37
Claudia Miller zag hen komen, precies zoals ze had geweten dat het zou gaan. Ze had het geweten zodra ze het te koop-bord in de tuin had zien staan. Eerst een gewone politieauto. Daarna een zwarte, niet als zodanig herkenbare surveillancewagen. En nog meer auto’s. En toen de rest; toen kwamen de diverse buren met hun luidruchtige snotapen van kinderen naar buiten om vanaf de veranda of stoep voor hun huis het hele circus te volgen. Ze kon hun nervositeit en hun opwinding voelen. Maar niemand van hen had ook maar voor het raam gestaan toen de ambulancebroeders Mack uit dat huis hadden gehaald. Niemand had naast haar bij de ambulance gestaan toen ze hem over zijn overwoekerde oprit op een brancard naar de ambulance reden en wegvoerden. Het had niemand iets kunnen schelen dat een oude man zijn huis voor de laatste keer verliet.
De buren keken en staarden. Uiteindelijk ging een stelletje van hen op straat bij elkaar staan. Tot de advocaat met de zwarte Mercedes (die ene die ’s avonds stiekem een sigaretje rookte opzij van het huis als hij de vuilnis buiten zette) naar de geüniformeerde agent liep die op de oprit stond.
‘Kunt u mij vertellen wat er gaande is, agent?’ Zijn stem klonk schel in de koude, kille buitenlucht. Nu de regen niet meer op haar dak kletterde en tegen de ramen sloeg, leek het stil in de buurt.
De agent stak een hand op en schudde zijn hoofd. Maar Claudia kon niet horen wat hij zei.
‘We hebben er recht op het te weten,’ zei de advocaat. Ze wist dat hij humeurig werd als hij zijn zin niet kreeg. Zij wist waarom de politie er was. Claudia Miller wist heel veel.
Ze wist dat het mooie blonde meisje (hoe oud zou ze zijn, zestien hooguit?) ’s avonds soms uit haar slaapkamerraam klom met behulp van zo’n touwladder die mensen onder het bed bewaren voor het geval er brand uitbreekt. Haar vriendje stond haar op de hoek op te wachten en bracht haar een paar uur later terug.
Claudia wist dat de vrouw met de grote borsten van nummer 180 een verhouding had. Ze was makelaar in onroerende goed in populaire wijken en vloog de hele dag als een bezige bij huis in, huis uit. Elke woensdag rond het middaguur ontving ze een man bij haar thuis. Claudia zag ze ieder afzonderlijk met gespeelde achteloosheid naar binnen gaan en weer naar buiten komen. De man van de vrouw kwam soms pas na middernacht thuis.
Claudia wist dat poes Misty niet was weggelopen, ondanks de droevige briefjes op de lantaarnpalen en het prikbord in de supermarkt. Het dier was naar buiten geglipt toen de vrouw van nummer 183 de post ging halen. Een poosje later zag Claudia dat de poes door een auto werd aangereden; ze wankelde naar de stoeprand en bezweek. Weer een poosje later kwam de vrouw van nummer 183 naar buiten. Ze zag haar kat liggen en stond op straat te huilen. Toen droeg ze het lijkje voorzichtig naar huis en deponeerde het boven op het afval in de vuilnisbak. De vuilniswagen kwam niet lang daarna. De kinderen zochten nog steeds naar de dode poes en hoopten dat ze weer naar huis zou komen.
Claudia kende hun geheimen. Elk geheim was als een juweel dat ze in een kistje stopte. Ze waren van haar, want zij waakte.
Op de avond dat Marla Holt verdween, had ze ook op de uitkijk gestaan. Claudia had op Mack gewacht. Ze zat elke avond uit te kijken naar het moment dat hij in zijn praktische auto de oprit op draaide. Wat voor auto was het ook weer? Dat soort dingen kon ze zich niet meer herinneren. Hij stapte langzaam uit en pakte zijn stoffen schoudertas van de achterbank. Ze zag hem op zaterdag het gazon maaien en op zondag de auto’s wassen. Ze keek met plezier toe wanneer hij met zijn zoon basketbalde op de oprit, ook al werd ze gestoord van het geluid van die bal. Ze vond het leuk dat hij met de kinderwagen ging lopen als de baby onrustig was. Met zijn brede schouders en altijd warrig zittend haar deed Mack haar denken aan de man van wie ze ooit had gehouden. De man met wie haar zus was getrouwd, om de waarheid te zeggen. Ze had hem getrouwd en vroeg het graf in gejaagd, met haar gat in de hand en vele eisen. Zo zag Claudia het, ook al was ze de enige die er zo over dacht. Ze was ver weg gaan wonen om het niet allemaal te hoeven aanzien.
Mack Holt was de enige in de buurt die aardig tegen haar was. Altijd als hij haar zag, stak hij zijn hand op of schonk hij haar een glimlach. Als het op zondagochtend regende, haalde hij de krant voor haar uit de bus en legde hem bij haar deur. En dus hield zij voor hem een oogje in het zeil.
Die avond stond ze voor het raam. Mack was laat. Wel zag ze Henry Ivy de oprit op lopen. Het was hun joggingavond. (Claudia vond het niet gepast dat een getrouwde vrouw zo met zichzelf te koop liep, maar ze verdacht Marla Holt van veel ergere dingen.)
Ze zag dat hun zoon Michael thuiskwam en zijn fiets op de grond gooide in de voortuin. Henry Ivy ging weg. En toen begon het geschreeuw. Even daarna kwam Mack thuis. Er volgde nog meer geschreeuw en er klonk een geluid, alsof er iets brak. Toen zag Claudia haar buurvrouw de achterdeur uit rennen, op de voet gevolgd door haar zoon en haar man. Ze had de politie kunnen bellen, ze stond al bij de telefoon. Wat ze had gezien, kon niet goed aflopen. Maar die vrouw, die altijd de neus in de wind had, altijd met zichzelf te koop liep, die mannenbezoek kreeg als haar man aan het werk was... Ach, boontje komt om zijn loontje.
Later, uren later, zag ze Mack en Michael terugkomen. De jongen was ziek of dronken, want Mack sleepte hem mee. Hij bracht zijn zoon naar binnen en kwam even later weer tevoorschijn. Met zijn hele gewicht op de balustrade van de veranda hangend staarde hij het donker in. Ze zag hem staan in het oranje schijnsel van de lamp boven zijn keukendeur. Hij kon haar niet gezien hebben, want al haar lichten waren uit en ze stond achter het gordijn.
Toch draaide hij zich om en hij keek naar haar huis, alsof hij wist dat ze keek. Hij keek lang, heel lang naar haar huis. Zo wist ze dat hij wilde dat ze niets zou zeggen. Omdat Mack Holt haar herinnerde aan hoe het voelde om jong en verliefd te zijn, omdat hij aardig tegen haar was geweest terwijl anderen haar links lieten liggen, deed ze hem de stilzwijgende belofte dat ze wat ze die avond had gezien met zich mee het graf in zou nemen. En dat was ze nog steeds van plan, ook al was Mack er niet meer. Ze zou niets over die avond loslaten, wie er ook naar vroeg.
Toen de politie jaren geleden bij haar voor de deur had gestaan, had ze verteld dat ze een zwarte personenauto had zien stoppen en dat Marla Holt was ingestapt en weggereden. Dat had ze ook gezien, vaak genoeg. Een zwarte auto die voor het huis stopte, waarop Marla naar buiten holde en instapte, altijd opgetut. Ze had zelfs een keer een kleine reistas bij zich gehad. Dat had Claudia gezien, alleen niet op de avond dat Marla verdween.
Dit was het kostbaarste geheim geweest van al haar geheimen, van al die weetjes die ze had opgeslagen. Ze keek uit haar raam toen de lampen in het huis van de Holts aangingen, lampen die ze al jaren niet had zien branden, en wist dat de waarheid aan het licht was gekomen. Ze voelde zich boos, bitter, alsof haar iets afgenomen was.
Ze deed de luiken dicht en ging naar bed.