18
Het was niet alsof ze binnen in hen zat. Ze voelde niet precíes wat zij voelden. Maar ze leefde zich dermate in in hun uiteenlopende benarde omstandigheden dat ze altijd iets van hun angsten en hun verdriet opnam. Haar lichaam kreeg er een adrenalinestoot van. Ze kon hun gedachten niet lezen en ze kon niet met hun ogen kijken. Ze was een toeschouwer. Ze was niet alwetend of alomtegenwoordig. Eloise had altijd het gevoel gehad dat haar een bijzonder perspectief werd geboden, al kon ze niet zeggen waarom of door wie. Soms kreeg ze maar een deel te zien, soms zat ze midden op de eerste rij. O, het was allemaal vreselijk frustrerend onsamenhangend. Ze had er geen controle over. Ze was toeschouwer bij een vreemd spelletje. Ze moest kijken, maar had nergens zeggenschap over.
In het geval van Marla Holt – of beter: vermoedelijk Marla (want de ene persoon kon later iemand anders blijken te zijn) – kreeg ze geluid door en een vaag beeld, alsof je van een afstand keek. Eloise hoorde haar gejaagde ademhaling, terwijl ze door het bos rende. De nachtelijke hemel boven haar stond vol sterren, zichtbaar door de hoog reikende takken van dode bomen. Verder weg klonken stemmen, mannenstemmen. Ze kon niet horen wat ze zeiden. Ze ving alleen de boosheid en angst in het stemgeluid op.
Daarna stormde de vrouw door een rij bomen een open plek op. Een groot, scheef gezakt bouwsel doemde voor haar op. Ze struikelde en ging langzamer lopen; het leek alsof ze niet meer kon rennen, want ze duwde haar hand in haar zij tegen de kramp. Was het een oude schuur, een vervallen kerk of schoolgebouw? Eloise wist het niet.
Toen waren er twee mannen. Op de open plek gingen ze met elkaar op de vuist, en een van hen bleef stil en donker op de grond liggen. De andere man ging de bouwval binnen. Daarna was het stil, stil tot een rauwe gil de nacht openreet. Daarna was alles weer rustig. Toen het voorbij was, was het alsof ze wakker werd uit een droom.
Ze moest er gauw over praten, notities maken, want de details vervaagden snel. De randjes krulden om en zweefden weg, de lucht in, als verkoolde papiersnippers. Wat bleef, waren gevoelens van angst en droefheid, pijn, eenzaamheid, die zich beetje bij beetje opstapelden tot er niet meer bij kon. Het had haar gemaakt tot wie ze nu was. Ze was als een mijnwerker die in de diepste krochten van de aarde verdween en elke keer dat hij terugkeerde naar het zonlicht, een beetje van het duister in zich mee naar boven nam. Het vormde een kapsel om haar longen, haar buikorganen, haar hart; het verstikte haar van binnenuit. Ze kon pillen slikken wat ze wilde, het was slechts uitstel van executie.
‘Het huis van de Holts grenst aan de achterzijde aan Hollows Wood,’ zei Ray toen Eloise hem alles had verteld.
‘Ja,’ zei Eloise, die het zich herinnerde uit de tijd dat ze op Michael en Cara paste. De makelaarsadvertenties van tegenwoordig waren lyrisch over het feit dat percelen grensden aan overheidsland. Maar de in The Hollows geboren en getogen bewoners waren bijgelovig. Er gebeurden akelige dingen daar in die bossen. Iedereen wist dat. Eloise wist uiteraard beter dan wie ook dat er overal akelige dingen gebeuren: in zonnige, lommerrijke straten, in het winkelcentrum, op kantoor, tijdens kerstparty’s, thuis. De meeste mensen vonden het makkelijker om te denken dat het alleen gebeurde in enge bossen, in het holst van de nacht. Akelige dingen gebeuren slechts op bepaalde plaatsen, en als je acht slaat op de waarschuwingen, zal jou niets overkomen.
‘Ze hebben wel in de bossen gezocht, toen,’ zei Ray.
‘Ja,’ zei Eloise. ‘Een aantal dagen na haar verdwijning.’
Ze wist nog dat er een zoektocht was georganiseerd om de bossen uit te kammen, maar dat was pas in een gevorderd stadium van het onderzoek. Eloise had zich in die tijd nog niet verzoend met haar visioenen, ze verkeerde nog in de ontkenningsfase. Ze had niet eens geprobeerd iets over Marla binnen te krijgen. Ze wist niet eens dat ze dat kón proberen. Als de visioenen niet kwamen, dacht ze, kon zij ze ook niet opzoeken. Ze waren bovendien zo pijnlijk en verwarrend dat ze het ook niet geprobeerd zou hebben als ze geweten had dat ze dat wel kon.
‘Het was iemand die ze kende,’ zei Ray.
‘Dat is meestal zo.’
Ze schopte de schoenen van haar voeten, ze vielen met een plof op de grond. Ze wilde ze niet meer aan haar voeten hebben. Ook al was er misschien meer te zien, nu was ze er te moe voor.
‘En die anderen?’ vroeg hij. ‘Twee mannen?’
‘Dat is wat ik zag.’
Hij leunde achterover en keek haar strak aan. ‘Je denkt dat ze dood is.’
‘Dat lijkt me waarschijnlijk,’ zei ze. Het was een puur pragmatische conclusie, want dat soort dingen voelde ze niet aan. ‘Denk jij van niet, dan?’
‘Ik weet het niet,’ zei hij. ‘Je weet het maar nooit.’
Het was al laat. Ze wilde slapen, maar ze wilde niet dat hij wegging. Ze bedacht hoe fijn het zou zijn als hij als een schildwacht op zijn stoel zou blijven zitten terwijl zij wegdoezelde. Het verbaasde haar dat ze dat dacht, want ze was eraan gewend alleen te zijn.
Alsof hij gedachten kon lezen en voelde dat ze behoefte had aan gezelschap, sjokte Oliver de kamer binnen en sprong naast haar op bed. Hij rolde zich op tot een spinnende krul en lag zwaar tegen haar been.
‘Weet je, ik weet niet of ik ooit echt van haar heb gehouden.’
Ze waren weer terug bij Karen. Het was normaal in hun gesprekken om van de hak op de tak te springen. Ze konden het over de grootste verschrikkingen hebben, over vluchten, over moord, om vervolgens over te gaan op het weer, dan een potje te vrijen en koffie te zetten.
‘Is het niet triest?’ zei hij. ‘Ik bedoel, we zijn twintig jaar bij elkaar geweest, we hebben twee kinderen. Ik mag haar graag, ik respecteer haar. Maar ik weet niet of ik ooit van haar heb gehouden. Niet op de manier waarop jij van Alfie hield.’
Hij zat op zijn hurken, voorhoofd gefronst, kin op zijn vuist. De Denker.
‘Tuurlijk heb je ooit van haar gehouden.’
‘Ik weet het niet,’ zei hij. ‘Ik heb wel gedacht dat ze de ware voor me was. Ze was mooi en lief. Maar ik denk niet dat ik begreep wat het huwelijk inhield toen we samen naar het altaar liepen.’
Eloise glimlachte en humde instemmend. ‘Je gaat voor de witte jurk en de droom van eeuwige liefde. De alledaagse werkelijkheid komt dan als een verrassing. Het is hard werken.’
‘Precies,’ zei hij. ‘Maar jij zou Alfie nooit bedrogen hebben, toch?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, nooit.’
‘En hoe zit dat met Marla Holt? Bedroog ze Mack?’
‘Mogelijk,’ zei Eloise. ‘Als ze romantiek, opwinding zocht. Het idee dat het leven uit meer bestaat dan een paar kinderen en een man met een vaste baan. Eten koken, schoonheid die in verval raakt... misschien wilde ze meer.’
‘Maar jij hebt haar gekend. Jij paste op haar kinderen,’ zei hij. ‘Had ze een affaire?’
Ze moest denken aan haar gesprek met Jones Cooper. ‘Die indruk had ik niet. Ze aanbad haar kinderen en sprak altijd liefdevol over haar man. Maar je kent iemand nooit door en door, je weet niet hoe het vanbinnen zit. Ik weet niet wát ze ging doen en met wie als ik daar oppaste. Ik heb het nooit gevraagd.’
Als Ray diep nadacht, kauwde hij altijd op de binnenkant van zijn wang. ‘Dus als ze die avond thuis met iemand aan het rotzooien was, heeft Holt haar misschien betrapt. Hij is die twee achterna gegaan in het bos. Haar vriendje beschermt haar en wordt neergeslagen. En Holt vermoordt haar.’
‘Dat is één interpretatie van wat ik heb gezien. Het is mogelijk. Maar wat is er dan met die andere man gebeurd? Heeft Holt hem ook vermoord? En stel dat het zo is gegaan, waar zijn de lichamen dan gebleven? Het is niet makkelijk om twee lijken weg te werken, vooral niet als het om een crime passionnel gaat.’
‘Hij kan er ook vandoor zijn gegaan,’ zei Ray. ‘Niemand wist wie hij was.’
‘De buurvrouw zei dat ze Marla met een koffer in een zwarte personenwagen heeft zien stappen.’
‘Dat komt niet overeen met wat jij hebt gezien.’
‘Dat is slechts een momentopname. Een moment dat zelfs ik niet begrijp. We kennen de situatie van ervoor en erna niet.’
Ray liet zijn hoofd in zijn handen zakken, wreef over zijn kruin en kreunde van frustratie.
‘Het is al laat,’ zei ze. ‘We moeten de informatie eerst op ons laten inwerken. Neem morgen contact op met Jones Cooper. Ik heb het gevoel dat hij er op de een of andere manier iets mee te maken heeft. Misschien kan hij de lege plekken voor ons invullen.’
‘Als de politie de zaak heropent, zitten wij zonder werk,’ zei hij.
‘We hebben een wachtlijst van twintig mensen,’ zei ze. ‘Er zijn zat mensen met onbeantwoorde vragen, die gerechtigheid zoeken en iets willen afsluiten. We gaan gewoon verder met de volgende.’
‘Ik ben niet zoals jij,’ zei hij. Klonk hij bitter? ‘Ik kan niet gewoon verdergaan.’
‘Soms kan het niet anders,’ zei ze. ‘Dat weet je. We kunnen niet alles oplossen.’
Wat was er met hem aan de hand? Hij was nooit zo betrokken. Vasthoudend, dat wel. Vastberaden. Genadeloos. Maar niet betrokken. Dat was iets anders. Betrokkenheid deed pijn, was eigenlijk de bron van alle pijn.
Ze ging overeind zitten en Oliver keek haar geïrriteerd aan.
‘Wat heb je toch?’ vroeg ze.
Hij stond op, liep naar het bed en kwam naast haar zitten. Het matras kreunde onder zijn gewicht, de kat sprong weg en liep met een boze mauw de kamer uit.
‘Ik heb die man gesproken die zijn moeder probeert te vinden. Ik heb die verschrikkelijke zooi in dat huis doorzocht, alle oude interviews en krantenartikelen doorgenomen, ik heb gesproken met mensen die Marla Holt hebben gekend. Maar ik zie geen samenhang. Er klopt iets niet.’
Eloise zei niets, legde alleen haar hand op zijn schouder. Het voelde fijn om hem aan te raken. Onder het katoen van zijn shirt voelde zijn schouder rond en sterk aan.
‘Ik denk maar steeds dat ik het niet meer kan. Ik ben er niet goed meer in. En als ik dit niet meer kan, wat heb ik dan nog over? Ik was een slechte echtgenoot, een middelmatige vader.’ Hij keerde zich naar Eloise. ‘Ik ben niet eens een bijzonder goede vriend. Kijk maar naar jou. Je bent totaal uitgeput en ik vraag alleen maar om meer.’
Ze legde haar hand in zijn nek.
‘We hebben toch alles gegeven, hè? Alles?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Alles.’
Ze zei niet dat ze ‘alles’ al had gegeven toen ze haar gave ontdekte. Dat dit haar in de maag was gesplitst. Dat ze er niet voor had gekozen, zoals hij. Dat ze Amanda ermee had weggejaagd, dat Amanda haar kleinkinderen van haar weghield, dat was allemaal bijkomende schade. Dat was Amanda’s keuze, waar Eloise machteloos tegenover stond. Als het aan haar had gelegen, was ze ermee gekapt. Haar visioenen, het werk en alles wat daarbij hoorde, had ze uit liefde voor haar gezin willen opgeven, als ze de keuze maar had gehad. Maar dat zei ze allemaal niet.
‘Het is goed, Ray. Je hebt veel goeds gedaan in je leven. Je hebt veel mensen geholpen.’
Hij knikte, langzaam en onzeker. Ze keek naar de diepe rimpels in zijn voorhoofd, het gebroken profiel van zijn neus. Toen hij zich naar haar toe boog om haar te kussen, duwde ze hem niet weg. Ze liet zijn zachte mond de hare raken, eerst aarzelend en langzaam, daarna steviger. Hij had een manier van vasthouden die ze heerlijk vond, waarbij hij zijn armen zo om haar heen sloeg dat ze door hem omgeven was. Ze legde haar armen om zijn nek en nam hem helemaal in zich op: zijn brede borst, de stoppels op zijn wangen, de vervagende geur van de sigaar die hij ontkende gerookt te hebben.
‘Ach, Eloise,’ zei hij. ‘Wat is het lang geleden.’
Ooit had vrijen met lichaam en schoonheid te maken gehad. Met zijn spieren en volle haardos. Met de brand tussen haar benen. Haar begeerte was schuldig en ademloos geweest. Ze hadden elkaar de kleren van het lijf gerukt. Hij was met een wanhopige haast bij haar binnengedrongen en zij had geschreeuwd van wellust. Vanavond was het anders. Was het iets langzaams en rustigs, iets wat ze verdienden in plaats van stalen. Ze reikte naar de lichtschakelaar, maar hij hield haar tegen.
‘Ik wil je zien.’
Hij had gelijk. Ze wilde gezien worden, ook al was haar schoonheid vervaagd en had ze haar beste tijd gehad. En zij wilde hém zien, de haren op zijn borst die grijs waren geworden en de lijnen op zijn gezicht die diepe groeven waren geworden. Het was allemaal zo onvolmaakt, zij waren zo onvolmaakt, dat ze wist dat het echt was. Niet wazig of onduidelijk als haar visioenen; ze droomde niet, zoals vaak, over haar leven hiervoor. Toen ze na afloop tegen elkaar aan genesteld lagen, voelde Eloise voor het eerst in jaren dat ze honger had.