24
Jones liep zijn huis binnen en sloot de deur. Hij voelde een zwaarte, een soort sluimerende wanhoop. De politie van The Hollows ging, op zijn advies, de zaak-Marla Holt waarschijnlijk heropenen, maar wat moest hij dan? Hij wist het niet. Chuck had niet gezegd: Oké, ik bel je wel om je te laten weten wat we hebben gevonden. Hij had gezegd: ‘Bedankt voor alles, Cooper. Als je even langskomt, betalen we je uit.’ Jones wist dat hij het niet persoonlijk moest opvatten. Er waren bezuinigingen doorgevoerd. Ze konden zich veroorloven hem een paar uur in te huren, veel meer zat er niet in. Maar toch. Hij stond te popelen om bij die graafpartij aanwezig te zijn en verwachtte half dat ze hem zouden vragen mee te gaan.
Hij hing zijn jas in de kast en hoorde dat Maggie in de keuken bezig was met de lunch. Dat was al vele jaren hun gewoonte, ook toen hij nog werkte. Als het maar even kon, aten ze samen, tenzij een van beiden het te druk had met het werk. Of tenzij Maggie boos op hem was. Hij had niet verwacht dat ze vandaag op hem zou wachten. Maar ze was er.
Hij liep de keuken in. Toen ze niet opkeek van de soep op het fornuis, waarin ze aan het roeren was, liep hij naar de stapel post op de bar en begon die door te nemen. Rekeningen, catalogi, reclamedrukwerk. Kwam er nog wel eens iets leuks met de post? Alles wat belangrijk was of wat bijtijds moest arriveren, werd tegenwoordig via e-mail of telefonisch afgehandeld. Niemand wilde meer dagen wachten op een brief. Alles was nu, nu, nu.
Hij liep naar zijn vrouw, sloeg zijn armen om haar heen en kuste haar wang. ‘Nog boos op me?’ vroeg hij.
Hij voelde haar lichaam ontspannen. In het glas van het magnetrondeurtje kon hij haar gezicht zien, de aarzelende glimlach die aan haar mondhoeken trok.
‘Ja,’ zei ze.
‘Het spijt me dat ik tegen je heb gelogen,’ zei hij. ‘Ik heb er grote moeite mee, Maggie.’ Hij drukte haar steviger tegen zich aan.
‘Ik weet het,’ zei ze, terwijl ze in de soep bleef roeren. ‘Ik zal proberen geduldiger te zijn.’
Hij blies zachtjes in haar nek, dat vond ze altijd lekker. ‘Ik heb een nieuwe afspraak gemaakt.’
Ze legde de lepel neer, draaide zich om en sloeg haar armen om zijn hals. ‘Daar ben ik erg blij om.’ Ze klonk alsof ze ging huilen. ‘Dankjewel.’
Maar toen ze naar achteren boog om hem aan te kijken, glimlachte ze. Die glimlach, zo warm en trots, had hem altijd gemotiveerd om een beter mens te worden. Die glimlach was de gouden medaille, het bewijs van de grootste persoonlijke prestatie. Toen ze jong en verliefd waren, verscheen hij elke keer dat ze naar hem keek. Ze zag iets in hem dat hij zelf niet zag. En elke dag deed hij zijn best die man te zijn. In de jaren dat ze samen waren, was hij daar niet altijd in geslaagd. Soms zelfs jammerlijk mislukt.
Hij maakte de sla, terwijl zij de laatste hand legde aan de sandwiches en de soep in rode aardewerken kommen schepte. Daarna gingen ze aan de keukentafel zitten, terwijl de regen tegen het raam tikte. Onder het eten vertelde hij haar wat er die dag aan het licht was gekomen en zelfs over hoe hij zich daarover voelde.
‘Ga er dan heen,’ zei ze toen hij uitgesproken was.
‘Ze hebben me niet gevraagd,’ zei hij.
‘Nou en? Jij bent degene die Bill Grove vertrouwt. Hij heeft jou gevraagd ervoor te zorgen dat ze met respect voor het land te werk gaan. Het is jouw verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat ze dat ook doen. Als je dit soort werk in The Hollows gaat doen, moeten mensen weten dat ze je op je woord kunnen vertrouwen.’
Wat hield hij toch van zijn vrouw. ‘Goed punt,’ zei hij. ‘Je hebt gelijk.’
Ze gaf een kort knikje, tevreden met zichzelf, en stond op om de tafel af te ruimen.
‘Ga je nu een uithangbord ophangen?’ vroeg ze vanaf de gootsteen.
‘Hoe bedoel je? Iets van privédetective of zo?’ Hij liep achter haar aan met de glazen en zette ze in de gootsteen.
‘Ja, iets dergelijks.’
Hij grinnikte. ‘Het is maar een klein stadje. Ik weet niet of er zoveel behoefte is aan dat soort diensten.’
‘Daar zou je nog wel eens van kunnen opkijken.’
Dat deed hem aan Paula Carr denken en aan de onbeantwoorde oproep op zijn mobieltje. Hij had gezien dat ze geen boodschap op zijn voicemail had achtergelaten. Zijn oude maat bij de kredietregistratie had nog geen contact met hem opgenomen. Dat was ongetwijfeld de makkelijkste manier om iemand op te sporen. Als je de juiste contacten had, kon je erachter komen wanneer iemand voor het laatst zijn creditcard had gebruikt en wat ermee betaald was. In een cultuur waar mensen hun creditcards voor bijna alles gebruiken, was het zo goed als onmogelijk je ergens verborgen te houden, tenzij je van de kaart verdween – als je je mobieltje verloor of als je contant ging betalen.
‘Hoe dan ook,’ zei Maggie, ‘parttime is ook leuk.’
‘Ik zal er over denken.’ Hij probeerde nonchalant te doen, maar het idee stond hem aan en hij kon zien dat Maggie het ook wel zag zitten. Ze kuste hem vluchtig op de wang en kneep even in zijn zij. ‘Ik heb een cliënt,’ zei ze.
Toen was ze weg, verdwenen achter de deur die naar haar andere leven leidde. Dr. Cooper. Hij had vroeger ook een ander leven gehad. Rechercheur Cooper, plaatselijke diender, voormalig schoolatleet, jongen van hier. Hij was dat allemaal zo lang geweest, dat hij niet wist hoe hij gewoon Jones Cooper moest zijn, echtgenoot, vader, pensionado (niet vrijwillig). Hij dacht na over wat Maggie eerder had gezegd: ‘Degene die je was, degenen die wij waren, die bestaan niet meer. We moeten samen een nieuwe manier vinden om verder te gaan, als de mensen die we nu zijn.’ Hij begon een beetje te begrijpen wat ze bedoelde.
Er lag een lijstje op de bar met namen van mensen die hadden gebeld. De loodgieter was blijkbaar niet betaald; de Andersons gingen de stad uit, of Jones de katten eten wilde geven. En nog een naam, die zijn aandacht trok. Kevin Carr had gebeld, Paula’s man. Of Jones hem terug kon bellen.
Jones haalde zijn mobieltje tevoorschijn en scrolde door de nummers tot hij dat van Paula vond en drukte de beltoets in. Hij wilde eerst met haar contact opnemen voor hij haar man belde.
‘Hallo?’ Het was een mannenstem, waarschijnlijk die van Kevin Carr. Jones speelde even met de gedachte op te hangen, maar met die nummerherkenning van tegenwoordig had dat geen zin meer. Jones zweeg.
‘Spreek ik met Jones Cooper?’ De stem aan de andere kant klonk gespannen en nerveus.
‘Ja,’ zei Jones met tegenzin. ‘Met wie spreek ik?’
‘Met Kevin Carr. Ik zag uw naam en nummer staan op de telefoonrekening van mijn vrouw. Heeft ze met u gesproken?’
Wat moest hij doen? Liegen?
‘Dat klopt,’ zei hij. Hij zette zijn politiestem op – bijna afstandelijk, maar net niet onbeschoft. ‘Wat kan ik voor u doen, meneer Carr?’
‘Ik wil weten waarover u met mijn vrouw hebt gesproken.’
Jones vond de stem van de man niet aangenaam klinken. Er klonk arrogantie en boosheid in door. Hij dacht aan wat Paula had gezegd: ‘Kevin trekt zich alleen iets aan van dingen die hem persoonlijk aangaan, verder niets.’
Jones antwoordde op een luchtige, vlakke toon. ‘Volgens mij is dat iets wat u met haar dient te bespreken, meneer Carr.’
Het was lang stil aan de andere kant. ‘Mijn vrouw is weg,’ zei Carr tenslotte.
‘Weg?’ Jones voelde zijn bloeddruk licht stijgen.
‘Ze is gisteren bij me weggegaan,’ zei hij. Jones kon voelen dat Carr inwendig kookte van woede. ‘Ze is me te lijf gegaan. Daarna is ze met mijn twee jongste kinderen vertrokken. Ze heeft mijn kinderen ontvoerd.’
Jones kon zich niet voorstellen dat Paula Carr iemand te lijf ging, behalve als ze niet anders kon. Hij kon zich wél voorstellen dat ze het zou opnemen voor zichzelf en haar kinderen. Hij vond mannen die hun vrouw beschuldigden van het ontvoeren van de kinderen altijd verdacht. Als een vrouw zoals Paula Carr huis en haard verliet en de kinderen meenam, was dat meestal om een verdomd goede reden. En gewoonlijk was die reden manlief.
‘Waarom is ze weggegaan, meneer Carr?’vroeg Jones. ‘Waarom is ze u te lijf gegaan?’
‘Hoor eens,’ zei Carr op een hoge, ruzieachtige toon. ‘Ik bel u omdat ik wil weten wie u bent en waarom u met mijn vrouw hebt gesproken.’
Het viel Jones op dat Carr Paula’s naam nog niet één keer had genoemd. Hij sprak over haar als ‘mijn vrouw’. Dat zei iets over Carr, over hoe hij Paula zag.
‘Op dit moment ben ik niet bereid dat met u te bespreken,’ zei Jones. ‘Hebt u de politie gebeld om aangifte te doen of om uw kinderen als vermist op te geven? Als u dat hebt gedaan, kunnen zij met mij in contact treden en dan zal ik al hun vragen beantwoorden.’
Jones hoorde Carr diep ademhalen. Toen hij weer sprak, huilde hij. Jones had een gloeiende hekel aan huilende mannen. Hij kon er helemaal niets mee.
‘Luister, meneer Cooper,’ zei Carr. Nu klonk zijn stem zacht en smekend. ‘Mijn vrouw is niet in orde. Ik weet niet wat ze u verteld heeft, maar ze is labiel en ze lijdt aan depressies.’ Carr slaakte een diepe, bibberende zucht. ‘Ik ben bang dat ze zichzelf of de kinderen iets aandoet.’
Er bekroop Jones een angstig gevoel. Had Carr hun iets aangedaan? Kwam dit telefoontje uit zijn trukendoos om onschuldig te lijken als er vuile zaakjes boven water kwamen?
‘Ik kan u niet helpen, meneer Carr,’ zei hij. ‘Maar ik kan wel contact voor u opnemen met de politie.’
‘Nee,’ zei Carr snel. ‘Ik wil niet dat ze in de problemen komt. Het is toch strafbaar om je man te verlaten en de kinderen mee te nemen zonder toestemming van de echtgenoot?’
Of probeerde Carr haar af te schilderen als een labiele moeder die haar kinderen had ontvoerd en ze kwaad zou kunnen doen om te verhullen dat ze uit een situatie van huiselijk geweld was gevlucht?
‘Dat hangt van de omstandigheden af,’ zei Jones.
Weer viel er een diepe stilte. Jones kon de man horen hijgen.
‘U bent toch privédetective?’ zei Carr. Waarom dacht iedereen toch dat hij privédetective was? Jones liet het maar zo.
Carr ging verder. ‘Het doet er ook niet toe waarom ze met u sprak. Maar... kunt u me helpen mijn vrouw terug te vinden? Ik wil niets liever dan dat ze thuis komt, zodat we een en ander kunnen uitpraten.’
Jones bleef zwijgen, alsof hij erover nadacht. Hij was niet van plan Kevin Carr te helpen. Paula Carr daarentegen had hij wel beloofd te helpen. En hij was een man van zijn woord.
‘Oké, meneer Carr, ik help u zoeken,’ zei hij. ‘U kunt me op weg helpen met wat informatie, zoals de woonplaats van haar ouders en haar meisjesnaam.’
Carr werd week van dankbaarheid. Hij spuide alle informatie die Jones nodig had.
‘Ik neem vanmiddag contact met u op, meneer Carr,’ zei Jones. ‘Maar doe me een lol: blijf waar u bent en wacht op mijn telefoontje.’
‘En u neemt geen contact op met de politie?’
‘Daar zie ik op dit moment geen reden toe.’ Maggie noemde hem een ster in het geven van vrijblijvende antwoorden. Dat leer je wel als politieman.
Het eerste wat hij deed nadat hij het gesprek had beëindigd, was bellen met Denise Smith, de receptioniste van Hollows Elementary, de basisschool. Ze kenden elkaar al vanaf de kleuterschool, die in hetzelfde schoolgebouw was gevestigd als de basisschool. Na wat heen-en-weergeklets vroeg hij of ze wist wie Cameron Carr gisteren had opgehaald. Het was een ongebruikelijke vraag en waarschijnlijk mocht ze dat soort informatie niet eens geven. Maar Jones had gemerkt dat zoveel mensen gewend waren aan zijn rol als politieman dat ze zijn vragen beantwoordden alsof ze niet anders konden.
‘Gewoonlijk doet zijn moeder dat. Maar ik kan het de leerkracht vragen,’ zei Denise. ‘Zijn vader zien we bijna nooit. Volgens mij werkt hij in New York.’ Hij hoorde haar vingers over het toetsenbord ratelen.
‘Ach,’ zei ze na een korte stilte. ‘Ik hoef het niet te vragen. Het was Paula. Ze kwam bij de administratie langs om te zeggen dat Cameron een paar dagen niet naar school zou komen. Ze gingen weg.’
‘Hoe kwam ze op je over?’
‘O, druk, gehaast, zoals iedereen tegenwoordig.’
‘Heeft ze gezegd waar ze heen ging?’
‘Nee...’ Ze rekte het woord, alsof ze erover nadacht. ‘Nee, ze heeft niets gezegd.’
‘Bedankt, Denise.’
‘Er is toch niets?’ Ze had haar stem tot een fluistertoon gedempt. Hij had haar altijd gemogen. Ze was een van de weinige mensen in The Hollows van wie je wist dat ze haar mond niet voorbijpraatte.
‘Ik hoop het niet,’ zei hij. ‘Mondje dicht, hè?’
‘Natuurlijk,’ zei ze. ‘Je kent me toch?’
Na het gesprek met Denise tintelden al zijn zenuwen. Als hij nog bij de politie zou zijn geweest, had hij wel geweten wat hij zou moeten doen. Het te volgen protocol was duidelijk: de vrouw als vermist laten aanmelden, haar telefoon-, bank- en creditcardgegevens opvragen, haar kenteken in het systeem zetten in de hoop dat ze aangehouden kon worden of dat iemand haar achtergelaten auto vond. Maar hij was een gewoon burger, dus dat kon niet meer. Hij kon haar als vermist opgeven, maar dat wilde hij niet doen. Als ze om een goede reden was gevlucht, zou hij daardoor alleen haar man maar helpen haar te achterhalen.
Hij belde zijn contact bij de kredietregistratie, die hij al had benaderd in verband met Carrs ex, en liet een bericht achter. Jack Kellerman. Ze gingen al jaren samen naar de kroeg, ontmoetten elkaar om de paar maanden in New York of in The Hollows, als Jack hier was voor een bezoekje aan zijn ouders. Jack was altijd platzak, dus Jones trakteerde. Jack gaf op zijn beurt Jones’ aanvragen voorrang boven die van anderen of hield ze stil als ze een dagvaarding wilden omzeilen.
‘Ik dacht dat je eruit was gestapt,’ had Jack gezegd toen hij hem gisteren had gesproken.
‘Ik geloof niet dat dat helemaal kan,’ had Jones geantwoord.
‘Het zit in je,’ had Jack gezegd. ‘Je weet dat je altijd op me kunt rekenen.’
Jack was vroeger zijn meest waardevolle contact geweest. Het was prettig te weten dat er in dat opzicht niets was veranderd. Als Jones besloot om als particulier aan de slag te gaan (wat hij nog niet had gedaan), zou dat een hoop schelen. Zodra je toegang had tot iemands creditcardgegevens was het niet moeilijk diegene te traceren via hotels, benzinestations, tolwegen, geldautomaten. Als het spoor ophield, was iemand of dood of opgegaan in de onderwereld of wilde hij niet opgespoord worden.
Vervolgens belde hij Chuck, zogenaamd om hem over Paula Carr en het vreemde telefoontje van haar echtgenoot te vertellen.
‘Denk je dat er reden is om je zorgen te maken over haar veiligheid?’ vroeg Chuck toen hij zijn verhaal gedaan had.
‘Mogelijk,’ zei Jones.
‘Wil je haar als vermist opgeven?’
‘Nog niet.’
‘Waarom niet?’
Jones vertelde hem van zijn telefoontje naar Denise Smith.
‘Wat wil je dan dat ik doe?’ Chuck klonk geërgerd. Overwerkt. Onderbetaald. Op zijn huid gezeten door zijn meerderen, door burgers en waarschijnlijk ook door zijn vrouw.
‘Ik vroeg me gewoon af wat je ervan vond,’ zei Jones. Dat was niet helemaal waar.
Het werd stil aan de andere kant. Chuck was gestopt met typen. ‘Als ik jou was,’ zei Chuck, ‘ zou ik de ouders bellen. Een beetje hengelen, als je je ongerust maakt.’
‘Daar zat ik ook aan te denken,’ zei Jones, die merkte dat Chuck zich gevleid voelde. Hij had voor intrigant gespeeld. Geen politieman die een geheimzinnige zaak kon weerstaan, of het idee dat iemand wilde weten wat hij ervan vond.
‘Als ze haar zoontje niet had opgehaald,’ zei Chuck, ‘zou ik waarschijnlijk wel hebben gezegd dat je aangifte moest doen van een vermissing om de zaak aan het rollen te brengen voor het geval er kwade opzet in het spel is. Ik bedoel, als ze hem te lijf is gegaan en de kinderen heeft meegenomen, waarom heeft hij de politie dan niet gebeld en het voorval gemeld? Een goede vader, oprecht bezorgd over de veiligheid van zijn kinderen, zou gisteravond aangifte hebben gedaan, hoeveel hij ook van zijn vrouw houdt. Hij zou verwoed aan het zoeken zijn, en wij ook.’
‘Precies,’ zei Jones. ‘Het is verdacht.’
‘Ja, ik zou de ouders bellen,’ zei Chuck. ‘Goede kans dat ze daar is.’
‘Daar kan ik wat mee. Zal ik je alvast haar kenteken geven?’ vroeg hij. Dat was de echte reden waarom hij Chuck had gebeld. Er was nieuwe software om kentekens te traceren met behulp van cctv-camerasystemen, die tegenwoordig overal hingen. Het werd stilletjes ingevoerd, het was niet de bedoeling dat de media en burgerrechtengroeperingen er lucht van kregen. Als burger was er niet aan die software te komen en daarbij was de technologie van zo’n recente datum dat Jones niet eens iemand kende die er wel toegang toe had. ‘Misschien kun je haar voertuig traceren.’
Weer bleef het even stil. Hij vroeg Chuck om een gunst, iets wat niet helemaal volgens het boekje was. Jones wachtte af.
‘Ja, doe maar,’ zei Chuck tenslotte.
Jones had het merk, model en kenteken van de suv van Paula Carr genoteerd toen hij bij haar langs was geweest. Macht der gewoonte.
‘Nu ik je toch aan de lijn heb...’ zei Chuck.
‘Zeg het eens.’
‘Wil je meerijden naar de plek waar ze aan het graven zijn? Die lui van Grove doen moeilijk. Misschien zijn ze wat meegaander als jij bemiddelt.’
‘Ik dacht dat je het nooit zou vragen,’ zei Jones.
Dat ontlokte Chuck een lachje. ‘Fijn om weer met je samen te werken,’ zei hij.
Man, je moest eens weten.