19
De kamer had een warme geur, aards en zoet. Het licht was goudachtig. Er stond een bank met grote, zachte kussens, die ze op schoot kon trekken en kon omarmen als een knuffelbeer. Als Willow er binnenkwam, zorgden al deze dingen ervoor – de warme glimlach van dr. Cooper én het feit dat ze haar altijd iets warms te drinken aanbood – dat de spanning uit haar schouders verdween. Ze had het gevoel dat ze daarbinnen makkelijker kon ademhalen dan waar ook ter wereld.
Dat had ze tegen haar moeder gezegd. Hoewel die had geantwoord dat ze daar blij om was, had haar stem iets terughoudends gehad. Willow besefte dat ze Bethany had gekwetst door dat te zeggen, maar ze kon zich niet voorstellen waarom haar moeder zich gekwetst voelde. Ze zei toch niets over háár? En Bethany vroeg zich af waarom Willow nooit wilde praten.
Willow liet zich op de bank zakken en vocht tegen de verleiding in een hoekje te kruipen en in slaap te vallen. Hier voelde het alsof ze alles wat er mis was met haar, buiten de deur kon stallen en dat het niet naar binnen kon komen voor ze uitgerust was. Een uur lang kon ze gewoon zíjn, kon ze gewoon eerlijk zijn.
‘Ik heb gehoord dat je een paar heftige dagen achter de rug hebt.’
Dr. Cooper had al warme chocolademelk voor haar gemaakt en ging in de stoel tegenover haar zitten. Ze had een bepaalde manier van spreken die altijd aardig klonk, alsof ze er alles van wist, maar niet oordeelde. Dat was nieuw voor haar, want Willow had het idee dat ze altijd werd beoordeeld, door haar vrienden, door de docenten, door haar moeder. Dat ze werd beoordeeld en tekortschoot. Hier had ze dat gevoel niet. Het was niet zo dat dr. Cooper haar ermee weg liet komen als ze zich slecht had gedragen. Ze bleef doorvragen, ze wilde weten wat erachter zat, wat Willow dacht, en hoe het beter zou kunnen. Het was soms erg uitputtend om de dingen die ze had gedaan zo onder de loep te nemen. Ze kon er kwaad om worden of gefrustreerd van raken, en soms schaamde ze zich ook. Maar nooit voelde ze zich beoordeeld.
‘Ja,’ zei ze. ‘Best wel.’
‘Wil je erover praten?’
Ze zette de gebeurtenissen van de afgelopen dagen uiteen. Dr. Cooper luisterde op de aandachtige manier die haar eigen was, knikte en maakte zachte, bevestigende geluidjes. Ze onderbrak haar niet, zoals haar moeder altijd deed, met zinloze vragen die haar alleen maar in de war brachten (‘Waarom dacht je dat dat wel kon?’) of met uitroepen waarvoor zij zich schaamde (‘Mijn god, Willow!’). Hier kon ze zich laten gaan. Als ze moest huilen, ging dr. Cooper niet meteen sussen en troosten; ze reikte haar een doos tissues aan en zei dat het goed was om haar emoties te uiten.
‘Wat ging er in je om, Willow? Het lijkt wel alsof je voortdurend aan het weglopen bent: je spijbelt, je glipt de bibliotheek uit om met je vrienden naar die begraafplaats te gaan. Waarvoor ga je op de loop? Wat zoek je?’
Willow haalde haar schouders op. Zo had ze het nog niet bekeken. ‘Ik denk dat ik ruimte voor mezelf zocht.’
‘Wat versta je daaronder?’
‘Nou, net als wanneer je rugzak te zwaar is of je broek te strak zit en je je rugzak af doet of je broek losmaakt, de opluchting die je dan voelt. Zoiets. Dat zocht ik.’
‘Ik weet precies wat je bedoelt.’
Er hing een kristallen prisma voor het raam. Het namiddaglicht dat er doorheen viel, toverde regenboogkleurige vlekjes op de muur ertegenover. Willow zou er graag aan draaien om de regenboogvlekjes als elfjes te laten dansen.
‘Je zei iets soortgelijks toen we het hadden over wat er in New York was gebeurd,’ merkte dr. Cooper op. ‘Je zei dat je uit je lichaam wilde stappen, dat je iemand anders wilde zijn.’
Dr. Cooper was de eerste aan wie Willow het had verteld. Ze was de enige aan wie Willow had verteld over het donkere, boze, dode gevoel dat ze soms had. En dat ze dan voor zichzelf op de vlucht wilde slaan.
‘Het is niet helemaal hetzelfde,’ ging de dokter verder, ‘maar in essentie wel.’
‘Nee,’ zei Willow. ‘Het was minder erg.’
In New York was het een leugen die almaar bleef groeien, die een eigen leven ging leiden en steeds ingewikkelder en moeilijker in de hand te houden werd. Eerst had ze zich er goed bij gevoeld, sterk, bij het verhaal over het concert en de jongen die ze daar had ontmoet. Maar op een gegeven moment was ze het beu geworden. Alleen moest ze ermee doorgaan, ze kon er niet mee stoppen, ook al wilde ze dat wel. De leugen werd groter en groter, tot het een monster was dat haar hele leven opvrat. Toen ze in New York was weggelopen, was ze niet van plan geweest terug te komen.
‘Het is gewoon de school, deze stad, wat iedereen van me verwacht,’ zei Willow toen dr. Cooper bleef zwijgen. ‘Ik wilde gewoon dat er even niet op me werd gelet.’
..
Ze hadden hem willen ontmoeten en vroegen elke dag naar hem. Die jongen, haar denkbeeldige vriendje. Ze had een heel verhaal over hem verzonnen: hij zat op Regis, zijn moeder was gestorven toen hij nog klein was (zo zielig), zijn vader was een workaholic (daar wisten ze allemaal over mee te praten), hij had zijn nichtje meegenomen naar het concert van Britney Spears (zo schattig). Hij heette Rainer, naar de dichter (vet cool). Ze kocht cadeautjes voor zichzelf, die zogenaamd van hem kwamen: een mooie ring, een teddybeer. Ze maakte een nep e-mailaccount aan en stuurde zichzelf berichtjes van hem die ze aan haar vriendinnen kon laten zien. Ze had zelfs een ruzietje verzonnen.
Tot het haar boven het hoofd groeide. Ze overwoog te doen alsof ze het had uitgemaakt, om een dramatische reden. Een ander meisje. Of misschien had ze ontdekt dat hij drugs gebruikte. Dat trok ik niet, zou ze zeggen. En iedereen zou het er van harte mee eens zijn. Dan zou ze weer gewoon Willow zijn. Maar ze kon het niet. Ze wilde het niet. Wie was ze zonder de denkbeeldige Rainer? Ze wist het niet meer. Ze was slim genoeg om te begrijpen hoe sneu het allemaal was. Ze had hem verzonnen, hij bestond niet. En zonder hem was ze verloren.
Onder normale omstandigheden zou ze er met haar moeder over hebben gesproken. Als haar vader, als Richard, er niet vandoor was gegaan. Maar haar moeder was een wrak. Elke avond als ze dacht dat Willow sliep, zat Bethany te huilen. ‘Ik heb ons hele leven naar de kloten geholpen,’ hoorde Willow haar tegen iemand aan de telefoon zeggen. Wat betekende dat? Willow had geen idee.
Tot op een dag die duistere gevoelens opkwamen. Ze begon dingen te denken die ze nooit eerder had gedacht. Ze dacht dat haar moeder beter af zou zijn zonder haar. Als Bethany en Richard geen ruzie hadden gekregen over dat concert, waren ze nu waarschijnlijk nog bij elkaar. En als haar vriendinnen er ooit achter kwamen dat Rainer niet bestond, zouden ze haar vriendin niet meer willen zijn. Dan zouden ze niets meer van haar moeten hebben.
De avond dat ze tegen haar moeder had gezegd dat ze bij Zoë zou blijven slapen en tegen Zoë dat ze een afspraakje had met Rainer, had ze niet eens geweten wat ze zou gaan doen. Ze wilde gewoon weg, zoals ze tegen dr. Cooper had gezegd. Ze wilde uit haar huid kruipen, iemand anders zijn, wie dan ook.
En ze was iemand anders. Nadat ze de hal van hun appartementengebouw had verlaten en de hoek om was geslagen, wist voor het eerst in haar leven niemand waar ze was en wat ze aan het doen was. Ze was niet op school en er was niemand bij haar, geen ouder, vriendin of oppas. Ze was zo vrij als een vogeltje. Ze kon een bus of een trein nemen. Ze kon gaan en staan waar ze wilde. Maar het was helemaal niet zo spannend als ze gedacht had. Tien straten verder was het al eenzaam en beangstigend.
De stad die haar zo vertrouwd was, was ineens lawaaiig en intimiderend. Vreemde mannen wierpen haar verlekkerde blikken toe en auto’s toeterden naar haar. De honderd dollar in haar zak leken plotseling niets voor te stellen. De gebouwen waren hoger en steniger, en ze voelde zich verschrikkelijk klein. Zie liep van het groene, frisse Upper West Side, de lijn van Broadway volgend, dwars door de chaos van Midtown en de hippe rust van de Village. Uiteindelijk belandde ze in de drukte van Chinatown, met dode vissen in kratten vol ijs en aan het spit draaiende eenden achter de ramen en tafels met boeddhabeeldjes en glanzende kristallen lotusbloemen. In SoHo zou ze voor de honderd dollar in haar portemonnee niet eens een zonnebril kunnen kopen.
Ze was misschien niet eens zeven kilometer van huis, maar het hadden er evengoed duizend kunnen zijn. Als ze niet terugging, besefte ze, zou niemand haar vinden. Dat is New York: je bent er nooit alleen en altijd alleen. Je bent een dolende voor het oog van iedereen.
Maar hoe bang en verdrietig ze ook was, ze kon niet naar huis. Ze kon haar moeder of haar vriendinnen niet bellen en zeggen dat ze de hele boel bij elkaar had gelogen. Niet dat het zo wereldschokkend was, het had allemaal veel erger gekund. Het was meer wat het over haar zei: dat ze sneu en zielig was, en alleen, dat ze niet lekker in haar vel zat. Die donkere woede in haar werd sterker en verspreidde zich, tot die niet alleen een deel van haar was, maar haar overnam. Ze had gedacht dat ze het beste maar kon weglopen.
Na uren rondgezworven te hebben, kwam ze bij het Washington Square Park uit. Het was laat en het park was gesloten; je kon er doorheen lopen, maar verder niets doen. Ze bleef staan bij het speelterrein waar haar moeder haar vroeger mee naartoe nam en vlocht haar vingers door het zwarte traliewerk van het afgesloten hek. Ze kon zich niet herinneren dat ze er had geschommeld of op de wip had gezeten of op de wipkip op en neer had gestuiterd. Er waren wel foto’s van. Was ze maar weer zo klein. Dat was een vreemde gedachte voor haar, want meestal verlangde ze er alleen maar naar volwassen te zijn, onafhankelijk, haar eigen baas. Nu had ze het voor elkaar en verlangde ze alleen maar terug naar de tijd dat ze nog een klein meisje was en met haar moeder naar de speeltuin ging.
‘Willow.’
Eerst dacht ze dat ze hallucineerde, dat ze nu echt van God los was. Daar stond haar moeder, met rode ogen van het huilen. Het volgende moment lag ze in haar moeders armen en kwamen ook bij haar de tranen.
‘Hoe wist je dat ik hier was?’ vroeg ze. Ze klemde zich vast aan de rode wollen jas van haar moeder, die bleef huilen en niet meteen antwoordde. Ze liep met Willow naar een bankje en ging zitten. Bethany nam Willows gezicht in haar handen. Willow zag hoe bang en verdrietig haar moeder was.
‘Toen je klein was,’ zei Bethany, terwijl ze haar tranen droogde, ‘zei ik altijd dat je bij dit hek op me moest wachten als we elkaar zouden kwijt-raken in het park en dat je de eerste politieagent die je zag, moest aanspreken. Ik heb de hele avond naar je gezocht. Ik ben overal geweest waar we samen wel eens komen. De laatste plek waaraan ik dacht, was deze. Het was mijn laatste hoop.’
Dr. Cooper had willen weten of Willow zich de instructies van haar moeder had kunnen herinneren, of die herinnering haar onbewust naar het hek van de speeltuin had geleid. Willow had het niet kunnen zeggen.
‘Wat was je aan het doen, Willow?’ vroeg Bethany. ‘Wat wilde je gaan doen?’
‘Ik wilde gewoon weg hier,’ had ze gezegd. Eigenlijk was het een jammerklacht, al haar verdriet en woede uitte zich in een schreeuw.
‘Waar hier?’ vroeg Bethany. ‘Wat bedoel je, lieverd?’
Daarna was het alleen maar erger geworden. Op school werd Willow doodverklaard. Ze versleet een legioen aan psychiaters, de een nog slechter dan de andere. Ze dachten allemaal dat ze suïcidaal was. En als klap op de vuurpijl kwam de mededeling dat ze New York zouden verlaten om te verhuizen naar een plaats die The Hollows heette. Haar moeder had gelijk gehad dat hun leven naar de kloten was. Alleen was dat door Willow gekomen, niet door Bethany.
‘Als ik dat allemaal niet had gedaan, zouden we nu niet hier zijn,’ klaagde Willow tegen dr. Cooper.
‘En wat is er mis met The Hollows?’
‘Het is New York niet. De jongeren zijn allemaal stomkoppen. Provinciaalse losers.’
Dr. Cooper glimlachte. ‘Nee, New York is het niet. Weet je dat ik hier ben opgegroeid? Ik vond het ook een ingedutte boel hier. Ik paste ook niet bij de “stomkoppen”.’
Willows belangstelling was geprikkeld. Ze kon zich moeilijk voorstellen dat dr. Cooper een buitenbeentje was geweest. ‘En wat deed u dan?’
‘Ik ben zo veel mogelijk mezelf gebleven en ik heb hard gestudeerd en goede cijfers gehaald. Daarna ben ik naar New York gegaan, waar ik best een tijd heb gewoond.’
‘En toch kwam u weer terug. Waarom?’
‘Ik werd verliefd. Mijn man had een baan hier en mijn moeder woonde hier ook. We wilden een gezin stichten en dat wilde ik in een veilige omgeving doen. Dus hebben we voor The Hollows gekozen. Jouw moeder wilde hier komen wonen om een veilige omgeving voor jou te creëren. Zodat ze je beter kon beschermen.’
Willow snoof even. ‘Zodat ze me beter kan controleren. Zodat ze me overal met de auto naartoe moet brengen.’
Dr. Cooper haalde kort haar schouders op. ‘Ouders en kinderen zijn het vaak niet eens over wat bescherming en wat controle is.’
Willow liet zich achterover in de kussens zakken en dacht aan Jolie en Cole, aan hoe vrij die waren om te doen wat ze wilden en aan wat ze inmiddels zelf van vrijheid wist. De wereld stak ongelooflijk ingewikkeld in elkaar. Hoe kon je ergens achter komen? Hoe kon je ooit weten waar je goed aan deed? Hoe kon je ooit weten wat je gelukkig zou maken?
‘Ik vind het vreselijk hier,’ zei Willow. ‘Wat een gat.’
Bethany werd meestal woest als ze zulke dingen zei, maar dr. Cooper glimlachte geduldig. ‘Waar je gaat, daar ben je,’ zei ze.
Willow dacht daar even over na. ‘Dat kan ik niet volgen.’
‘Of je nu in New York bent, in The Hollows of op de maan: je blijft altijd Willow. Als je daar gelukkig kunt zijn, kun je overal gelukkig zijn.’ Dr. Cooper glimlachte alsof ze er plezier in had.
Van de weeromstuit glimlachte Willow mee, hoewel ze niet goed wist of ze het er wel mee eens was. New York was supercool. En The Hollows niet. Wat had dat met haar te maken?
Ze maakte haar verhaal af over haar bezoek met Jolie en Cole aan de begraafplaats; ze hadden niet gevonden waarnaar ze zochten; Jolie had gedacht dat zij had gelogen, en nu mocht ze helemaal nooit de deur meer uit.
‘Weet je, ik keur niet goed wat je hebt gedaan. Maar ik zie wel vooruitgang, want hoewel je de neiging had te gaan liegen, koos je ervoor het niet te doen. Daar mag je best trots op zijn.’
Dr. Cooper wist ook dat het liegen al ver voor de leugen over Rainer was begonnen. Willow had haar vriendinnen en haar ouders jarenlang van alles wijsgemaakt. Dat een leuke jongen in de ondergrondse haar een knipoog had gegeven of dat ze steeds dezelfde nachtmerrie had. Ooit had ze een verhaal verzonnen over dat ze bijna beroofd was en dat ze uit de trein had moeten vluchten voor drie crimineeltjes die het op haar rugzak hadden voorzien. Ze wist niet eens waarom ze dat soort dingen zei. Ze vond het spannend om allerlei gebeurtenissen te verzinnen en details in te vullen om het echter te maken. De reacties die het opriep vond ze ook leuk. Het verschilde niet echt veel van wat haar moeder deed, toch? ‘Ja hoor, Willow,’ had haar moeder daarop gezegd. ‘Het grote verschil is dat ik mijn fictie niet voor de werkelijkheid laat doorgaan. Als je graag verhalen verzint, schrijf ze dan op.’
In een van hun eerdere sessies had dr. Cooper gezegd: ‘Het lijkt wel alsof je een fictieve Willow wilt scheppen. Een Willow die aandacht van jongens krijgt. Een Willow die aan criminelen ontsnapt. Een personage. Maar ik vind de echte Willow cool genoeg: slim, creatief, aantrekkelijk. Misschien moet je eens proberen of je haar kunt leren kennen.’
‘Ja, hoor,’ zei Willow. ‘Zal wel.’
Kreeg je dat niet altijd te horen? Wees jezelf. Doe je best. Dat gaat toch niet voor iedereen op? Niet iedereen is aardig en vriendelijk, getalenteerd, mooi, intelligent. Soms is je best doen niet genoeg om te bereiken wat je wilt. En dan? Zit je dan gewoon met jezelf opgescheept, is je leven dan het trieste product van je ‘beste’ inzet?
Ze spraken over haar plannen om beter te presteren op school, doelgericht te werken en niet weg te lopen.
‘Als je de aanvechting hebt om weg te lopen, bel mij dan,’ zei dr. Cooper. ‘Dan kunnen we erover praten.’
Dat vond Willow een goed plan. ‘Maar wat doe ik met Jolie? Ze is mijn beste vriendin en ook al baalt ze misschien niet zo van me als ik denk, ik mag toch niet meer met haar optrekken.’ Eerlijk gezegd vond ze dat niet eens het ergste. Met Jolie stond alles op losse schroeven, kon ze zomaar ineens uit de bocht vliegen.
‘Wees eerlijk tegen haar. Leg uit dat je straf hebt gekregen en dat je hebt beloofd je meer op je huiswerk te richten. Als ze echt je vriendin is, zal ze dat begrijpen.’
Willow moest zich inhouden om niet hardop te lachen. Jolie zou het zeker niet begrijpen. Hier klonk het allemaal zo gemakkelijk, in deze veilige, warme ruimte. Hier leek het alsof alle problemen uitgepraat en uit de weg geruimd konden worden. In deze kamer kon je niet voor een verrassing komen te staan, bestonden geen wildcards. Geen overweldigende emoties; geen plots opkomende angsten; geen enkele druk iets te zijn wat je niet was. In de echte wereld was dat wel anders. Die kon Willow als een maalstroom overweldigen, en dan werden al haar goede bedoelingen en opgerecht gemaakte beloften meegesleurd als afgebroken takken in een snelstromende rivier.