maar hij had niets gevonden, alleen ’s mans droevige en plichtmatige necrologie. Hij was helemaal alleen gestorven, vervreemd van zijn kinderen. Michael Holt was maar om één reden teruggekeerd, volgens de voortdurend draaiende geruchtenmolen van The Hollows, en dat was omdat hij nog steeds vragen had over zijn vermiste moeder, vragen waarop hij door de ontdekking van menselijke botten op een open plek in het bos nu misschien een antwoord kreeg.
Henry pakte de telefoon om Maggie te bellen, maar kon zich er niet toe brengen het nummer in te toetsen. Misschien moest hij met Jones gaan praten en hem alles vertellen wat hij toen niet had verteld. Maar wat moest hij dan zeggen? Dat hij er die avond was geweest, dat hij Marla Holt in zijn armen had gehouden? Hoe kon hij uitleggen dat hij dat al die jaren geheim had gehouden en er nu pas mee voor de dag kwam, nu haar beenderen waren gevonden? Hoe moest hij uitkomen voor zijn vreselijke lafheid? Hij had zich vaak afgevraagd waarom Michael Holt met geen woord had gerept over zijn aanwezigheid, waarom hij nooit iets tegen de politie of zijn vader had gezegd, tot hij had gehoord dat Michael zich niets herinnerde van die avond en van wat er met zijn moeder was gebeurd.
Toen de jongen bij hem op school kwam, was hij bang geweest dat Michael hem zou herkennen, dat het iets in hem wakker zou maken. De jongen leek hem echter niet eens op te merken. Michael had nooit geschiedenisles van hem gehad. Als ze elkaar in de gang tegenkwamen, keek het joch hem aan alsof hij hem niet kende, hoewel ze jaren bij elkaar in de buurt hadden gewoond.
Dat was allemaal lang geleden. Een leven geleden, leek het wel. Hij had al heel lang niet meer aan Marla gedacht, tot die middag met Jones in het bos. Ze was in het mapje terechtgekomen van de vrouwen die hij nooit zou kunnen krijgen.
Zijn intercom zoemde.
‘Meneer Ivy, Bethany Graves op lijn één.’ Bijna had hij zijn secretaresse Bella gevraagd de boodschap aan te nemen. Maar dat kon hij niet maken. Dat ging te ver.
‘Dank je, Bella.’
Hij haalde diep adem en nam de telefoon op. ‘Mevrouw Graves. Wat kan ik voor u doen?’
Ze giechelde even en hij voelde zich warm worden vanbinnen.
‘Je klinkt echt... als een rector,’ zei ze.
Hij blikte naar de deur. Bella was aan de telefoon, waarschijnlijk met haar vriend, de jongste aanwinst van het politiekorps van The Hollows. Bella was degene geweest die met de vertrouwelijke informatie over de botten bij de Kapel was gekomen. Het meisje, hoe lief en efficiënt ze ook was, kon haar mond geen seconde dichthouden.
‘Sorry,’ zei hij. Hij gunde zichzelf een glimlach. ‘Ik kijk uit naar vanavond.’
‘Ik ook,’ zei ze. ‘Ik vroeg me alleen af of je ergens allergisch voor was of dat er iets is wat je absoluut niet lust?’
‘Nee,’ zei hij. ‘Ik eet alles.’
Hij ging niet zeggen dat hij zo goed als vegetarisch was; hij at hooguit eens per maand vlees. En ook niet dat hij niet van scherp gekruid eten hield, waar hij onaantrekkelijk van ging zweten en een rood hoofd van kreeg. Ook melkproducten probeerde hij te vermijden. En van bepaalde wijnen kreeg hij het zuur. Vrouwen hielden er niet van als je moeilijk deed over eten.
‘Mooi,’ zei ze. ‘Eten is leven.’
‘Helemaal waar,’ zei hij. Hij vond het leuk gezegd en nog waar ook.
‘Er is nog een reden waarom ik bel.’ Haar stem klonk zachter, ernstiger.
‘O?’
‘Ken je Cole Carr goed?’ vroeg ze. ‘De jongen die we laatst in het bos zagen?’
‘Hij zit nog niet zo lang bij ons op school,’ zei Henry. ‘Maar hij doet het prima. Al zijn docenten vinden hem aardig. Hij is alleen wat teruggetrokken en afhoudend. Hoezo?’
‘Nou, hij heeft Willow gisteravond een blauwtje laten lopen. Hij zou langskomen, maar is niet op komen dagen. Ze is er kapot van.’
Henry wierp een blik op zijn scherm en op de twee absentiemarkeringen in rood achter zijn naam. ‘Ik wilde net gaan bellen. Hij is de afgelopen dagen niet op school geweest. Misschien is hij ziek of zijn er familieomstandigheden. Zijn ouders hebben niet gebeld.’
Het was even stil aan de andere kant van de lijn.
‘Willow zei dat ze hem gisteren nog heeft gezien. Toen hebben ze die afspraak gemaakt.’
Hij hoorde aan haar stem dat ze ongerust en teleurgesteld was. Ook al wist hij dat hij er niets mee te maken had, hij voelde zich toch verantwoordelijk.
‘Misschien was hij wel op school, maar is hij niet naar zijn lessen gegaan,’ zei hij. ‘Hij heeft een auto.’
‘Dat zal het zijn,’ zei Bethany, maar ze klonk helemaal niet overtuigd. ‘Ik denk echt niet dat ze loog.’
Henry wist van Willows leugenprobleem. Veel tienermeisjes logen, het had met hun zelfbeeld te maken. Meestal groeiden ze er overheen.
‘Ik neem contact op met de familie,’ zei hij. Hij wilde haar op een of andere manier geruststellen. ‘Ik laat je wel weten wat er aan de hand is.’
‘Oké.’
‘Probeer je geen zorgen te maken, Beth.’ Hij vond het leuk om haar naam uit te spreken. Het bleef even stil, zodat hij dacht dat hij te vertrouwelijk was geworden. Toen ze weer begon te praten hoorde hij de warmte in haar stem.
‘Je bent een goed mens, meneer Ivy.’ Zoals zij het zei, voelde het niet als de gebruikelijke stomp in de maag.
..
Het Regal Motel was niet het ergste in zijn soort – een in een deprimerende betonnen U-vorm geregen reeks armoedig ingerichte kamers. Soms waren het broeinesten van illegale activiteiten: drugs in de ene en prostitutie in de andere kamer. Iets dichter bij The Hollows was er onlangs nog eentje tot op de grond toe afgebrand, nadat er een klein methamfetaminelab was ontploft.
Het Regal Motel zag er vanbuiten schoon uit en was onlangs nog geverfd. Het had een netjes onderhouden zwembad, dat samen met de stoelen was afgedekt voor de winter. De struiken langs de stoep waren gesnoeid. Iemand nam de moeite de boel bij te houden, hetgeen betekende dat er ook een oogje op de gasten werd gehouden. Het uithangbord kon wat extra aandacht gebruiken. De g ontbrak, dus van een afstand was het alsof er re al motel stond.
Een belletje kondigde zijn binnenkomst in een opgeruimd, stil kantoortje aan. Het was er fris, de verwarming was nog niet aan. Een rijzige vrouw met stijve, grijze krulletjes zat aan een bureau op een toetsenbord te tikken. Ze keek niet meteen op om hem te begroeten, dus keek Jones de kamer even rond. Kunstplant. Een gammele tweezitsbank en een salontafel. Een tijdschriftenrek met stukgelezen, oude damesblaadjes. De donkere, met houten schroten betimmerde muren hingen vol foto’s van spelende kinderen in allerhande poses en certificaten van diverse keuringsinstanties waarop werd vermeld dat er aan de eisen werd voldaan, soms zelfs op uitstekende wijze. Er hingen ook een paar amateuristische tekeningen van lokale bezienswaardigheden. Het tapijt zat onder de vlekken en was weggesleten in het looppad van bureau naar deur.
‘Wat kan ik voor u doen, meneer?’
Ze had nog niet opgekeken.
‘Ik ben op zoek naar een vriendin en ik heb gehoord dat ze hier verblijft. Robin O’Conner.’
Ze keek op van het scherm, duwde haar bril hoger op haar neus en nam hem koeltjes op.
‘Politie?’ vroeg ze. Ze gedroeg zich alsof ze de eigenaresse was; ze was zeker geen ondergeschikte of werkneemster. Ze was hier de baas en hoefde zich geen zorgen te maken over haar baan. Dat kon goed of slecht uitpakken.
‘Nee,’ zei Jones.
‘Vervroegd pensioen,’ zei ze. Het was geen vraag.
Jones haalde langzaam de schouders op. Tegen zo’n vrouw kon je maar beter de waarheid spreken. ‘Ik doe dit voor een vriendin. Robin heeft een zoon die haar erg mist.’
‘U kunt een boodschap achterlaten. Ik zal ervoor zorgen dat ze hem krijgt.’ Ze richtte haar aandacht weer op het scherm. Hij zag het blauw en wit weerspiegeld in haar brillenglazen en herkende de website van dat MyFace. Bizar hoeveel mensen zich daarvoor interesseerden. Meer dan voor de echte wereld, leek het wel.
Jones wachtte. Hij slenterde naar de muur en bekeek de certificaten van dichterbij. Toen hij nog bij de politie werkte, deed hij dat soort dingen om mensen uit hun evenwicht te brengen. Bij valse of verlopen documenten werden ze zenuwachtig en kwamen de tongen los.
‘Alles volgens het boekje,’ zei ze. Toen hij zich naar haar toe keerde, zat ze hem strak aan te kijken. Ze ergerde zich aan hem. Ze wilde dat hij wegging. Mooi.
‘Dat zie ik, mevrouw,’ zei hij beleefd. Een beetje te beleefd, bijna alsof hij de spot met haar dreef.
‘Hoe laat is het?’ vroeg ze. Jones keek op zijn horloge, de oude Timex uit zijn studietijd. ‘Bijna twaalf uur.’
Ze keek naar het raam. Jones zag een klein wegrestaurant aan de overkant van de weg. ‘Daar gaat ze zo heen, als ze er al niet is. Ze draait de lunchdienst.’
Robin O’Conner werkte dus zwart, anders zou het bij de kredietregistratie tevoorschijn zijn gekomen. De vrouw verhief zich van haar stoel, die een zucht van opluchting slaakte. Een beetje trekkend met haar been verdween ze door de deur achter het bureau. Jones vatte het op als een teken dat ze klaar was met hem. Hij had weg kunnen gaan, maar zijn nieuwsgierigheid kreeg de overhand.
‘Haar creditcard is hier gisteren geweigerd,’ zei hij. Hij sprak met lichte stemverheffing, zodat ze hem in de kamer ernaast zou kunnen horen. Het bleef stil en net toen hij dacht dat hij haar niet meer te zien zou krijgen, verscheen haar grote gestalte in de deuropening.
Haar voorhoofd was gefronst. ‘Ik dacht dat u zei dat u niet van de politie was.’
‘Ben ik ook niet.’
Ze zette haar bril af en wreef over de brug van haar neus. Hij zag de rode moet van haar montuur. ‘Soms moet je mensen een handje helpen, vindt u ook niet?’ vroeg ze.
‘Zeker,’ zei hij. ‘Maar met uw bedrijf kunt u zich dat niet al te vaak veroorloven.’
‘Dat is waar en dat doe ik ook niet. Maar Robin is een goede meid. Geen gast zoals we die normaal hebben.’
‘Kunt u dat uitleggen?’
‘Waarom zou u dat zelf niet even gaan vaststellen?’
Toen ze weer achter de deur verdween, wist hij dat ze niet meer terug zou komen. Haar type lag hem wel: uit één stuk, zelfverzekerd. Iemand met mensenkennis, een goede getuige. Hij moest denken aan wat Paula over Cole had gezegd, dat hij een goeie jongen was, dat iemand van hem gehouden moest hebben, dat hij goed was opgevoed. Dat klopte met de waarderende termen waarin de oude vrouw over Robin O’Conner sprak.
..
Hij wist direct wie ze was, want haar zoon had haar schoonheid geërfd – het ravenzwarte haar en de amandelvormige ogen. Ze zag er moe uit en was erg iel, met sterk geprononceerde sleutelbeenderen en polsgewrichten. Ze had iets wat hem deed denken aan Eloise, maar ook aan Marla Holt. Hij vroeg zich af hoe het kwam dat hem al die vermiste en gekwetste vrouwen op zijn dak vielen. ‘Je hebt nooit nee kunnen zeggen tegen een jonkvrouw in nood,’ had Maggie gezegd. Misschien had ze gelijk.
Robin O’Conner stond achter de counter. Er zat een vrachtwagenchauffeur met meer eten op zijn bord dan Jones in twee dagen binnen had gekregen: eieren, gebakken aardappeltjes, bacon, worst en twee stukken brood, soppend in jus. Toch was de man die over zijn maal gebogen zat en met smaak zat te eten, niet veel dikker dan Jones’ been. Er bestond geen rechtvaardigheid in deze wereld.
Ze kwam zijn kant op en leunde met een lieve glimlach over de counter. ‘Kan ik u helpen?’
‘Doe maar een koffie,’ zei hij. ‘Graag.’
‘Weet u het zeker? U ziet eruit alsof u honger hebt.’
Jones keek in de richting van de vrachtwagenchauffeur. ‘Ik zou best zo’n bord lusten. Maar dan val ik ter plekke dood neer.’
‘En moet je hem zien,’ fluisterde ze. ‘Ik durf te wedden dat hij er beter uitziet in een rok dan ik.’
‘Dat betwijfel ik.’ Maar hij zei het op een vriendelijke, vaderlijke manier. Zonder te intimideren, zonder bijbedoelingen.
‘Charmeur,’ zei ze met dezelfde lieve glimlach. ‘Ik regel een gebakken ei en toast voor u.’
‘Klinkt goed.’
Toen de vrachtwagenchauffeur weg was en Jones zijn eten op had, waren ze alleen in het restaurant, op degene na die in de keuken stond. Hij snapte waarom ze de huur niet kon betalen. Er waren geen bedrijven in de buurt die voor klandizie zorgden. Het wegrestaurant stond tegenover het motel aan een stille tweebaansweg. Vrachtwagenchauffeurs die van de snelweg kwamen, motelgasten, de incidentele toerist die de bergen in trok om te kamperen of te wandelen, dat was waarschijnlijk de hele clientèle.
‘Kan ik u nog ergens mee van dienst zijn?’
‘Ik ben hier niet alleen om te eten. Kunnen we even praten?’
Haar gezicht vertrok van angst. Ze blikte in de richting van de keuken en deed een stap naar achteren.
‘Niet bang zijn,’ zei hij en hij hief zijn hand. ‘Paula Carr heeft me gevraagd u op te sporen.’
Ze zei nog steeds niets. Hij besloot verder te gaan. ‘De enige reden die ik daarvoor kan verzinnen is dat ze bij haar man weg wilde, maar uw zoon niet achter wilde laten.’
Hij zag dat ze tranen in haar ogen kreeg.
‘Inmiddels is ze weg en ik weet niet waarheen.’
‘En waar is Cole?’ vroeg ze met een benepen stem.
Daar had Jones niet aan gedacht. Stom. ‘Ik neem aan dat hij nog bij zijn vader is.’
‘Hij zou zijn vader nooit in de steek laten,’ zei ze. Er biggelde een traan over haar wang, die ze wegveegde. ‘Hij is dol op Kevin.’ In haar toon klonk alleen verdriet door, geen greintje verbittering.
‘Ik heb Cole kort geleden nog gezien,’ zei hij. ‘Hij zag er gezond uit, en goed verzorgd.’
Er verscheen een opgeluchte glimlach op haar gezicht. ‘Ik mis hem vreselijk.’
‘Kevin heeft Paula verteld dat u hem had gevraagd Cole onder zijn hoede te nemen omdat uw nieuwe vriend niet met hem opgezadeld wilde zitten. Hij suggereerde dat er drugs en alcohol in het spel waren.’
Toen kon ze haar tranen niet meer inhouden. ‘Nee,’ wist ze er nog net uit te brengen. ‘Nee, echt niet.’
Hij gebaarde haar even bij hem te komen zitten. Ze kwam achter de counter vandaan en liet zich op een rode vinyl stoel van een van de zitjes zakken. Er kwam niemand van achteren om te kijken wat er aan de hand was. Op de parkeerplaats stond geen enkele auto.
‘Ik moet even tot mezelf komen,’ zei ze. Ze trok een servetje uit de houder, droogde haar tranen en snoot haar neus. Zelfs huilend was ze nog aantrekkelijk. ‘Wie bent u?’
‘Mijn naam is Jones Cooper,’ zei hij. ‘Ik ben een detective, ingeschakeld door mevrouw Carr.’
Het voelde alsof hij loog, hoewel zijn woorden zo dicht als mogelijk bij de waarheid kwamen. Ze leek het antwoord zonder meer te accepteren. Het was hem op het lijf geschreven.
‘Het zou alleen voor de zomer zijn,’ zei ze. Ze zweeg, strengelde haar vingers ineen en leek na te denken over hoe ze verder zou gaan. ‘Cole en ik hadden voortdurend ruzie. Hij ging op school met de verkeerde jongens om. Ik vond een joint in zijn rugzak. Elke dag was het heibel. Ik dacht erover hem naar een opvoedingskamp te sturen.’
Jones observeerde haar lichaamstaal, het strengelen en ontstrengelen van haar vingers, het gewrijf over haar voorhoofd. De opgetrokken aanzet van haar wenkbrauwen. Ze was gestrest en verdrietig.
‘Toen zei Cole dat hij contact met zijn vader had opgenomen, ook al hadden we jarenlang niets van hem gehoord. Hij wilde de zomer ergens anders doorbrengen. Niet bij mij.’
‘En u stemde toe?’
‘Cole wilde het graag. Kevin kwam voorrijden in zijn glanzende auto en pakte hem totaal in. Hij zei de juiste dingen, dat hij het had laten afweten als vader en dat het daarom misschien mis was gegaan met Cole. Misschien dat een zomer samen hem weer in het gareel kon brengen. Hij wilde laten zien dat hij een betere vader kon zijn en wilde Cole de kans geven zijn halfbroer en -zusje te leren kennen. Ik kon het me ook eigenlijk niet veroorloven hem naar zo’n kamp te sturen.’
Ze viel even stil en keek uit het raam. ‘Om eerlijk te zijn, ik was het moe. Hard werken om de rekeningen te betalen, elke dag ruzie. Cole is slim en wil naar de universiteit. Ik had geen idee hoe ik dat moest betalen. Kevin zei dat hij het zou bekostigen. Hij wist altijd precies dat te zeggen wat ik wilde horen. Ik had het kunnen weten. Misschien wist ik het ook wel, diep in mijn hart.’
‘Wat had u kunnen weten?’
‘Dat hij aardig is en alles goed gaat zolang je met hem meepraat, maar dat je het hard voor je kiezen krijgt als je tegengas geeft.’
‘Hoe bedoelt u?’ Jones had het idee dat hij precies wist wat ze bedoelde.
‘Aan het eind van de zomer – Cole zou die dag thuiskomen – stond Kevin bij me op de stoep. Alleen. Hij wilde dat Cole zijn school in The Hollows af zou maken. En als ik dat goedvond, zou hij zijn verdere opleiding betalen. Ik zei nee, want ik wilde mijn zoon terug. Ook al was het in bepaalde opzichten een opluchting dat hij even weg was, ik heb hem verschrikkelijk gemist. Ik voelde elke keer een steek in mijn hart als ik langs zijn kamer liep en zag dat die leeg was.’ Weer welden er tranen op in haar ogen, maar ze had zichzelf al beter onder controle.
‘U hebt kinderen,’ zei ze. ‘Dat kan ik zien. Liefde voor je kinderen overstijgt alles, hè? Het kost je heel wat om ze goed op te voeden, maar man, de liefde die je voor ze voelt, maakt alles goed.’
‘Dat is waar,’ zei hij. En het was ook zo. ‘Werd hij kwaad toen u nee zei?’
‘Niet onmiddellijk,’ zei ze. ‘Hij gaf aan dat hij alleen was gekomen omdat Cole het zo naar zijn zin had in The Hollows. Hij was erg dol op Paula en de kinderen; ze waren zo’n stabiel en liefhebbend gezin. Hij zei het op een manier alsof hij me niet wilde kwetsen, maar dat was precies waar hij op uit was. En het lukte, het hakte er diep in. Ik heb erover gedacht om Cole te laten blijven. Maar nee, hij is mijn zoon. Bovendien had ik hem gesproken en ge-e-maild. Hij had gezegd dat hij me miste en terug wilde komen, dat hij beter zijn best zou doen op school. Ik ken mijn zoon. We maakten wel ruzie, maar diep vanbinnen zat het goed tussen ons. Aan liefde geen gebrek.’
Ze vertelde dat Kevin het leek te accepteren en kort daarna wegging met de mededeling dat hij Cole de volgende dag zou komen brengen. Maar dat gebeurde niet. Ze belde eerst naar het kantoor van Kevin en later die avond zijn mobieltje, maar ze kreeg meteen zijn voicemail. Toen gebeurden er enkele vreemde dingen. Eerst werd het mobiele nummer van Cole afgesloten. En kreeg ze haar e-mails terug, retour afzender. Ze dacht dat hij haar probeerde te ontlopen.
Tot háár telefoon werd afgesloten. Ze belde bij de buren haar telefoonmaatschappij, die zei dat er in hun gegevens stond dat zij had gebeld om haar nummer op te zeggen; degene die gebeld had, had haar burgerservicenummer en haar wachtwoord geweten. Het zou een paar dagen duren voordat ze haar nummer weer had.
‘Toen sloeg de angst toe,’ zei ze. ‘Ik ben in mijn auto gestapt om naar The Hollows te rijden. Ik ging mijn zoon terughalen. Ik had de voogdij en ik zou vechten voor mijn zoon. Alles kwam weer terug: hoe Kevin was, waarom ik bij hem was weggegaan. Hij was koud. Door en door koud. Ik bedoel, hij heeft geen gevoel. Mensen veranderen niet. Hoe had ik dat kunnen vergeten?’
‘Je wilt altijd het beste van mensen denken,’ zei Jones. ‘Zo gaat dat.’
Het leek alsof ze hem niet hoorde. Haar gezicht was bleek van ongerustheid en haar woorden tuimelden haar mond uit alsof ze ze te lang binnen had gehouden.
‘De volgende dag wilde mijn auto niet starten. De monteur die hem kwam wegslepen, zei dat het moederbord, het elektrische controlepaneel van de auto, was doorgebrand en dat de reparatie dagen zou duren en duizenden dollars zou kosten.’ Ze schudde haar hoofd alsof ze het nog steeds niet kon geloven. ‘Ik was volslagen in paniek. Ik heb me drie dagen ziek moeten melden op mijn werk.’
Jones dacht aan wat hij al wist van Robin O’Conner. ‘Dus u raakte uw baan kwijt.’
Hij dacht dat ze weer zou gaan huilen, maar dat gebeurde niet. ‘Ik had te vaak verzuimd door mijn problemen met Cole. Ik zat op de schopstoel en ik denk dat Kevin dat wist. Misschien heb ik het hem zelfs wel verteld.’
‘Dus daar zat u dan, zonder baan, zonder telefoon, zonder auto.’
‘Ik had nog maar weinig bestedingsruimte op mijn creditcards. En ik had weinig spaargeld. Ik ben nooit goed geweest met geld. Ik heb altijd van salaris naar salaris geleefd.’
Veel mensen balanceerden net als zij op het randje; één duwtje en hun leven begon aan een vrije val.
‘Ik wist dat ik die maand mijn huur niet zou kunnen betalen. Ik had de laatste paar jaar al vaker niet op tijd betaald. De beheersmaatschappij zei dat ze geen consideratie meer kon hebben.’
‘Dus hebt u uw appartement verlaten en bent u hier ingetrokken?’
Hij keek door het raam naar het motel en toen naar de vrouw die tegenover hem zat. Ze was een goede moeder en een harde werker; tenminste, zo kwam ze op Jones over. Precies wat de eigenaresse van het motel had gezegd. Hij vond het erg. Net als ieder ander wilde Jones geloven dat mensen die aan lagerwal raakten dat verdienden, dat ze fouten hadden gemaakt waardoor ze op een plek als het Regal Motel belandden.
‘Kevin kwam me opzoeken, net op het moment dat ik op mijn dieptepunt zat. Net op het moment dat ik een lift kon krijgen van een vriendin om een scène te gaan schoppen bij hem thuis en de politie te bellen.’
‘Waarom hebt u dat niet meteen gedaan?’
‘Wat? De politie bellen en een scène schoppen?’
‘Ja.’
Ze keek hem aan alsof hij achterlijk was. ‘Vanwege Cole. Ik wilde niet dat hij mij door het lint zou zien gaan. Hij had voor zijn vader gekozen.’
‘Dat was wat Kevin zei.’
Ze wierp hem een vluchtige blik toe en keek vervolgens naar het tafelblad. Dat was schoon, brandschoon, alsof het net was afgenomen. ‘Hij vroeg me hoe ik voor Cole wilde gaan zorgen zonder baan en zonder auto. Wilde ik dan niet dat hij in een fijn gezin was en in een fijn huis woonde? Wilde ik dan niet dat hij naar school ging? Natuurlijk wilde ik dat. Dat wilde ik allemaal voor Cole.’
‘Dus u hebt Cole zomaar losgelaten? Ook al had u reden genoeg om aan te nemen dat Kevin uw telefoon had laten afsluiten en uw auto had vernield?’
Ze zei niets, maar rechtte haar rug en keek hem met haar donkere ogen aan. ‘Moet u luisteren. Ik heb helemaal niemand. Mijn moeder zit in een verzorgingstehuis in Florida en ik heb het me al ruim een jaar niet kunnen veroorloven haar op te zoeken. Ze was een alleenstaande moeder en het enige wat ze me kon geven was haar liefde en haar geloof in mij. Daarmee kom je niet op de universiteit. Als ik geld had gehad voor een goede opleiding, had ik niet de rest van mijn leven de ene stomme baan na de andere hoeven aan te nemen. Voor Cole wilde ik iets beters. Hij is slim, veel slimmer dan ik. Hij verdient een zetje in de goede richting.’
Wat ze zei, klonk logisch, maar het waren niet de woorden van een vechter. Ze had zichzelf opgegeven. Ze had geen hoge dunk van zichzelf of van wat ze kon. Een perfecte prooi voor iemand als Kevin Carr. De zon kwam achter de wolken vandaan en wierp melkwit licht naar binnen. Ze draaide haar gezicht naar het raam, als een bloem die de zon zocht.
‘Hij was de prins op het witte paard, de droom van elk meisje, tot ik zwanger werd. Knap, rijk, intelligent. Verder kijk je niet, tot het te laat is. Pas als je ouder wordt, komt het besef dat alleen vriendelijkheid telt, de moed om lief te hebben en liefde te ontvangen. De rest is een leugen.’
Al die tijd was er geen auto voorbijgereden en was er niemand uit de keuken naar voren gekomen om te zien wat ze aan het doen was. Ze leek zo klein en jong. Hij zou haar mee naar huis willen nemen, onder de wol willen stoppen, een kopje thee willen brengen.
‘Wilt u uw zoon terug?’ vroeg hij.
Ze haalde diep adem; in haar ogen las hij een mengeling van hoop en vrees. ‘Zeker.’
Hij vertelde haar wat Paula Carr had gezegd, dat ze wist dat wat Kevin over Robin had gezegd niet waar kon zijn omdat Cole zo’n goeie jongen was. Hij vertelde dat Paula had gezegd dat Cole verdrietig was en zijn moeder miste.
‘Ik heb Cole niet zomaar losgelaten,’ zei ze. Ze veegde de tranen uit haar ogen met het servet dat gevouwen op tafel lag.
‘U was bang voor Kevin.’
‘Ja.’
‘Heeft hij u pijn gedaan?’
Ze schudde het hoofd. ‘Hij wordt niet gewelddadig. Hij heeft iets vreemds, iets wezenloos, een beetje alsof hij tot alles in staat is om te krijgen wat hij wil. Toen hij in mijn appartement was, was ik doodsbenauwd. Ik zou u niet kunnen zeggen waarom. Hij heeft me nooit bedreigd of geweld gebruikt.’
Jones wist dat het die wezenloosheid was die zoveel angst inboezemt. Als je een sociopaat in de ogen kijkt, zie je het masker of tuur je in de afgrond. Dat maakt ze zo angstaanjagend, de afwezigheid van iets warms of vertrouwds, iets menselijks.
‘Paula was ook bang voor hem,’ zei Jones.
‘En nu is ze weg,’ zei ze.
Jones voelde de drift in zich opkomen die hij met zoveel moeite in toom hield. Het leek hem tijd worden Kevin Carr met een bezoekje te vereren.
‘Hoelang kunt u hier nog blijven?’ vroeg hij.
‘Ik weet het niet,’ zei ze. Ze bette haar ogen nog een keer droog. ‘Ik eet al van Patty’s genadebrood.’
‘Nou, de bediening hier is uitstekend,’ zei Jones. Hij had een briefje van honderd in zijn portemonnee, zijn wekelijkse ‘toelage’. Hij gaf het haar; zijn vrouw zou het vervelend vinden, maar wel typisch iets voor hem. Trouwens, hij wist dat zij hetzelfde zou doen.
‘Dat kan ik niet aannemen,’ zei ze en ze schoof het briefje terug.
Maar hij was al opgestaan. ‘Blijf hier tot ik u bel. Hiermee zingt u het nog wel een paar dagen uit, hè?’
Ze keek verdrietig naar het geld. ‘Dank u,’ zei ze. ‘Heel erg bedankt.’
‘Ik neem contact op,’ zei hij en hij liep naar de deur.
‘Brengt u hem bij me terug?’
Hij hield er niet van iets te beloven. De sterren zwoeren samen tegen alle heldhaftige beloften die hij zo graag zou willen doen. ‘Ik ga het proberen.’
Meer kon hij niet doen, dat wisten ze allebei.