17

In het halfduister zochten Jones en Henry hun weg tussen de bomen. Nadat iedereen vertrokken was, had Jones aan Henry gevraagd of hij zin had in een wandeling. En dat had hij wel.

‘Het kan nooit kwaad om te weten wat zich in het bos achter de school afspeelt,’ had hij gezegd.

Naarmate ze dieper in het bos doordrongen in de richting die Willow Graves had aangegeven, begon er diep vanbinnen iets te knagen bij Jones. Zoals hij Eloise al te verstaan had gegeven, geloofde hij niet zo in toeval en hij vond het vervelend als iets zich als toeval voordeed. Na de ontmoeting op de begraafplaats was hij dan ook geërgerd, uit zijn evenwicht gebracht. Allereerst door die jongen, Cole Carr. Hij had een paar uur eerder nog met de stiefmoeder van de jongen gesproken, die hem had gevraagd zijn echte moeder op te sporen. Dan was er Michael Holt, door Willow Graves betrapt terwijl hij diep in het bos iets aan het opgraven was. Het dossier van de onopgeloste zaak van Holts moeder lag op de passagiersstoel van Jones’ auto. Willow Graves was een van de cliënten van zijn vrouw; hij had het meisje en haar moeder, Bethany Graves, diverse malen zien komen en gaan. Daar stond tegenover dat The Hollows maar een klein stadje was. Maar wel een met een eigen karakter. Jones Cooper was niet bijgelovig, maar soms leek het alsof The Hollows ervoor zorgde dat wegen elkaar kruisten.

Henry en Jones hadden al honderden keren in het bos gelopen, ondanks de nooit aflatende waarschuwingen van ouders en docenten over verlaten mijnen en verkrotte bouwsels die her en der op het terrein verspreid stonden. In hun jeugd ging iedereen erheen om te drinken en te roken en een beetje te rotzooien. En ook om iets te beleven, om aan het oog van het gezag te ontsnappen, om in een fantasiewereld te leven. Het had iets, de ruisende rust van de oude bomen, de koelte, het gefilterde licht door het bladerdak. Dat je plotseling op een vervallen schuur of een oud huis kon stuiten. En ja, die mijnen, natuurlijk.

Er was in The Hollows geen jongen die zich niet ooit in zo’n levensgevaarlijke gang had gewaagd. De meesten kwamen er ongedeerd uit, nam hij aan. Maar toch, sinds hij vader was, en sinds hij in zijn hoedanigheid als rechercheur twee keer een jongen had gered na een val in een diep gat, was hij er niet meer zo gerust op dat het wel goed zou aflopen. Maar dat is de hypocrisie van de volwassenen: je wilt nooit dat de kinderen om wie je geeft de dingen doen die je zelf deed toen je nog geen idee had hoe broos het leven is. Hij was streng geweest voor Ricky, té streng, alleen maar omdat hijzelf zoveel fouten had gemaakt vroeger; fouten waar hij een hoge tol voor had betaald, fouten die levens hadden geëist.

‘Het is lang geleden dat ik hier ben geweest,’ zei Henry. ‘Dat zijn van die dingen die je niet meer doet als je volwassen bent; net als zonder duidelijk doel rondlopen, buiten zijn om het buiten zijn.’ Henry stapte vrolijk voort, hij leek energie van het lopen te krijgen, terwijl Jones buiten adem raakte. Hij gaf Henry geen antwoord, want hij wilde niet dat Henry zou horen dat hij lucht tekortkwam.

‘En, waar wilde je over praten, Jones?’

Jones bleef staan en deed alsof hij om zich heen keek, eerst naar de bomen en vervolgens naar de donker wordende hemel boven zich. De lucht was koel maar vochtig; er was regen op komst.

‘Nou,’ zei hij toen hij weer wat makkelijker kon ademen, ‘ik wilde het eigenlijk over Marla Holt hebben.’

‘O,’ zei Henry. Er verschenen rimpels in zijn voorhoofd. ‘Echt? Wat wil je weten?’

‘Herinner je je de dag van haar verdwijning?’

‘Jazeker.’ Henry wreef over zijn achterhoofd. ‘Dat is een flinke tijd geleden. Ze liep weg. Ze liet haar kinderen in de steek en ging er met iemand anders vandoor.’

Jones hoorde kardinalen boven zijn hoofd. Ze lieten hun alarmroep horen, een soort sst-sst-geluid dat de andere vogels waarschuwde stil te zijn of beschutting te zoeken. Hij keek omhoog om te zien of hij een flits van hun rode veren kon opvangen, maar ze hadden zich goed verstopt. Boven de boomkruinen cirkelden twee roofvogels.

‘Ik weet nog dat ik er met je over heb gepraat, Henry,’ zei Jones. ‘Je woonde toen maar een paar deuren verder.’

‘Dat klopt,’ zei Henry. Hij sloeg zijn armen om zijn middel. ‘En meer dan één keer, herinner ik me. Het was je eerste zaak.’

‘Er deden geruchten de ronde.’

‘Dat weet ik, ja,’ zei Henry. Hij keek naar de grond en wroette met de punt van zijn bruine leren schoen in de bladeren. ‘Maar Marla en ik waren gewoon vrienden, als je het al zo kunt noemen.’

‘Fris mijn geheugen even op.’

Henry glimlachte beleefd, maar zijn ogen lachten niet mee. ‘We gingen regelmatig samen joggen. Ik was haar op een avond op straat tegengekomen. Ze liep voor me, maar verzwikte haar enkel en viel. Ik heb haar geholpen thuis te komen en zo raakten we bevriend. We gingen af en toe lopen ’s avonds, als haar kinderen in bed lagen en haar man thuis was van zijn werk.’

‘En dat vond Mack Holt geen probleem?’ vroeg Jones.

In de beginjaren van zijn huwelijk met Maggie was Jones niet al te blij geweest met de band tussen Henry Ivy en zijn vrouw. Maggie en Henry waren al sinds de middelbare school dikke vrienden. Jones had geen vrouwelijke vrienden en hij had niet begrepen waarom zij Henry nodig had. Maggie had geen concessies gedaan. Ze had gezegd: ‘Een man die zijn vrouw vraagt haar vrienden op te geven, zal haar op den duur vragen andere belangrijke delen van zichzelf op te geven.’ In de loop der jaren had Jones hun vriendschap leren accepteren.

Henry haalde zijn schouders op. ‘Als hij het al een probleem vond, heeft ze daar nooit iets over gezegd.’

‘Koesterde je gevoelens ten opzichte van haar?’

Henry rolde met zijn ogen en glimlachte flauwtjes. ‘Kom op, Jones. Zo’n sexy vrouw. Iedereen koesterde gevoelens ten opzichte van Marla Holt. En hoe oud was ik... vijfentwintig? Net begonnen als leraar op Hollows High. Geen zelfvertrouwen en nog minder geld. Ze was onbereikbaar. Ik kon amper geloven dat ze met me wilde praten.’

Henry liep weer verder, gevolgd door Jones.

‘Heeft ze je ooit in vertrouwen genomen?’

‘Waarover? Een affaire, plannen om ervandoor te gaan? Nee. Ik klopte bij haar aan voor ons donderdagavondrondje. Ze zei dat haar man niet thuis was en dat ze voor de baby moest zorgen. We hebben even staan kletsen en toen ben ik naar huis gegaan.’

‘Ik herinner me de telefoonlijsten. Jij, of iemand anders, had haar vanaf school gebeld.’

Jones zag dat Henry een rood hoofd kreeg; het was moeilijk te zeggen of het van inspanning of gêne was.

‘Ik heb inderdaad geprobeerd haar te bellen.’ Henry zuchtte en schudde het hoofd. ‘Ze deed vreemd aan de deur, alsof ze ergens door van streek was. Ik maakte me eerlijk gezegd zorgen. Een paar dagen later hoorde ik dat ze vermist werd.’

‘Je bent nooit verdachte geweest, Henry. Ik ben je niet aan het ondervragen.’

‘Echt waar? Ik vind dat je me behoorlijk aan de tand voelde toen. En nu voelt het niet veel beter.’

‘Je was een beetje verliefd op haar, toch?’

‘Een klein beetje, ja. Maar ik zou er nooit werk van gemaakt hebben. Een getrouwde vrouw met kinderen. Zo ben ik niet. Ook toen ik jong was, was dat niet mijn stijl.’

Jones wist dat hij de waarheid sprak. Henry Ivy was een integer mens. Hij at regelmatig bij hen, had Ricky staan aanmoedigen bij de basketbalcompetitie en hij had aanbevelingsbrieven voor de universiteit voor hem geschreven. Soms kwam hij zelfs op Thanksgiving, als hij om de een of andere reden niet weg kon naar Florida om zijn ouders te bezoeken. Ze waren al ontzettend lang bevriend. Maar Jones wist ook dat Henry altijd een beetje verliefd was geweest op Maggie. En dat hij, voor zover Jones wist, nooit een serieuze relatie met een vrouw had gehad. Hij vroeg zich af waarom Henry altijd een vrouw wilde die hij niet kon krijgen. Misschien was dat gewoon pure pech. Maar het kon ook aan iets anders liggen.

‘Wat kun je je verder nog van haar herinneren?’

Henry bleef staan en stak zijn handen in zijn zakken. ‘Ik vond haar de meest trieste vrouw die ik ooit was tegengekomen. Ze leek me eenzaam. Wezenlijk eenzaam, alsof ze nooit niet eenzaam zou kunnen zijn, hoeveel liefde en aandacht ook. Begrijp je wat ik bedoel?’

Henry’s observatie deed Jones denken aan zijn moeder. Abigail Cooper was een bodemloze put van behoeften geweest; wat je haar ook gaf, het was nooit genoeg. Hij was het blijven proberen tot op de dag dat ze was gestorven.

‘Ik begrijp heel goed wat je bedoelt.’

‘Ik weet niet wat er met Marla Holt is gebeurd, Jones.’

Ze stonden aan de rand van een open plek. Een beetje aan de rand van de open plek stond een enorme, bouwvallige schuur, die een soort ontmoetingspunt was geworden. De plaatselijke bevolking noemde die plek de Kapel. Hij dankte zijn naam aan de wijze waarop het zonlicht door de gaten in het dak naar binnen viel en met gouden stralen tot in het duister priemde, en aan de graffiti-fresco’s op de zoldering. Iedereen was er in de loop der jaren wel eens geweest, hoewel de schuur eruitzag alsof het op instorten stond. Feestjes, vrijpartijen... een paar jaar geleden had de politie van The Hollows er een wild schuurfeest onderbroken. Zelfs van deze afstand kon Jones zien dat de grond bezaaid was met flessen en blikjes.

De goudgele vlekken in het gras waren kogelhulzen. Men hield hier van oudsher nogal van wapens, en dit was een goede plek om een paar schoten te lossen en jongeren te leren een fles van de muur te schieten. Het was een van de dingen die de gespannen verhouding voedde tussen de rijke nieuwkomers, die zich hier in de afgelopen tien jaar hadden gesetteld, en de oorspronkelijke bevolking, die hier al generaties lang woonde.

‘Waar ben je naar op zoek, Jones?’

Henry liep naar het midden van de open plek en hurkte om een huls op te rapen. Hij hield hem in het licht van Jones’ zaklamp.

‘Ik vraag me af wat Michael Holt hier aan het doen was,’ zei Jones.

‘Hij is speleoloog en organiseert hier en in een paar andere mijnstadjes rondleidingen. Ik geloof dat hij bezig is met een boek.’

Dat was Jones nog niet ter ore gekomen. ‘O ja. Ken jij een verhaal over een mijngang waar een lichaam begraven zou liggen?’

Henry schudde zijn hoofd. ‘Nee.’

‘Ik ook niet,’ zei Jones. Jones wist veel over het verleden en het heden van The Hollows, meer dan de meeste mensen. ‘We wonen hier al zo lang. Ik heb het idee dat we dat verhaal dan wel een keer gehoord zouden moeten hebben.’

‘Ik kan wel wat onderzoek doen,’ zei Henry.

Jones keek Henry aan. ‘Dat zou geweldig zijn, als je de tijd hebt.’

‘Met alle plezier. Zoals je weet ben ik een geschiedenisfanaat, vooral als het over deze streek gaat.’

Arme Henry, dacht Jones. Hij zag er best goed uit, maar hij had zich nooit helemaal kunnen bevrijden van zijn imago van stuudje.

‘Iemand zou het initiatief moeten nemen de boel een beetje op te ruimen hier,’ zei Henry, zomaar uit het niets. Hij schopte tegen een lege wodkafles. Het etiket was grotendeels onleesbaar, maar Jones kon zien dat de fles van de Old Mill Bar kwam, waar ook zelfgestookte drank werd verkocht. Echt verschrikkelijk spul, waar je subiet een knallende koppijn en bedorven maag van kreeg als je er niet aan gewend was. Als puber hadden ze het allemaal gedronken. The Old Mill Bar was de enige plek waar je als jongere sterkedrank kon krijgen. Het was toentertijd algemeen bekend geweest dat ze daar zelfs het knulligste valse identiteitsbewijs accepteerden.

‘Het is privéterrein,’ zei Jones. ‘Het is van de familie Grove en die betalen er nog steeds belasting over; net zoiets als die verlaten boerderij van O’Donnell ongeveer anderhalve kilometer ten noorden van hier. Ook zo’n zootje.’

Ze liepen voorbij de open plek, in westelijke richting. Het meisje had niet met zekerheid kunnen zeggen waar ze Holt had zien graven, ze had de plek zelf ook niet terug kunnen vinden. Jones meende te weten dat er op ongeveer vijf minuten van waar ze nu stonden nog een open plek was.

‘Ik ga maar weer eens terug, Jones, als dat het was.’

Had hij dat knagende gevoel maar niet, dacht Jones. Hij had het jaren geleden, toen ze over Marla Holt hadden gespraat, ook gehad. Henry Ivy was niet helemaal eerlijk. Er was in een periode van drie dagen vijf keer gebeld vanaf Hollows High. Dat is toch vaker dan gemiddeld voor iemand die bezorgd is over zijn hardloopmaatje.

‘Denk even met me mee, Henry. Ik vermoed dat de politie de zaak gaat heropenen. En mochten ze dat niet doen, dan is er nog die jongen van Holt, die Eloise Montgomery en Ray Muldune heeft ingehuurd.’

Daar was het. Er flitste iets over het gezicht van Henry en hij sloot kort zijn ogen. ‘Goed,’ zei hij. Hij kneep zijn lippen samen tot een dunne streep, alsof hij al aan het nadenken was, en knikte. ‘Zal ik doen.’

In de verte rommelde de donder, ongewoon voor de tijd van het jaar.

‘Het lijkt erop dat we regen krijgen,’ zei Henry.

‘O ja?’

Ze keken allebei omhoog. Nog even en het daglicht zou verdwenen zijn.

‘Ja, ze zeggen dat we zware buien krijgen.’

‘Nou,’ zei Jones, ‘dan zou ik maar gaan als ik jou was.’

Henry draaide zich om en zette er de pas in. Jones voelde er weinig voor iemand tegen het lijf te lopen hier, in zijn eentje in het donker. Hij had zijn zaklamp bij zich, maar hij had niet meer dagelijks een wapen op zak. Niet dat hij bang was. Het was meer zo dat iedereen die in The Hollows opgroeide een gezond ontzag voor deze bossen had. De waarschuwingen en griezelverhalen van vroeger bleven een leven lang naklinken. Als kind was je er doof voor, maar de stemmen lieten zich niet verjagen en lieten weer van zich horen als je oud genoeg was om beter te weten.

..

Pas toen hij weer op de weg stond, besefte Henry dat hij naar school terug moest lopen. Hij was met Bethany Graves meegereden en was van plan geweest met Jones Cooper terug te rijden. Het was geen lange wandeling, niet eens een kilometer. Maar Henry had het gevoel dat hij altijd in zijn eentje terug moest lopen als hij ergens was geweest. Niet dat hij aan zelfmedelijden leed. Het leek alleen vaste prik.

Hij volgde de berm. Het enige wat hij hoorde waren zijn eigen stappen, die knerpten op de aarde en de steentjes onder zijn voeten. Hij dacht erover te gaan joggen, maar hij had zijn gewone kleren aan. Ze zouden het maar raar vinden als ze hem zouden zien. Daar zat hij niet op te wachten. Als vrijgezelle 45-plusser vonden ze hem toch al raar hier. Of meelijwekkend. Of homo. Wat hij niet was.

Hij had Marla Holt ontmoet op een avond op de overgang tussen lente en zomer. Zo’n avond dat de lucht vol pollen zit en warmer is dan hij eigenlijk moest zijn. Het was zo vochtig dat hij na een paar honderd meter al begon te zweten. De bladeren aan de bomen hadden die frisse, heldere jonge kleur groen die de belofte van een lange, lome zomer in zich droeg. Dat was een van de vele dingen die hij fijn vond aan het beroep van leraar, dat hij zich kon verheugen op de seizoenen. Nu wachtte de zomer, met hete dagen en zwembaden, uitjes naar het strand, de belofte flinke vooruitgang te boeken met de roman die hij wilde gaan schrijven. De herfst betekende de opwinding van een nieuw begin, kraaknieuwe leer- en werkboeken, nieuwe boekentassen en schoolkleren. De eerste sneeuw kondigde de feestdagen aan, het kerstspel en het schoolbal. Van al die dingen hield hij, en hij was het nooit kwijtgeraakt, die opwinding over de vaste punten in het jaar, terwijl de jaren hem bepaald niet datgene hadden gebracht waarop hij had gehoopt of wat hij had verwacht. Die roman had hij nooit geschreven, hij was nooit getrouwd en had geen kinderen gekregen. Eigenlijk had hij niets gedaan van wat hij had verwacht te gaan doen.

Hij had haar voor zich zien lopen, in een kalm tempo. Ze rende niet makkelijk, dat kon hij wel zien. Sommige mensen, lang en licht, met grote longen en een dun lijf, leken gemaakt voor snelheid. Anderen, zoals hijzelf, zoals de vrouw vóór hem, moesten hard werken voor elke kilometer, voelden elke stap. Hij hield in, want hij wilde haar niet passeren. Het was zo ontmoedigend als mensen je inhaalden, je met gemak achter zich lieten. Hij had er een hekel aan iemand te kwetsen, zelfs iemand die hij niet kende, iets te doen wat de meeste mensen zonder erover na te denken zouden doen. Het volgende ogenblik zag hij haar met een kreet van schrik en pijn vallen. Hij versnelde zijn pas tot hij naast haar stond.

‘Gaat het?’

Ze keek naar hem op en vervolgens naar haar enkel. ‘Ja hoor, niets aan de hand. Zo suf. Ik val altijd.’

Hij stak zijn hand uit, maar ze schudde nee en duwde zichzelf overeind. Ze strompelde een rondje. ‘Ik ga proberen of ik het eruit kan lopen,’ zei ze, maar hij kon zien dat ze pijn had.

‘We zouden er wat ijs op moeten doen,’ zei hij. ‘Om zwelling tegen te gaan.’

‘Dat is aardig van je, maar ik denk dat het wel gaat.’

Hij wees achter zich. ‘Ik woon vlakbij, laat me gauw wat ijs voor je halen.’

Ze glimlachte hem gegeneerd toe en toen zag hij voor het eerst hoe mooi ze was. Het was meer dan de optelsom van haar gelaatstrekken, haar voluptueuze lichaam, haar roomblanke huid. Het was meer dan dat. Ze stak haar hand uit.

‘Weet ik. We zijn buren. Ik ben Marla Holt. Henry Ivy, toch?’

Hij nam haar hand in de zijne en voelde een soort warmte opgloeien vanbinnen.

‘Mijn zoontje Michael is pas nog bij je aan de deur geweest,’ ging ze verder. ‘Je hebt wat snoep van hem gekocht ten bate van zijn basketbal-team. Ik heb nog vanaf de stoep naar je gezwaaid.’

‘Natuurlijk,’ zei hij. Hij kon zich haar zoontje nog herinneren: opvallend zwarte ogen en erg lang voor zijn leeftijd. ‘Natuurlijk.’

‘Toen was ik geen zwetend hoopje mens op de grond.’ Ze had een heerlijke lach, vol zelfspot, maar tegelijkertijd verleidelijk. Hij had haar die avond thuis gebracht. Daarna, zonder dat ze iets hadden afgesproken, ontmoetten ze elkaar op straat en liepen ze samen hun kilometers. Het was prettig en gezellig. Ze raakten bevriend. Had het maar zo kunnen blijven.

Hoe dan ook, het was allemaal lang geleden. Zo nu en dan dacht hij aan haar en vroeg hij zich af waar ze naartoe was gegaan en met wie. Hij had niet gedacht dat ze het soort vrouw was die haar kinderen in de steek zou laten. Maar ja, wat wist hij nou van vrouwen?

Hij liep het pad naar de achteringang van de school op en ging naar zijn kantoor. Daar raapte hij zijn papieren bij elkaar, inclusief het dossier van Willow Graves. Hij sloot zijn deur, draaide hem op slot en liep de gang af. Hij had het gevoel dat hij zijn hele leven al door deze gangen liep. Hij ging naar de sportschool en dan naar huis om te eten, zoals praktisch elke avond.

Qua vrouwen was het al een poosje stil. De laatste vrouw die hij op Match.com had ontmoet, had hem de zin een beetje ontnomen. Niet dat er iets mis was geweest met haar of met de andere vrouwen die hij in de loop der jaren via datingbureaus had ontmoet. Maar er was wel iets mis met hun profiel. Henry was altijd heel nauwgezet in hoe hij zichzelf beschreef: zijn interesses, zijn hobby’s, wat hij zocht in een partner. Want wat schoot je ermee op als je loog? Wat schoot je ermee op een verkeerde voorstelling van zaken te geven die je in werkelijkheid toch niet waar kon maken?

Onderweg naar de sportschool dacht hij na over Jolie Marsh, Cole Carr en Willow Graves. Als leraar, als iemand die eraan gewend was om scholieren in de klas en in de kantine uit elkaar te zetten om geklier en ruzie te vermijden, had hij onmiddellijk door wat een slechte combinatie van persoonlijkheden was. Het had met chemie te maken. Sommige mensen gingen goed samen, andere slecht. Jolie was een meisje met kwellende problemen, en vanuit dat gevoel handelde ze, wat moeilijkheden veroorzaakte voor haarzelf en anderen. Willow was een meeloper, de ideale sidekick. En Cole Carr? Dat was Henry nog niet duidelijk. Cole was rustig, geen slechte leerling. Hij ging om met verkeerde types, zoals Jeb Marsh, de oudere broer van Jolie. Jeb was een van de leerlingen die Henry kwijt was geraakt; hij was een schoolverlater die nu bij het tankstation werkte en, als de geruchten klopten, dealde in hasj, lsd en xtc.

Cole Carr had tot nu toe geen problemen gehad op Hollows High. Al zijn docenten zeiden dat hij slim was en zijn werk deed. Meerdere docenten hadden gezegd dat hij kon uitblinken als hij zich erop toelegde. Maar daar leek hij geen zin in te hebben; hij deed net genoeg om een voldoende te halen. Henry had het idee dat er problemen waren thuis. De jongen had een blik in zijn ogen – hopeloos, triestig – die Henry vaker had gezien.

Hij vroeg zich af of hij er verkeerd aan had gedaan Willow schappelijk te behandelen, of hij zich niet had laten imponeren door Bethany Graves, die voor hem een soort beroemdheid was. Je zat niet elke dag tegenover een bestsellerauteur. Maar dat was niet het enige geweest. Hij had haar echt aantrekkelijk gevonden, de klank van haar stem, haar geur. Ze was een goede moeder, lief voor Willow, maar niet slap of te toegeeflijk. Hoe dan ook, zo iemand was niet voor hem weggelegd. Toch? Hij wilde niet eens meer hoop koesteren. Als het om vrouwen ging, was die oude zegswijze nog altijd even waar: aardige mannen tellen niet mee.

In de sportschool liep hij vijf kilometer binnen de vijfentwintig minuten. Daarna kwam de krachttraining. De andere mannen waren allemaal twintigers, fanatiek, met de stevigheid behorend bij een jeugdige leeftijd. Henry wist dat hij in goede conditie was en dat hij zich niet hoefde te generen om zijn shirt uit te trekken. Maar hij voelde zich nog steeds het broodmagere knulletje dat hij op de basisschool was geweest, een magneet voor pestkoppen. Hij vroeg zich af of hij hun sarrende opmerkingen ooit zou kunnen vergeten. Als hem was gezegd dat die beledigingen hem als veertiger nog steeds zouden steken, zou hij het niet hebben geloofd. Misschien, als hij weg was gegaan uit The Hollows, als hij niet op Hollows High was blijven hangen, als hij een ander leven had gekregen, zou het verleden hem niet voortdurend hebben achtervolgd. Misschien.

Onderweg naar huis belde hij Maggie Cooper, met wie hij al vanaf zijn jeugd was bevriend en die, hoewel ze het niet wist, zijn grote liefde was.

‘Ik had vandaag wat problemen met Willow Graves,’ vertelde hij haar. Bethany Graves had hem gevraagd dr. Cooper te bellen en haar bij te praten vóór ze Willow morgen zou zien.

‘O?’ zei Maggie. ‘Ze doet het goed bij mij. Ik had het gevoel dat we vooruitgang boekten.’

Henry bracht haar op de hoogte van de gebeurtenissen van de laatste paar dagen: het voorval met meneer Vance, het spijbelen, de stiekeme trip naar het bos.

‘We zullen het er morgen over hebben,’ zei ze.

‘Hoe dan ook, het lijkt erop dat Jones weer in het zadel zit,’ zei Henry. ‘Bij wijze van spreken.’

‘Pardon?’

Henry wachtte even. Ze moest het toch weten? Had hij voor zijn beurt gesproken?

‘O, je bedoelt het onderzoek naar die onopgeloste zaak,’ zei ze toen. ‘Marla Holt. Hij is ermee in zijn sas. Ik denk dat het hem goed zal doen.’

Henry reed zijn oprit op. Boven de garage hing de basketbalring uit zijn schooltijd. Hij had hem onlangs een lik verf gegeven en er een nieuw net in gehangen. Hij had hem al eeuwen niet meer gebruikt, maar uit sentimentele overwegingen kon hij zich er niet toe zetten hem weg te halen.

‘Hij kwam langs omdat hij wat vragen had en hij is met ons meegegaan naar het bos om de kinderen te zoeken. Het was net als vroeger.’

‘Mmm,’ zei Maggie. Het klonk alsof ze een slok nam van iets. ‘Hoe laat was dat?’

‘Vanmiddag, tegen vijven.’

‘Mmm,’ zei ze weer. Maar nu klonk het anders.

‘Wat is er?’ vroeg hij.

‘O, niets. Ik dacht dat hij vanmiddag nog een afspraak had.’

‘O, o,’ zei Henry. ‘Heb ik de arme kerel in de problemen gebracht?’

Hij verwachtte dat ze erom zou moeten lachen, maar dat gebeurde niet.

‘Nee,’ zei ze. ‘Niets aan de hand.’

In de loop van hun meer dan twintigjarige huwelijk was het niet altijd even soepel gegaan tussen Jones en Maggie. Maar ze waren zo’n stel dat zo overduidelijk bij elkaar hoorde – verliefd, trouw en bestendig – dat Henry zich de een niet kon voorstellen zonder de ander, hoewel hij het zich in het verleden wel eens anders had gewenst.

Ze veranderde van onderwerp. ‘Heb je Marla Holt gekend?’

‘Een beetje,’ zei hij. ‘We waren buren. We gingen soms samen joggen.’

Toen besefte hij dat hij zijn vriendin had gebeld om te praten, om te zeggen dat er meer was. Hij wilde het aan haar vertellen en haar reactie horen. Maar de woorden kwamen niet. Het werd een gesprek over de bekende ditjes en datjes, en een plan om aan het eind van de week samen koffie te drinken op hun oude plek. Toen hij had opgehangen, bleef hij nog een tijdje in de auto op zijn oprit zitten, terwijl er van alles door zijn hoofd ging.

..

Jones had de andere open plek bereikt, maar er was niets te zien, dus draaide hij zich om en keerde terug. Hij liet zijn zaklamp op de grond voor zich gericht. Het was donker en de wereld leek de adem in te houden. Hij hoorde geen vogels of het geluid van kleine dieren die voor zijn voeten wegvluchtten. Als het zomer was geweest, zou de nachtlucht hebben gebruist van leven.

Een van de gevaren hier waren de verlaten mijnen. De donkere ingangen waren zo verleidelijk dat onderzoekende jongetjes er nauwelijks weerstand aan konden bieden. Maar ook de bewoners waren een gevaar, de oude families die er een hekel aan hadden als er mensen op hun terrein kwamen.

De nieuwkomers uit de grote stad noemden hen ‘bergbewoners’. Die term deed denken aan ongeschoren tuig in flanellen shirts die in auto’s met vierwielaandrijving reden, hun geweer op de rug gegespt en een fles zelfgestookte drank tussen de benen. Zo was het niet. Maar wel een beetje. De families bezaten enorme stukken land, die ze weigerden te verkopen aan opdringerige projectontwikkelaars. Het waren mensen die geloofden dat Amerikanen het recht hadden wapens te dragen, die ooit hun eigen drank hadden gestookt en die niet van indringers hielden. Tegenwoordig was het probleem meer de laboratoria waar synthetische drugs werden vervaardigd. In zijn tijd bij de politie hadden ze er drie ontmanteld met hulp van de dea en de fbi. Het was een plattelandsprobleem. Die laboratoria stootten zo’n giftige stank uit dat er veel ruimte nodig was om ze ongemerkt te laten draaien. En er was nog ruimte genoeg in The Hollows.

Omdat Jones al zo lang in The Hollows woonde kon hij redelijk goed opschieten met de oude bewoners. Chuck Ferrigno, die voorheen bij de politie van New York had gewerkt, had bekend dat hij moeite had met het leven hier. Ze hadden het in The Hollows niet zo op mensen van buiten, en ook niet op politie, dus Chuck had bij voorbaat al twee punten tegen.

Jones hoorde het ruisen van de Black River, die zich op een kleine anderhalve kilometer van hem af bevond, maar op een rustige avond als deze droeg het geluid ver. Hij kwam weer in de buurt van de Kapel, waar hij langs moest om bij zijn auto te komen. Het begon laat te worden en hij wist niet eens wat hij hier had gehoopt te vinden. Ineens besloot hij toch nog even de open plek op te gaan. Hij liet zijn zaklamp verschillende kanten op schijnen en wenste opnieuw dat hij een wapen droeg. Een paar minuten liep hij doelloos rond, de lichtbundel door het gras volgend. Hij stond net op het punt zich om te draaien, toen zijn zaklamp iets deed oplichten.

Hij kende de open plek goed. Als hij door zou lopen door het hoge gras, zou hij op de fundamenten stuiten van een andere oude schuur, die lang geleden was ingestort of afgebroken. Ergens rechts van hem stond een totaal weggeroest autowrak. Hij kon zich geen mijnschacht herinneren, maar hij bevond zich niet ver van een naar voren springende rotspartij waarin met dynamiet een mijningang was geblazen, wat betekende dat er overal onder hem gangen konden lopen.

Verder lopend zag hij dat het gras met een zeis was weggemaaid. Hij volgde de baan van het afgesneden gras. Het duurde niet lang voor hij het gegraven gat zag. Er was niets bijzonders aan te zien; het leek erop alsof het project was gestaakt.

Wat was Michael Holt hier aan het doen geweest? Als hij niet naar een mijngang had gezocht, waar had hij dan wel naar gezocht? Het verhaal dat Bethany Graves hem had verteld, had hem als onwaarschijnlijk in de oren geklonken. Hij had het nooit eerder gehoord. Er deden veel verhalen en legenden over moordenaars en geesten de ronde in The Hollows. Sommige waren echt gebeurd, andere niet, maar Jones wist zo goed als zeker dat hij ze allemaal kende.

Toen ging zijn telefoon. Hij haalde hem uit de zak van zijn jack en hoefde niet op het schermpje te kijken wie het was. Hij werd nooit gebeld, behalve door Maggie.

‘Hé,’ nam hij op.

‘Waar ben je?’ Haar stem klonk hortend, de verbinding was vol ruis. De ontvangst hier was slecht. Soms viel de verbinding helemaal weg.

‘Op weg naar huis,’ zei hij. Dat was niet gelogen, hij stond op het punt weg te gaan. Hij kon hier niets doen. Hij had geen gereedschap bij zich om het gat verder uit te graven. Het was wel iets om aan Chuck Ferrigno te vertellen. Jones liep naar de rand van het gat en scheen erin met zijn lamp. Alleen aarde, verder niets. Hij had materieel en mankracht nodig om erachter te komen wat er begraven lag.

‘Ik begrijp dat je je afspraak van vandaag niet gehaald hebt,’ zei Maggie. Hij hoorde alleen maar brokstukken van de zin, maar meer had hij niet nodig. Hij hoorde het al aan de toon van haar stem. Ze was kwaad op hem.

‘Nee,’ zei hij. ‘Ik heb hem naar volgende week verschoven.’ Dat was wel een leugen. Hij had niets verschoven. Maar dat ging hij doen. Waarschijnlijk. Zijn mededeling werd met stilte beantwoord.

‘De ontvangst is slecht,’ zei hij. ‘We praten verder als ik thuis ben.’

Nog steeds stilte

‘Maggie. Ben je er nog?’

De lijn was dood. Hij wist niet of de verbinding was weggevallen of dat ze had opgehangen. Alles streepjes op zijn display waren verdwenen, hij kon dus niet terugbellen. Toen voelde hij zich kwaad worden; kwaad omdat zij kwaad was op hem. Het was haar zaak niet, toch, of hij naar therapie ging of niet. Ze kon niet alles voor hem bepalen. Hij was tenslotte haar man, niet haar kind, niet Ricky. Hij kon zelf wel bepalen wat hij nodig achtte.

Het was nu helemaal donker. Hij stopte de telefoon weer in zijn zak en liep naar zijn auto, snel, zonder om te kijken.